God’s Schepping en haar lot

Maar Gij hebt alles naar maat en getal en gewicht geordend,
Het is U immers altijd mogelijk
Uw macht te ontplooien. Wijsheid 11:20-21.

‘God is geest en alles, wat hij schept, is geest. Naar zijn beeld schiep Hij geestelijke wezens in zo’n onmetelijke hoeveelheid, dat u geen aardse getallen hebt, waarmee u die ook maar bij benadering zou kunnen uitdrukken.
Op welke wijze de oneindig grote en almachtige God de geestenwereld schiep, kan je als mens niet duidelijk worden gemaakt. Het is voor de mens ook niet noodzakelijk om dit te weten, en van geen betekenis voor zijn zieleheil. Het is voldoende, het verband te leren kennen, waarin de mens tot God’s schepping staat, daaruit kan hij zien, waarom hij op aarde is en welke opgaven hij in zijn aards bestaan moet vervullen. Daartoe dienen mijn lessen over God’s schepping.
God schiep de geestenwereld niet in één keer. God is de grote schepper, die volgens oneindig wijze wetten uit het kleine het grote, uit de eenheid de veelheid, uit het zaadkorreltje de boom met billioenen zaadkorreltjes als kiemen voor nieuwe bomen schept, die het gezin niet vormt door ouders en kinderen tegelijkertijd in het leven te roepen, maar doordat hij een ouderpaar schept en daaraan het vermogen tot voortbrenging verleent, zodat langzamerhand door de geboorte van kinderen het gezin groeit en uit dit gezin nieuwe gezinnen tot in het onbegrensde kunnen ontstaan.
Op dezelfde wijze handelde God bij zijn geestelijke schepping. Alle wetten, die u in de aardse werelden kent, zijn er in de geestelijke wereld ook. Herhaaldelijk heb ik je met de grootste nadruk op dit feit gewezen en ik moet het steeds weer opnieuw met klem herhalen, omdat het de grondslag van de waarheid is voor alle kennis omtrent gene zijde, of gij dit nu aanneemt of met een ongelovig lachje afwijst.
Zo zult u wel ongelovig het hoofd schudden als ik zeg, dat de in de ganse aardse natuur en voor alle levende wezens bestaande wet aangaande de verbinding van het mannelijke met het vrouwelijke ook in de geestelijke schepping in dezelfde omvang geldt en moet gelden. Want de stof is niets anders dan de belichaming van het geestelijke, dus slechts een andere toestand van de geest, die de geestelijke wetten niet opheft, maar ze alleen op een aan de stof aangepaste wijze werkzaam laat zijn. Zoals er dus in de aardse schepping mannelijke en vrouwelijke wezens van alle soorten zijn, zo zijn er ook mannelijke en vrouwelijke geesten in de geestelijke schepping. Het aantal mannelijke geesten is gelijk aan dat van de vrouwelijke; aan ieder mannelijke geest is een vrouwelijke geest naar God’s wet toebedeeld. Beide passen volkomen bij elkaar en vinden hun hoogste persoonlijke geluk in het elkaar aanvullen en in hun trouwe samenwerking aan de taak, welke God hun heeft opgelegd. Zulke voor elkander geschapen geestenparen noemt men : `Dualen’. Dit betekent ‘Twee die tezamen behoren.’ `En zo moet gij alle werken des Allerhoogsten bekijken: paarsgewijs, het een tegenover het ander’ (Sirach 33:14). Dat zijn de huwelijken, die in de hemel werden gesloten. Van deze wet van paarsgewijze verbinding van het mannelijke met het vrouwelijke is alleen God uitgesloten en de als eerste schepping van God in het leven getreden ‘zoon van God’ die u `Christus’ noemt. Voor al de andere geesten geldt het woord van de bijbel: `Als man en vrouw schiep Hij ze’ en het andere woord: ‘Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u.’
Christus is de hoogste geest, die God in zijn almacht kon scheppen. Hij is in alles zijn volmaakste evenbeeld, voor zover een geschapen geest de volmaaktheid van de schepper kan bezitten. Daarom noemt Paulus hem met recht `Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping’ (Kolossenzen 1:15). Christus is dus niet God, zoals velen thans onderwijzen, maar de als eerst geschapene ‘zoon van God’, zijn hoogste en volmaaktste schepsel.
Na Christus werden nog zes geesten in het leven geroepen, die ook `zonen van God’ worden genoemd, die echter hun bestaan wat hun hemelse lichaam betreft aan de eerstgeboren zoon Gods te danken hebben en aan deze in grootheid, macht en heerlijkheid niet gelijk zijn.
De tweede ‘zoon van God’ was hij, die u ‘Lucifer’ noemt – de lichtdrager, na Christus de hoogste van de geschapen geesten, die later van God afvallig werd. Een andere van de zeven ‘zonen Gods’ komt u tegen in de geschiedenis van Tobias. Daar maakt de als mens belichaamde hoge hemelgeest, die de jonge Tobias had begeleid, zich aan de familie van Tobias bekend met de woorden : Ik ben Rafaël, een van de zeven zonen Gods’ (Tobias 12:15).
Behalve de eerstgeschapen zoon van God (Christus) is de hele in het leven geroepen geestenwereld geen directe schepping van God, zoals de eerste zoon, maar door die eerstgeboren zoon in het leven geroepen langs de weg van de doorgaande geestelijke voortplanting. Daarom schrijft Paulus in zijn brief aan de Kolossenzen: ‘Want in Hem (Christus) is alles geschapen in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem’ (Kolossenzen 1 :16-17).
Zoals het gehele aardse mensengeslacht de bron van zijn lichamelijke bestaan in de eerste mens vond, zo vindt de gehele geestenwereld de oorsprong van zijn lichamelijke bestaan in Christus. Zoals de mensen van de eerste mentelijke stamvader alleen hun stoffelijke lichaam door vele generaties heen hebben ontvangen, doch hun geest telkens zonder medewerking van de voortbrengers met het lichaam wordt verenigd, zo danken ook de hemelse wezens hun hemelse lichaam aan de eersteling van de hemelse schepping, de eerste zoon van God, terwijl hun geest als van God komend, telkens door God met het hemelse lichaam wordt verenigd. Het onderscheid tussen `hemelse lichamen’ en `aardse lichamen’ is je reeds uit mijn vroegere verklaringen bekend. Bij de wezens aan gene zijde is het lichaam in geestelijke vorm aanwezig. Daarover leert Paulus u in zijn eerste brief aan de Korinthiërs : ‘Er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen; maar anders is de uiterlijke verschijning,der hemelse, anders die der aardse lichamen … Evenals er een stoffelijk lichaam is, is er ook een geestelijk’ (1 Korinthe 15:40 en 44). De geest ontvangt in dat wat men ‘odlichaam’ noemt zijn gestalte. De geest zelf is een vonk van God, die licht uitstraalt overeenstemmend met het omhulsel, waarin hij is belichaamd. Dit is weliswaar slechts beeldspraak, maar anders dan in onvolkomen beelden kan aan u, mensen het geestelijke niet begrijpelijk worden gemaakt.
Zoals u in de aardse schepping de meest veelvuldige geslachten en soorten van levende wezens hebt, hogere en lagere, maar ieder geslacht en elke soort op zichzelf en met betrekking tot de te vervullen taak volmaakt is, zo waren ook de geesten, die God in de hemelse lichamen tot eenlingen heeft gevormd, in een wondervolle veelheid van geslachten en soorten aanwezig. U zelf onderscheidt immers volgens de bijbel in de geestenwereld cherubijnen, serafijnen, aartsengelen, engelen, heerschappijen, machten en vorstendommen.
De geestenwereld, door Christus geschapen, en tot een gemeenschap met hem verenigd, vormde een prachtige levende organisatie, waarin alle geesten leden van een geestelijke gemeenschap waren, verschillend van aard en volmaaktheid. Zoals de leden van een aards lichaam ondanks de verscheidenheid van hun vorm en van hun taak, toch tezamen een organisch geheel vormen, waarin geen lid overbodig en geen lid onafhankelijk van het andere is, zo vormde ook de schepping van de geesten een geestelijk lichaam met Christus als hoofd en de overige geestenwereld als leden. In een goedgeordend aards rijk vormt de koning als hoofd van het rijk, tezamen met zijn ministers, zijn hogere en lagere ambtenaren en de onderdanen een enkele grote gemeenschap, waarin allen aan het welzijn van het geheel arbeiden en waarbij van het welzijn van het geheel ook het welzij n van de enkeling afhangt. Zo is het ook in de grote geestenfamilie. Iedere geest had zijn eigen taak, hoge of minder hoge, maar allen waren tot een grote, heerlijke eenheid samengevoegd, waarin geen geest overbodig was en de enkele geest niet voor zichzelf werkte, maar met de anderen tezamen aan de wonderbare taak, die God’s schepping moest vervullen. Zij moest deelnemen aan de werken van God en dientengevolge aan het geluk en de schoonheid van Hem, Christus, die hen in het leven had geroepen, aan de heerlijkheid van God en van Christus als de door God gezalfde koning.
Daarom komt de apostel Paulus in zijn brieven steeds weer terug op ‘het geheim van Christus’ lichaam’. ‘Zo vormen wij allen tezamen in Christus één lichaam, en ieder afzonderlijk, zijn wij, evenals de ledematen van het lichaam, aangewezen op elkaar. De geestelijke gaven die wij bezitten verschillen naar de bijzondere genade die ieder van ons is geschonken’ (Romeinen 12:4-6).
Wij moeten trouw blijven aan de ware leer en langzamerhand alle schepselen door de liefde tot geestelijke leden maken van hem, die het geestelijke hoofd is, namelijk Christus. Want door hem wordt het geestelijke lichaam als Gen geheel tezamen gevoegd en tezamen gehouden. In dit geheel moet elk lid zijn taak vervullen, afhankelijk van de kracht die aan iedereen als deel van het geheel wordt geschonken. Zo helpt elk lid mee aan de opbouw van het geestelijke lichaam, totdat het geestelijke gebouw van Christus is voltooid, opgebouwd op het fundament van de liefde (Efeze 4:15-16). `Die (christus) het hoofd is van wie het hele lichaam, door gewrichten en banden gesteund en bijeengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt’ (Kolossenzen 2:19).
Deze grote gemeenschap van geesten noemt Paulus ook `kerk’. – ‘Hij (Christus) is ook het hoofd van het lichaam dat de kerk is’ (Kolossenzen 1:18). `Alles heeft God onder zijn voeten gelegd, en Hemzelf verheven boven alles, heeft Hij als Hoofd gegeven aan de kerk, die zijn lichaam is, de volheid van Hem die het al in alles vervult’ (Efeze 1:22 en 23).
`De kerk’ is dus de gemeenschap van alle godsgetrouwe geesten onder het koningschap van Christus. Het woord ‘kerk’ betekent ‘heerschappij des heren’. Wie zich onder deze heerschappij en daardoor onder God stelt behoort tot de ‘kerk’. Het juiste begrip ‘kerk’ heeft dus met uw aardse kerken en godsdienstige gemeenschappen niets gemeen. Dat alles is mensenwerk, ontstaan uit menselijke dwalingen, en vergankelijk, zoals al het menselijke.
Dat, wat Paulus als het ‘geestelijke lichaam van Christus’ beschrijft, was bij de schepping van de geesten letterlijke werkelijkheid. Alle geestelijke wezens, die werden geschapen, waren leden van de grote geestenorganisatie en ondergeschikt aan Christus. Zij ondervonden geen dwang; zij hadden hun volle vrijheid. Wat zij deden geschiedde uit hun eigen vrije wilsbeschikking. Allen waren aan Christus als hun koning en God’s stadhouder en daardoor ook aan God zelf in trouw toegewijd. Een innige liefdesband verbond deze grote geestenfamilie. Het regeren van Christus als gevolmachtigde van God was niet als van een heerser, maar veelmeer een leiden in broederlijke bescherming. Het was de hand van de sterkere, die de zwakkeren beschermde.
De vrije wil, die als hoogste geschenk van de schepper aan de geesten was gegeven, maakte het hun ook mogelijk, zich tegen de regelingen van de door God aangestelde koning te verzetten. Voor alle geschapen geesten – met uitzondering van de eerste zoon van God – geldt het woord van de heilige schrift: ‘Zelfs in zijn dienaars stelt Hij geen vertrouwen, zelfs in zijn engelen bespeurt Hij nog smetten’ (Job 4: 18), en dat andere woord: `Als God in zijn engelen al geen vertrouwen stelt en zelfs de hemelbewoner niet rein is in zijn ogen’ (Job 15:15). En toch zijn het `heilige geesten’, zolang zij de heerschappij van God en van Christus boven zich erkennen en zich niet door afval van het rijk God’s losmaken.
Helaas ontstond de afscheiding van een groot deel van de geestenwereld van het rijk Gods door opstand tegen het koningschap van Christus. Het was niet, zoals u onderwijst, een directe opstand tegen God zelf, maar tegen de door Hem aangestelde stadhouder Christus.
‘Het was de eerste revolutie.’ U kunt zich de gebeurtenissen niet menselijk genoeg voorstellen. Zij waren net zo als zij zich bij uw aardse revoluties voordoen. Want ook bij uw revoluties zijn het toch niet de stoffelijke lichamen van de opstandelingen, die de plannen smeden en tot uitvoering trachten te brengen, maar de.geesten van de aardse mensen. En als u het ontstaan en het verloop van menselijke revoluties in hun bijzonderheden nagaat, dan hebt u ook een de waarheid zeer nabijkomend beeld van de eerste revolutie in het geestenrijk van God.
Alle revoluties worden lang van tevoren voorbereid; zij ontstaan niet plotseling. Zij gaan uit van een oproermaker, die een zo groot mogelijk aantal gelijkgezinden aan zijn zijde brengt, hen in zijn plannen inwijdt en hun in geval van slagen hoge ambten en machtsposities als beloning in het vooruitzicht stelt. De in het plan ingewijden bewerken, eerst op voorzichtige wijze, dan steeds openlijker, de grote massa van het volk, zonder welke een revolutie niet mogelijk is. Deze massa van zogenaamde ‘meelopers’, die bij de aardse revoluties tieren en schreeuwen, weten gewoonlijk helemaal niet, waarom het eigenlijk gaat. Zij lopen mee, omdat ook anderen meelopen; zij schreeuwen, omdat ook anderen schreeuwen. Zij zijn daarom ook lang niet zo schuldig als de ‘raddraaiers’, die hun plan in zijn gehele draagwijdte rijpelijk hebben overwogen en in alle onderdelen grondig hebben voorbereid. Zij weten precies, wat zij willen. Daarom treft hen ook naar uw menselijke wetten de zwaarste straf, terwijl de massa van meelopers veel lichter beoordeeld en bestraft wordt.
De ‘raddraaier’ bij de revolutie in God’s geestenrijk was ‘lucifer’, de tweede zoon van de allerhoogste, de lichtdrager, die na Christus de hoogste en schoonste geest van de schepping God’s was. En wat wilde hij? – Hij wilde hogerop. Hij wilde als eerste regeren en niet als tweede onder de leiding van een eerste staan. Hij wilde in de plaats van Christus treden en in zijn plaats koning zijn. Hij wilde zijn broeder doen vallen.
Dit plan kwam ook bij hem niet plotseling op. Het rijpte slechts langzamerhand, totdat het als vast besluit en daardoor als volkomen zonde deze hoge geest bezoedelde.
God greep niet in om de opstand in de kiem te smoren en met geweld te verhinderen, zoals Hij had kunnen doen. Hij laat zijn schepselen doen wat ze willen, zoals Hij ook bij u, mensen, niet ingrijpt, als u een misdaad beraamt en uw voorbereidingen tot de uitvoering treft. Hij liet Lucifer en zijn ‘mede-oproerkraaiers’ rustig hun gang gaan en hinderde hen niet in hun pogingen zowel hoge, leidende geesten te misleiden als ook de massa van meelopers door beloften te verlokken. Het was de grote proef, waaraan God de gehele geschapen geestenwereld wilde onderwerpen. In vrije wil moest zij beslissen, of zij trouw wilde blijven aan Christus als de door Hem aangestelde rechtmatige koning, of wilde overlopen naar Lucifer.
Tot de meelopers, die in alle rangen van de geestenwereld veelvuldig voorkwamen, behoorde ook een geestenvorst, die in uw bijbel als Adam bekend is en als mens deze naam droeg. Zulke geestenvorsten waren er ontelbare in het geestenrijk van God. Grote geestenscharen waren aan die vorsten ondergeschikt. Ook bij Adam was dit het geval. Velen van deze vorsten hielpen Lucifer als mederaddraaiers om de opstand voor te bereiden. Anderen, waaronder ook Adam, behoorden met meer of minder grote scharen van hun ondergeschikten tot de meelopers.
Toen kwam het ogenblik, waarop Lucifer en zijn aanhang meenden sterk genoeg te zijn om de heerschappij in het rijk van de geesten aan zich te trekken, temeer, daar ook een deel van de strijdmacht van Michaël met hem gemene zaak maakte. Ook bij uw aardse revoluties hecht men er grote waarde aan, het leger voor de revolutionaire ideeen te winnen. Dat was ook Lucifer in grote mate gelukt. Zo’n strijdmacht was in zekere zin als staand leger door God van het begin af in stand gehouden voor het geval, dat het eens nodig mocht zijn. Zo heeft ook u het staande leger als voorzorg in geval van plotseling gevaar.
Toen de strijd begon en de scheiding van de geesten vóór of tegen Christus zich had voltrokken, greep God in. De beproeving was voorbij. Innerlijk en uiterlijk verraad waren een voldongen feit. Nu volgde de straf. Vorst Michaël ontving het bevel, met de trouw gebleven legioenen van zijn strijdmacht de opstandelingen ten val te brengen. Uitgerust met God’s kracht voerde hij het bevel uit. Ontzettend was het lot, dat de voormalige lichtdrager en de met hem verenigde medeoproerkraaiers trof. Zij werden naar de diepste sferen van de schepping verwezen, waarvan u zich de duisternis en verschrikkingen niet bij benadering kunt voorstellen. Ook is het mij niet mogelijk je te verklaren hoe deze diepten der duisternis zijn op te vatten naar het werkelijke begrip van hun bestaan. Dit geldt immers ook voor uw aardse duisternis. U ondervindt weliswaar, dat de duisternis intreedt, waar het licht volkomen verdwijnt. Hoe meer het licht verdwijnt, des te dieper wordt de duisternis. Zij ontstaat dus door onttrekking van licht. Maar waaruit zij bestaat, kunt u niet begrijpen. Verder weet u ook uit ervaring, dat alle kleuren dooreengemengd het wit voortbrengen en dat in de lichtstraal alle kleuren zijn vervat; dat vervolgens zwart niets anders is dan het ontbreken van alle kleuren. Draag deze menselijke ervaringen nu eens over op de uitsluiting van de gevallen geestenwereld van enig licht en daardoor ook van enige kleur, dan kunt u begrijpen, hoe ondoordringbaar deze duisternis moet zijn, al kan men die zich niet in volle omvang voorstellen.
De heilige schriften spreken menigmaal over deze strijd van de geesten en de val van de bozen. Christus zelf zegt : Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen’ (Lukas 10:18). En de apostel Johannes zag in een visioen de strijd van Michaël en zijn legioenen tegen Lucifer : ‘Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen moesten oorlogen voeren tegen de draak. Ook de draak streed en zijn engelen. Maar zij hielden geen stand en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden’ (Openbaring 12:7-8). Petrus schrijft: ‘Want ook de engelen die zondigden heeft God niet gespaard, maar naar de onderwereld verwezen en in duistere holen opgesloten in afwachting van het Gericht’ (2 Petrus 2:4).
De beschrijving van de schepping van de geesten en van de afval van een deel van de geestenwereld was op de wijze, die ik hier heb weergegeven, ook als eerste verhaal in de oerbijbel opgenomen. ‘Later werd het daaruit verwijderd.’
Bij de afval van een groot deel van de geestenwereld komt bij u, mensen, met recht de vraag naar voren: hoe was het dan toch mogelijk, dat hoge en gelukkige geesten van God konden afvallen? De reden hiervan is bij de geesten dezelfde geweest, die ook bij uw geest zo vaak als de oorzaak van uw dwalingen is te vinden : ‘het streven naar meer’ ! Wie veel bezit, wil steeds nòg meer hebben. En wiens macht groot is, die wil deze nog zien toenemen, zelfs op gevaar af, met een slag alles te verliezen. Ziet u dat niet bij de groten in de geschiedenis van de mensheid en bij de kleinen in het dagelijks leven?
In aangrijpende woorden beschrijft Ezechiël in opdracht van God in een klaaglied op de koning van Tyrus, de oorzaak van zijn afval als geest bij de grote revolutie van de geesten onder Lucifer, die hij als meeloper had meegemaakt en waarom hij ten val werd gebracht : ‘Gij waart een paradijswezen, vol van wijsheid, en uitermate schoon. Gij waart in Eden de tuin van God; om u heen een omheining van edelstenen: van robijn, topaas en jaspis, chrysoliet, kornalijn en onyx, saffier, karbonkel en smaragd. Van goud waren de sieraden waarmee gij getooid waart; op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed. Gij waart een Kerub met uitgespreide vleugels; tot bewaker had Ik u aangesteld: de heilige berg van God was uw verblijfplaats, daar wandelde gij temidden van flonkerende stenen. Onberispelijk was uw gedrag op de dag dat ge geschapen werd, maar later zijt gij tot zonde vervallen. Bij uw uitgebreide handel (met Lucifer) zijt ge van de ene geweldpleging tot de andere gekomen. Vanwege uw zonden zal Ik u van de berg van God wegslaan, zal Ik u, Kerub, die Ik tot bewaker had aangesteld, verjagen uit de tuin met de flonkerende stenen. Gij waart trots op uw schoonheid; uw pronkzucht heeft uw wijsheid ten val gebracht. Daarom zal Ik u ter aarde werpen, u maken tot een schouwspel voor de koningen. Door uw grote ongerechtigheid, door uw oneerlijke handel hebt ge uw heiligdom ontwijd ; daarom laat Ik een vuur in u oplaaien, dat u verslinden zal ; voor de ogen van al uw bewonderaars maak Ik u met de bodem gelijk. Al uw vrienden zullen met verbijstering geslagen zijn. U bent een schrikbeeld geworden en verdwenen voor altijd’ (Ezechië128:11-19).
‘Gij waart trots’ – met deze woorden is de oorzaak van de afval van de geestenwereld het best weergegeven. Het ‘Ik wil niet dienen, ik wil heersen’ heeft de val teweeggebracht.
En wat gebeurde er met het grote aantal meelopers? Zij waren lang niet zo schuldig als de schare raddraaiers. God straft slechts naar mate van de schuld. Het zou daarom onrechtvaardig zijn geweest, als God hen tezamen met Lucifer in dezelfde diepte der duisternis had geworpen.
God behandelde hen zéér genadig. Hij legde hun een naar verhouding geringe straf op. Hij sloot ze wel is waar uit hun vroegere heerlijkheid uit, maar verplaatste hen echter in een sfeer, die u voor de hemel zou aanzien, als u die sfeer kon zien. Deze is wel is waar niet te vergelijken met de heerlijkheid, die de meelopers voordien in God’s rijk bezaten, maar toch zó, dat u er het begrip ‘paradijs’ aan zou verbinden. Want de sfeer, waarin zij werden verplaatst, is het ‘paradijs’ van uw bijbel. Dat was dus niet op deze aarde, zoals u het uitlegt, want een stoffelijke wereld bestond toen nog niet’! De bijbelse voorstelling van het paradijs als een prachtige tuin met rivieren, bomen, bloemen en vruchten heeft u aanleiding gegeven om het naar uw aarde te verplaatsen. U weet niet, dat ook in de sferen aan gene zijde alles in ‘geestelijke vorm’ bestaat, wat u op uw aarde in ‘stoffelijke vorm’ vóór u ziet. Ook daar zijn gedaanten, woningen, rivieren, bomen, struiken, bloemen, vruchten, spijs en drank, goud en edelgesteenten, bergen en dalen, muziek en gezang, welriekende geuren, kleuren en tonen. Op veel plaatsen in de heilige schrift vindt u mijn beschrijving bevestigd. Daarin wordt u de stad Gods beschreven met muren en poorten, de wateren, die daar stromen en de bloeiende bloemen, en al de kostbaarheden, die het hart kunnen verblijden. U denkt, dat dit alles slechts beeldspraak is, maar het is geen beeld, doch werkelijkheid ! Heeft Christus niet zelf gezegd : `In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo, dan zou ik het u gezegd hebben, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben’ (Johannes 14:2 en 4). Heeft Jezus verder niet gezegd : ‘Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van God’ (Markus 14:25). En had niet reeds in het oude verbond, de engel Rafaël tot Tobias gezegd: ‘Ik nuttig een onzichtbare spijs en een drank, welke de mensen niet kunnen zien’ (Tobias 12: 19)? Is verder niet in de beschrijving van de afgevallen cherubijn door de profeet Ezechiël met nadruk zijn heerlijke geestengewaad vermeld, bezet met edelstenen en versierd met goud, waarin elke hoge geest vóór zijn val gekleed was? Heb ik je niet bij de lessen over het od uitvoerig verteld, dat iedere geest een odlichaam als geestelijk lichaam heeft en dat de aardse lichamen slechts een verdichting van de odlichamen zijn? De volmaaktste vorm van het od is dus niet de tot stof verdichte, maar de geestelijke. Niet het stoffelijke lichaam is het schoonste, maar het geestelijke. Niet de stoffelijke edelsteen is de fraaiste, maar de geestelijke; niet het stoffelijke goud is het meest waardevolle, maar het geestelijke. Want goud en edelstenen zijn zowel in stoffelijke als ook in geestelijke vorm niets anders dan een wonderbaar toebereid od, dat zich in het ene geval in verdichte, in het andere geval in onverdichte toestand bevindt. Dat mag voor u moeilijk te begrijpen zijn, omdat u gewoon bent in materialistische termen te denken en geen voorstelling hebt van de geestelijke toestand, waarover men u in uw jeugd niets heeft geleerd. De helderzienden echter, die met geestelijke ogen het geestelijke kunnen aanschouwen, begrijpen volkomen wat ik u heb verteld. Zij begrijpen ook de beschrijving van het paradijs met zijn bomen, planten, vruchten en rivieren als een geestelijke sfeer. Ook wat je in de droom beleeft, ziet en hoort, neem je niet op stoffelijke wijze waar, maar dit alles verschijnt voor je in geestelijke vorm en gedaante.
Naar deze geestelijke sfeer van het paradijs werden dus de meelopers in de geestenrevolutie verplaatst, echter niet alleen voor straf, maar ook om hen opnieuw op de proef te stellen. Het was een daad van gerechtigheid en van de goedheid van God, dat hij deze geesten nogmaals in de gelegenheid stelde, hun uit zwakheid begane misstap door het doorstaan van een proef weer goed te maken. Zij waren meelopers en hun zonde was niet aan de boosheid van hun gezindheid ontsproten. Zij was hun in een zwak ogenblik door de verleider ingegeven. Uiterlijk hadden zij het koninkrijk van Christus verworpen, maar in hun hart stonden zij half aan de zijde van Christus en half aan die van Lucifer, zoals dat ook heden nog bij zoveel mensen het geval is. Zij hinkten tot op zekere hoogte op twee gedachten, maar de gerechtigheid van God eiste een besliste houding. Hij verplaatste hen met de verwijzing naar de paradijssfeer, in een `neutrale zöne’. Hier moesten zij tot een beslissing komen. Deze beslissing zou hen niet zo zwaar zijn gevallen, als zij nog dezelfde geestelijke bekwaamheden in volle mate hadden bezeten, die zij voordien in God’s rijk bezaten maar dat was niet meer het geval. Want, zoals . ik je bij de odleer meedeelde, heeft elke uiting van verzet van een geest tegen God ook een verandering van het geestelijke odlichaam als gevolg. Deze wordt vertroebeld, verliest de zuiver geestelijke gedaante en ondergaat een grotere verdichting. Dit verzwakt niet alleen het besef, maar neemt van de geest voor alles de herinnering weg aan het vroegere bestaan. Daardoor konden de geesten zich in de paradijs-sfeer de heerlijkheid niet meer herinneren, die zij vóór hun val in God’s rijk bezaten. Anders zou toch ook een beproeving van deze geesten in het paradijs niet mogelijk zijn geweest. Want een herinnering aan de vroegere gelukstoestand in vergelijking met de huidige zou hen. geen seconde doen aarzelen, voor wie de keuze zou uitvallen. Maar noch de verloren heerlijkheid, noch de daarop gevolgde geestenstrijd, noch hun eigen afval bij die strijd, waren hun bekend. Zij kenden alleen hun tegenwoordige bestaan, precies zoals u mensen ook slechts uw tegenwoordige leven kent en geen herinneringen meer hebt aan uw vroegere trappen van bestaan, zodat de meeste mensen geloven, dat zij bij hun tegenwoordige menselijke geboorte voor de eerste maal in het leven zijn getreden. Noch van hun vroegere verblijf bij God, noch van de daarop volgende aardse belichamingen van hun geest, weten zij iets. Slechts bij enkelen bestaat nog een vaag vermoeden, dat zij vroeger ook al eens hebben geleefd.
De proef, die de geesten in het paradijs moesten doorstaan, bestond daarin, dat God hun iets verbood, dat zij niet konden doorgronden. De bijbel geeft daarvoor het beeld van de verboden vrucht. Het verbod gold voor alle meelopers, die evenals Adam waren gevallen en met hem in dezelfde sfeer vertoefden en met hetzelfde odlichaam waren omkleed.
Met deze geesten bemoeiden zich zowel de aan God getrouwe hemelscharen, als de duistere machten uit de diepte. De eersten trachtten hen te bewegen tot standvastigheid en naleving van God’s gebod ; de laatsten spaarden zich geen moeite om hun door de meest verlokkende voorspiegelingen de minachting voor dat gebod als het beste te doen voorkomen. Het was de strijd, die ook heden nog om elke mens woedt. Aan de ene kant de influisteringen van het boze, wat tot overtreding van de goddelijke wet uitlokt en de zonde voordelig doet schijnen; aan de andere kant de innerlijke stem van het goede, die waarschuwt en aanmaant, aan het boze niet toe te geven. De mens moet zelf beslissen, ‘wie hij wil volgen.
En als u in uw menselijke leven de grote massa van het volk voor uw doel wilt winnen, dan probeert u allereerst hen aan uw zijde te brengen, die bij het volk in aanzien staan, en waarvan oordeel en daden voor de brede massa doorslaggevend plegen te zijn.
Zo gebeurde het ook bij de scharen in de sfeer van het paradijs. Onder hen

viel Adam , de voormalige hoge hemelvorst, door zijn grote geestelijke vermogens bijzonder op. Daarom was het vanzelfsprekend, dat de houding, die hij innam ten opzichte van het gebod van God, ook voor de overige geesten in het paradijs doorslaggevend kon worden. Daarom had het boze er in de eerste plaats belang bij hem ten val te brengen. Het bediende zich daartoe van de vrouwelijke geest, die aan Adam als `dual’ was toegevoegd, en die uw bijbel `Eva’ noemt. Eva viel aan de verlokkingen van het boze ten offer en bracht ook Adam ten val. Dit voorbeeld werd nu door alle geestenscharen, die in de sfeer van het paradijs vertoefden, opgevolgd.
Door deze tweede zondeval werden Adam en de overige meelopers de prooi van de boze en stonden zij op nagenoeg hetzelfde niveau als Lucifer. Uit de sferen van het paradijs verzonken zij in de diepten der duisternis. Lucifer was thans de vorst over deze geesten. In zijn rijk was hij een zelfstandig heerser. Wel is waar stond ook hij onder Gods macht en kon hij in zoverre niet doen, wat hij wilde; maar in de uitoefening van zijn heersersrechten over hen, die ‘vrijwillig’ zijn onderdanen waren geworden, beperkte God hem niet. Het was het vreselijke gevolg van Gods gerechtigheid, dat Lucifer hen die naar hem waren overgelopen als zijn eigendom mocht behouden. Voor hen was er dus geen ontkomen meer aan ; zelfs als zij achteraf hun afval tot het boze betreurden, konden zij niet meer terug. Zij hadden zich voor goed verkocht aan de heerser van de hel. Dat is de schuldbrief, waarover Paulus in zijn brieven spreekt en waarvan hij zegt, dat deze een ‘onoverkomelijke hindernis’ voor de redding van de gevallenen betekende.
In uw aardse staten is het ook niet anders. Is iemand onderdaan van een Staat geworden, dan moet hij zich naar de regering van het land schikken. Zonder haar toestemming kan hij het land niet verlaten en is het met een ander land in oorlog, dan wordt hem nooit toestemming verleend naar de vijand over te gaan. Zo ging het ook in het rijk van Lucifer. Dit is voortdurend in oorlog met het rijk van God. Daarom was het uitgesloten, dat Lucifer een van zijn onderdanen ooit toestemming zou geven, weer naar het rijk van God terug te keren.
Een ander voorbeeld. Wie vrijwillig in het vreemdelingenlegioen dienst neemt wordt daarin vastgehouden. Hij kan achteraf zijn toetreding duizendmaal betreuren, hij kan wenen en weeklagen over wat hij moet doormaken, – het helpt hem niets. Hij behoort daar tot een streng regiment, dat geen erbarmen kent. Hij moet blijven. En tracht hij te vluchten, dan wordt hij door de soldaten van het legioen achtervolgd en teruggebracht en wordt zijn lot nog vreselijker. Er is geen weg terug naar het vaderland en de woonplaats, die hij uit eigen beweging heeft verlaten.
Zo’n vreemdelingenlegioen is Satan’s rijk. Wie daar binnentrad, kon niet meer terug. Er was geen brug, die de diepe kloof overspande, die zich tussen het vreemdelingenlegioen der duisternis en het rijk van God had gevormd. Deze brug werd eerst later gebouwd door de verlossing door Christus.
Daarom laat Christus in zijn gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus dezelfde waarheid, die door de mond van Abraham werd gesproken, gelden: ‘Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, zelfs als men het zou willen, van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen’ (Lucas 16:26).
Een derde voorbeeld. Kijk eens naar het lot van een soldaat, die tijdens de oorlog zijn eigen leger verlaat en naar de vijand overloopt. Hij mag achteraf zijn landverraad bitter betreuren en nog zo zeer naar zijn vaderland terugverlangen, – de vijand laat hem niet vrij.
Nu heb ik je in mijn lessen tot dat punt gebracht, waar zich twee rijken in een onoverbrugbare tegenstelling tot elkaar bevinden: het rijk van de van God afgescheidenen of het `dodenrijk’ – en het rijk van God. Het rijk van de duisternis tegenover het rijk van het licht. Het koningschap van Lucifer tegenover het koningschap van Christus. Hier Lucifer – daar Christus.
‘Maar God heeft al zijn kinderen lief, ook hen, die door eigen schuld van het vaderhuis zijn gescheiden. En zoals Hij ze had geschapen door de bemiddeling van zijn zoon Christus en hen als geestelijke leden in het lichaam van Christus had ingeplant, zo wilde Hij de afgescheiden leden ook weer met het geestelijke lichaam van zijn zoon verenigen.’ `En wat hen betreft, als zij niet in hun ongeloof volharden, zullen ook zij weer worden geent. Want God is bij machte hen opnieuw te enten’ (Romeinen 11 : 23).
Doch het weerinplanten van de afgerukte takken in de boom des levens, het weer inlijven van de afgevallen leden in het levenwekkende organisme van het lichaam van Christus kon slechts door de vrije wilsbeschikking van de afgescheiden geesten tot stand komen. God had hun de vrije wil gegeven; uit vrije wil waren sommigen als raddraaiers, anderen als meelopers bij de geestenstrijd in de rijen van de rebellen getreden. De meelopers waren bij de hernieuwde beproeving in de sfeer van het paradijs uit vrije wil voor de tweede maal gevallen. Zij moesten zich ook uit vrije wil weer opheffen en in het vaderhuis terugkeren.
Maar dat scheen onmogelijk.
Allereerst moest een terugkeer van Lucifer en zijn mederaddraaiers uitgesloten worden geacht, want gevallen hoogmoed slaat om in verstokte boosheid, die liever ongelukkig blijft, dan dat die zich verdeemoedigt.
De verleide geestenscharen, die tot de voormalige meelopers behoorden, verschilden wel is waar ook thans nog in wezen van hun heersers, maar zij zagen geen hoop op redding uit de afgrond. En waar de hoop op redding ontbreekt, daar ontbreekt ook iedere wil om deze na te streven. En waar deze wil ontbreekt, daar wordt ook niets ondernomen om de weg tot de redding te banen.
Maar zelfs, wanneer ze de wil tot terugkeer hadden gehad, dan was er nog een onoverkomelijke hinderpaal in het heersersrecht van Lucifer over deze geesten, waarin ook God hem niet mocht beperken, daar hij het hem had verleend.
Doch God’s wegen zijn wonderlijk en zijn wijsheid kent de middelen, die tot het doel leiden. ‘Gij spaart echter alles, omdat het van U is, Gij Heer die al wat leeft bemint’ (Wijsheid 11 : 20).
Na de afval der geesten stelde God het plan op, hoe hij de van hem gescheiden geesten weer wilde terugvoeren.
Het verlossingsplan van God is het grote geheim, dat aan Paulus en de overige apostelen door geesten, die Christus hun zond, werd medegedeeld.
Maar zelfs de apostelen waagden het niet om de gehele waarheid van dit heilsplan van God aan de eerste Christengemeenten te openbaren, want het meeste daarin was voor hen niet te begrijpen. Ook bij hen moest het in de christelijke godsdienstige bijeenkomsten aan de geesten van God worden overgelaten, die door de media spraken, om hen langzamerhand in de gehele waarheid in te leiden. Dit gebeurde op dezelfde wijze, als waarop ik je nu omtrent de waarheid inlicht.
Het zal je in het begin niet gemakkelijk vallen de gehele waarheid over God’s reddingsplan te begrijpen. `Gij kunt’, zoals Paulus telkens weer aan de eerste christenen schrijft, ‘zware spijzen niet verdragen. Men mag u slechts melk toedienen, zoals aan onmondige kinderen. De waarheid in haar gehele omvang en grootte is de vaste spijs voor de geest, die slechts door hen kan worden verdragen, die in de geest gesterkt zijn. Een gemakkelijk te begrijpen keuze uit de waarheden is de melk, die men aan hen geeft, die nog zuigelingen in het geloofsleven en in de waarheid zijn’.
Geen melk geef ik je in mijn volgende lessen, maar vaste kost, zoals er zich ook onder het tot dusverre medegedeelde reeds menige vaste spijs bevindt. Het voldoet mij niet, je alleen in kennis te stellen van de waarheid over de grote vraagstukken.