GOD

Dacht je God te doorvorsen,
de Almachtige alzijdig te omvatten? Job 11: 7.

`Je wilt, dat ik je over God zal onderwijzen. Maar wat moet ik je zeggen, dat je zou kunnen begrijpen. Jij begrijpt zelfs niet eens het laagste bestaan, dat je omgeeft, je begrijpt je eigen bestaan zelfs niet. Je kunt het kleinste steentje op de weg en de geringste worm op het veld niet begrijpen. Het ontbreekt je aan elk begrip omtrent de armzaligste materie, welke je oog ziet, – en dan zou ik je het hoogste “zijn” verklaren, het zuiver geestelijke nader tot je begrip brengen! Dat is onmogelijk. Daarvoor ontbreken je alle begrippen, die nodig zijn om deze waarheden te omvatten. “Het vergankelijk lichaam bezwaart de ziel en het aardse omhulsel is een last voor de veel-denkende geest. Wij vermoeden amper de dingen op aarde; zelfs wat voor de hand ligt ontdekken wij maar met moeite : wie speurt er dan na wat er in de hemelen is?” (Boek der Wijsheid 9:15).’
‘Slechts één ding kan ieder van u door verstandelijk denken vinden: Dat er iets moet zijn, wat de oorzaak van al het geschapene is. Zoals geen uurwerk denkbaar is zonder uurwerkmaker, zo is ook het wonderbaarlijkste en nauwkeurigste uurwerk, dat er is, namelijk het werelduurwerk, niet denkbaar zonder een grote meester, die dit werelduurwerk heeft gemaakt met zijn biljoenen en nogmaals biljoenen raderen, die alle precies in elkaar passen en in elkaar grijpen en zo nauwkeurig lopen, dat u reeds op dit ogenblik kunt uitrekenen, hoe na duizenden jaren de stand van de afzonderlijke raderen van dit uurwerk ten opzichte van elkaar zal zijn.’
`De voor het mensenverstand niet te begrijpen grote schepper van het werelduurwerk noemt gij “God”. Dat er dus een God moet bestaan, kan een ieder toegeven en slechts de dwazen zeggen in hun hart: “Er is geen God” (Psalm 14: 1).’
‘Maar het wezen van God kan ik je niet duidelijk maken en ook niet de oorzaak van het goddelijke zijn. Als ik het zou willen proberen, dan was dit hetzelfde, als wanneer je een vierjarig kind de berekening van een sterrenbaan duidelijk wilde maken. Het kind ontbreekt toch elk inzicht in de astronomische en mathematische wetenschap met haar grondbeginselen, formules en vergelijkingen; en daar zelfs uw beroemdste astronomen vele jaren nodig hadden om een enkele sterrenbaan te berekenen, zou je een mens, wie alle begrippen van die wetenschap ontbreken, in een krankzinnigengesticht brengen, zodra je zou trachten, hem het voor hem onbegrijpelijke bij te brengen. Zo zon ook jij krankzinnig worden, als ik je gedachten met begrippen zou willen vullen, die geheel onbegrijpelijk voor je zijn en die door je verstand niet verwerkt kunnen worden. Ook jij moet zeggen : “Dit te vatten – het is mij te wonderbaar, te verheven – ik reik er niet toe” (Psalm 1390:6).’
Buiten dat, wat je reeds over God weet, kan ik je dus niet veel meer vertellen.’
`Je eigen begrip toont je God als een welwillende, scheppende en alles wijs ordende hoogste geest; hij toont je zijn almacht, wijsheid en grootheid, voor zover deze voor het menselijke verstand toegankelijk zijn. Uit de heilige schriften verneem je nader omtrent zijn wereldbestuur, zijn wonderen, zijn liefde en zijn erbarmen met het geschapene.’
Ik kan je slechts de waarheden van de heilige schriften over God nader verklaren en je op onjuiste opvattingen opmerkzaam maken, die de leerstellingen van de religies over God en zijn eigenschappen bevatten.’
‘Dat God een geest is, daarin stemmen de godsdiensten overeen naar de woorden van Christus: “God is geest, en wie hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden” (Joh. 4:24). Maar het punt, waarover zij niet overeenstemmen, is, of deze hoogste geest een gestalte heeft. Velen menen, dat een gestalte alleen bij de materie behoort en niet bij de geest. Maar dat is een vergissing. Het stoffelijke is een afspiegeling van het geestelijke. En zoals al het stoffelijke vorm en gestalte heeft, zo ook al het geestelijke, dus ook God. Niets is vormloos, noch in de stoffelijke, noch in de geestelijke wereld. Schoonheid is de vervolmaking van de vorm, ook in het rijk van de geest. God is de volmaaktste schoonheid en daardoor ook de volmaaktste gestalte.’
‘God als zelfstandig, denkend en willend wezen is persoonlijkheid. Er bestaat echter geen persoonlijkheid, geen “ik zonder vorm of gedaante” ‘
‘God onderscheidt zich als hoogste geest van alle geschapen geesten. Een verschil is echter alleen daar mogelijk, waar kentekenen van verschil aanwezig zijn. En kentekenen zijn slechts daar aanwezig, waar men vorm en gedaante vindt. Daar God gedaante heeft, kan Hij door de geesten worden gezien. Allen, die tot Hem komen, zullen Hem zien, zoals Hij is, van aangezicht tot aangezicht. Daarom bad Mozes tot God, toch in eigen persoon met het volk van Israël mee te trekken. “Als Uw aanschijn niet meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken. Toen antwoordde de Heer: “Ook wat gij nu vraagt zal Ik doen (Exodus 33:15). En weer bad Mozes: “Laat mij toch Uw heerlijkheid zien.” Maar de Heer zeide: “Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven” (Exodus 33:18). God heeft dus een gedaante en een aangezicht, al kan hij ook niet door mensen, maar wel door geesten worden aanschouwd.’
‘Daar God persoonlijkheid is en een gedaante heeft, is Hij niet alom tegenwoordig op de wijze, zoals u dat opvat. Wel is Hij zich bewust van alle dingen en alle gebeuren door de van hem uitgaande kracht; want alles, wat bestaat, heeft zijn leven, bestaan en werken alleen te danken aan de levenskracht, die van God uitgaat: “In hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij.” Door zijn kracht is hij met al het bestaande verbonden. Niets kan zich aan zijn invloed onttrekken. Maar als geestelijke persoonlijkheid is hij niet overal. Daarom bidt gij ook : “Onze Vader, die in de hemel zijt.” “De Heer ziet uit de hemelen neder, heeft elk mensenkind in het oog; zijn aandacht gaat vanwaar Hij zetelt, over al wat de aarde bevolkt: aller harten heeft Hij geformeerd, van een ieder doorgrondt hij het handelen” (Psalm 33:13-15). “God, uit zijn hemel ziet op Adams kinderen neer, speurend of er soms is een sterveling met verstand, een die nog vraagt naar God” (Psalm 53:3). – En van God’s woning staat er: “Vlietend water verblijdt de stad God’s. Woonstee des Allerhoogsten hoogheilig. En binnenin zetelt God, onwrikbaar in haar bestand” (Psalm 46:5 en 6).’
‘Wat de heilige schrift u op zoveel plaatsen over God zegt, is niet alleen beeldspraak en gelijkenis, maar waarheid, met dit verschil, dat wat u materieel onder het gezegde verstaat, bij God geestelijk is. Er is een troon van God en een woning van God. God kan zich in persoon naar de verschillende delen van de schepping begeven. Het is de waarheid, als er in de bijbel staat: “Toen God dit alles gezegd had, ging Hij van Abraham heen” (Genesis 17:22). Je kent immers de vele plaatsen in de bijbel, waarin van komen en gaan van God sprake is.’
‘Hoe wonderbaarlijk het wereldbestuur van God is ingericht, kan ik je niet vertellen, want het gaat ver uit boven de grens van jullie begrip. Zo kunt u zich er geen voorstelling van vormen, dat geesten God’s als wachters staan bij alle levende wezens en over alles wat er gebeurt verslag uitbrengen. Daardoor kan er niets gebeuren, zonder dat God het weet. U noemt God daarom de alwetende. En u hebt gelijk. Alleen op een punt gaat u bij die alwetendheid van God weer te ver uit vrees, dat u anders iets aan de grootheid van God te kort zou doen. U leert namelijk, dat God ook weet, hoe de mens in de toekomst zal handelen uit eigen vrije wil. In dit opzicht bent u verkeerd ingelicht. God kent alle feiten. Hij kent het verleden en het tegenwoordige. Hij kent elke gedachte. Hij weet wat Hij in de toekomst voor zijn schepselen heeft bestemd. Maar Hij weet niets, van de toekomst, voorzover die afhankelijk is van de vrije wil van de mens. Hij weet niet vooruit, wat een schepsel in dit of dat geval uit vrije wil zal doen. Daarom beproeft Hij toch ook elk schepsel. Een beproeving zou overbodig en doelloos zijn, als de uitslag van de beproeving God al bekend zou zijn. God handelt echter nooit doelloos.’
‘Ook zou een vooruitweten van God betreffende de toekomstige vrije beslissingen van de schepsels alleen op grond van wetten mogelijk zijn, die de toekomstige beslissing onvermijdelijk maken en daardoor de vrijheid van de wilsbeschikking opheffen. Het is in tegenspraak met zichzelf, dat iets uit de vrije wil voortkomt, doch tevens noodzakelijk moet gebeuren. Het zou noodzakelijk gebeuren, als God het als feit vooruit had geweten, want ook het weten van God is, evenals elk ander weten onderworpen aan eeuwige wetten. Voor God is twee maal twee vier om dezelfde reden als het voor iedere geest zo is. Een weten, dus ook een vooruitweten, waarvoor geen grondslag is, bestaat niet, ook niet bij God. Want ook voor het weten van God geldt: “Niets zonder oorzaak.” Als God de toekomstige beslissingen van de schepselen, die uit vrije wil worden genomen, absoluut zeker vooruit zou kennen, dan moest hiervoor een oorzaak bestaan. Deze oorzaak kan alleen zijn, dat God zelf de toekomstige vrije beslissing van het schepsel zo sterk beinvloedt, dat zij niet anders kan uitvallen. Daarmee zou echter de vrije wil van het schepsel zijn opgeheven.’
‘Het niet kennen van de vrije toekomstige beslissingen van zijn schepse= len, is geen tekort van God’s volkomenheid, maar een noodzakelijk gevolg van de vrije wil, het grootste geschenk, dat God zijn schepselen kon geven. Zoals God daardoor zo veel niet kan doen, omdat het een tegenspraak in zichzelf zou zijn. Hij kan bijvoorbeeld niet maken, dat 2 X 2 = 5, zo kan Hij ook geen met vrijheid begiftigd wezen scheppen, waarvan de vrije wilsbeslissingen door Hem met een absolute zekerheid vooruit geweten worden, omdat die dan noodzakelijkerwijs moesten volgen. Want vrijheid om te beslissen en gedwongen worden een bepaalde beslissing te nemen zijn innerlijke tegenstellingen. Absolute zekerheid van een gebeurtenis is steeds verbonden met een absolute noodzakelijkheid van het gebeuren. Deze waarheid kunnen uw godgeleerden niet omverwerpen, al zouden ze ook nog zo veel boeken schrijven, die het tegendeel beweren. Het zijn allemaal drogredenen, waardoor zij hun medemensen op een dwaalspoor brengen. Het is een grote drogreden als zij zeggen voor God is alles tegenwoordige tijd; voor hem bestaat er geen toekomst en al het toekomstige, ook de daden, die uit vrije wil worden gedaan, zijn voor Hem reeds feiten van het nu, en daardoor kent hij ze. Evenmin als voor u een huis, dat in de toekomst moet worden gebouwd er nu reeds staat, evenmin is voor God het toekomstige gebeuren nu reeds een feit. Bovendien ligt het juist in het begrip van de vrije wilsbeslissingen besloten, dat het de vraag is, of de daaruit voortvloeiende gebeurtenissen inderdaad plaats vinden, en hoe zij plaats vinden.’
`Je weet, dat ik je hierover, evenals over al het andere, de waarheid zeg. Jij hebt talrijke bewijzen ontvangen, dat ik een geest van waarheid ben, die je onderricht. Ik heb het je gezworen bij de allerhoogste, de waarachtige God. Ik verklein door deze waarheid van het niet-vooruit weten van de vrije beslissingen de grootheid van God niet, maar u onteert God door de tegengestelde leer, waarmee u de mensen een afschrikwekkend beeld van God voor ogen stelt. Want groot is het aantal mensen, die het bestaan van God loochenen, juist omdat zij niet kunnen begrijpen, dat een God wezens in het leven roept, waarvan Hij met absolute zekerheid weet, dat zij voor eeuwig ongelukkig zullen zijn. U leert, immers, overigens ten onrechte, dat de verdoemden eeuwig verdoemd blijven. Naar uw leer zou God dus millioenen wezens hebben geschapen, waarvan hij met absolute zekerheid wist, dat zij voor eeuwig verdoemd zouden zijn. Zo’n God zou geen God zijn, maar een monster. Zelfs de meest ontaarde aardse vader zou zijn kind niet daarheen zenden, waar het met absolute zekerheid een nimmer eindigende smart wacht. En toch wordt van u gevraagd te geloven dat uw hemelse Vader met zijn oneindige liefde in staat zou zijn tot een wreedheid die in een aardse vader ondenkbaar is.’
‘Lees toch de heilige geschriften! Zij leren je, dat God juist daarom de beproevingen zendt, om door de gedragingen van de mensen gedurende die beproevingen te bepalen in welke richtingen zij zullen beslissen. “Jahwe uw God stelt u dan op de proef om te zien of gij Hem met heel uw hart en ziel bemint” (Deuteronomium 13:5).’
`Als God verschillende volksstammen niet in handen van Josua laat vallen, maar ze verder laat bestaan, wordt in de bijbel ook de reden aangegeven, waarom hij dit doet. Er staat: “Dit zijn de volken die Jahwe met rust heeft gelaten, om door hen de Israëlieten, die de oorlog in Kanaän niet hadden meegemaakt, op de proef te stellen: de vijf vorsten van de Filistijnen, al de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Hethieten… deze dienden om de Israëlieten op de proef te stellen. Zo zou duidelijk worden of ze de geboden wilden onderhouden, die Jahwe bij monde van Mozes aan hun voorvaderen had opgelegd” (Richteren 3:1-5).’
`Van de godsgetrouwe koning Hizkia wordt gezegd: “Dat was ook het geval, toen het gezantschap van de grote koning van Babel bij hem kwam om navraag te doen naar het wonderteken dat in zijn land, gebeurd was. God liet hem toen in de steek om hem op de proef te stellen en zijn gezindheid te leren kennen” (2 Kronieken 32:31).’
`In de psalmen staat: “Zijn ogen, peilende, zien, zijn wimpers doorgronden de mens. De Heer die de rechtvaardige kent, Hij die de verdorvene doorziet; wie geweld aanhangt haat Hij hartgrondig” (Psalm 11:4 en 5). En in de Spreuken : “De smeltkroes toetst het zilver, de oven het goud. Maar Jahwe toetst de harten” (Spreuken 17:3). Van de profeet Jesaja leest gij : “Zie, ik heb u gelouterd, zij het niet voor geld; en u beproefd in de smeltoven der ellende” (Jesaja 48:10).’
‘Het in de bijbel vermelde lot van Job is niets anders dan een proef, waardoor God te weten wilde komen, hoe deze rechtschapen mens zich in het zwaarste lijden tegenover Hem zou gedragen.’
`Alle beproevingen waaraan de mens door God wordt onderworpen, zouden een klucht zijn, als God vooruit wist, hoe de uitkomst van die beproevingen zou zijn.’
‘Dat God, die de geest van zijn schepselen tot in de diepste diepten kent, in veel gevallen door deze kennis vooruit weet, hoe hun vrije keus hoogstwaarschijnlijk zal uitvallen, is duidelijk. Dit weten bezitten wij, geesten, ook in hoge mate.’
‘Zelfs u, mensen, bent in staat, als u het karakter van een medemens kent, met een vrij grote zekerheid vooruit te zeggen, hoe hij zich in het een of andere geval zal gedragen of hoe hij zal beslissen. Toch is dit alles slechts een vermoeden. Maar daarom gaat het hier niet, doch om de onfeilbare zekerheid van te voren te weten, hoe een besluit zal zijn, dat van de vrije wil afhangt. En dit onfeilbare weten bezit geen geest, ook God niet. Daardoor wist God ook niet vooruit, of van de geschapen geesten enige of vele tot afval zouden komen en vanzelfsprekend ook niet, wie van deze geesten zouden afvallen. Hij kende alleen de mogelijkheid van de afval, die toch in de vrije wil vanzelf was gegeven.’
‘Had God met zekerheid vooruit geweten, zoals u onderwijst, dat door Hem geschapen schepselen door misbruik van hun vrijheid van Hem zouden afvallen, dan zou Hij deze zeker niet hebben geschapen, doch alleen die, van wie hij vooruit wist, dat zij hem trouw zouden blijven.’

‘Nog twee andere grote dwalingen van uw godsdienst over het godsbegrip wil ik hier slechts in het kort aanduiden, omdat een uitvoerig onderwijs daarover bij een andere gelegenheid wordt gegeven.’
`U onderwijst: één God in drie personen. U beweert dus, dat er drie geesten zijn, waarvan elk een ware God is en die tezamen toch slechts één God vormen. Dit is menselijke waanzin en de grootste dwaasheid. Er is geen drievuldigheid en geen drieéénheid in de zin, zoals u dit onderwijst. God is slechts een enkele persoonlijkheid. Slechts de Vader is God. Alle andere heilige geesten zijn scheppingen van God; geen van hen is gelijk aan de Vader.’
‘Verder onderwijst u over een eeuwig straffende God. U spreekt van een eeuwige hel. De hel is niet eeuwig, God is liefde. Hij verstoot geen schepsel voor eeuwig. Allen die de schuld op zich hebben geladen zich van Hem af te keren, keren ook weer tot hem terug. Dit is de waarheid, waarvoor ik op een andere keer het bewijs zal leveren.’