MEDIA EN MEDIUMSCHOLEN IN DE BIJBEL

Ik heb verscheidene van uw zonen tot profeten aangesteld en
meer dan één van uw jongelingen als aan God gewijden laten optreden. Amos 2: 11.

`De mensen van deze tijd beschouwen de gedachte aan de’ mogelijkheid van het verkeer van geesten met de mensenwereld als iets vreemds en nieuws. Dat komt doordat u de bijbel slechts oppervlakkig leest en over haar mededelingen niet dieper nadenkt. Anders moest u zich toch bij dat, wat daarin wordt medegedeeld afvragen: “Hoe gebeurde dat allemaal? Hoe werd dit tot stand gebracht? Hoe moet ik mij dat voorstellen? Hoe moet ik dat verklaren?”
`Als reeds in de eerste hoofdstukken van de bijbel wordt verteld, dat God sprak met de mensen zoals bijv. met Adam en Eva, met Kaïn en Abel, met Abraham, Isaäk en Jacob en Mozes, dan moest u als denkende mensen tenminste proberen, zich de toedracht voor te stellen. Zij, tot wie indertijd God’s geesten spraken, waren toch mensen zoals u. Zij hadden hun zonden en fouten evenals u. De natuurwetten van hun aards bestaan waren eveneens dezelfde als bij u. God en zijn geestenwereld zijn heden ook dezelfde als in die tijden. En als u dan verder leest, hoe er een dagelijks verkeer bestond tussen het Israëlitische volk en het geestenrijk aan gene zijde, hoe een ieder aan God kon vragen en antwoord kreeg, hoe de leiders van het volk niets ondernamen zonder aanwijzingen van de goede geestenwereld, dan moet uw gezonde mensenverstand u zeggen: Dus is een verbinding met de geestenwereld mogelijk. En àls deze mogelijk is en duizenden jaren door de mensen in stand werd gehouden, waarom zou de tegenwoordige mensheid deze verbinding dan niet meer kunnen hebben?’
`U schijnt werkelijk te geloven, dat het alleen van de geestenwereld afhangt, of zij al of niet met u in verbinding komt, en dat zij uit zich zelf en naar eigen wil de verbinding tot stand zou kunnen brengen, zonder dat u zelf daaraan op enigerlei wijze moet meewerken. U stelt zich dat zo voor, dat de geesten op elk moment bij de mensen op bezoek zouden kunnen komen en dat de mensen hen alleen maar behoeven binnen te laten en slechts behoeven te luisteren naar dat wat de geestenwereld meedeelt. En omdat u thans van het geestenverkeer uit vroegere tijden dat in de bijbel zo’n grote rol speelt, niets meer merkt, heeft bij u de mening postgevat, dat gene zijde het verkeer met deze wereld voorgoed heeft verbroken. Dat is een betreurenswaardige vergissing. De goede geestenwereld zou ook thans maar al te graag tot u komen en is bereid, de brug over te gaan, die van gene zijde naar deze zijde voert. Maar uzelf moet de brug mee helpen bouwen. Ook in die vroegere tijden moesten de mensen van hun kant alle voorwaarden vervullen, die het verkeer van de geestenwereld met de mensen mogelijk maakten. De oude volkeren kenden deze voorwaarden en richtten zich daarnaar.’
‘Thans denkt u, als u in de bijbel leest over de gebeurtenissen, die als begeleidende verschijnselen van de openbaringen van de geesten worden beschreven, dat dit alles slechts uiterlijke aankleding is en met het geestenverkeer zelf niets te maken heeft. Gelooft u werkelijk, dat het slechts beuzelarij en overbodig, uiterlijk gedoe was, toen God’s engel uit het brandende braambos tot Mozes en vanuit de wolkenzuil tot de Israëlieten sprak, en dat hij zich ook zonder deze odvlam en odzuil verstaanbaar had kunnen maken? Meent u wellicht, dat het scherts was van God, toen Hij tot Mozes sprak: “Ik wil de wolk nog dichter maken, opdat het ganse volk Mij kan horen, wanneer Ik met hen spreek?” Alsof Hij de versterking van het geluid van zijn woorden ook zonder versterking van de odwolk had kunnen bereiken. Of denkt u soms, dat de geweldige wolk, die de berg Sinaï gedurende de donder en het bazuingeschal omhulde, slechts uiterlijke vertoning was, en dat deze geluiden ook zonder die wolk voortgebracht hadden kunnen worden? En als David de priester Abiathar smeekt hem het efod(hoge priestergewaad) met het orakelschild te brengen, omdat hij God om raad wilde vragen en God hem zou antwoorden, was toen het orakelschild misschien ook slechts speelgoed? – Of waren de vlammen in het braambos, de wolkenzuil, het orakelschild en andere dingen, die u in de bijbel ontmoet bij het contact van de geestenwereld met de mensen, niet weleer de volstrekt noodzakelijke geleidingsdraden, waardoor het telefoongesprek van gene zijde naar deze zijde mogelijk werd gemaakt?’
‘Zij vormden inderdaad de brug, waarover God’s geesten tot die mensen kwamen. Zonder deze brug was hun komen onmogelijk geweest. Het materiaal, dat de aardse schepselen daarvoor leverden, was de odkracht, die bij het brandende braambos in de gedaante van een vlam, bij de wolkenzuil in de gestalte van een odwolk voor allen zichtbaar werd. Zo was de odkracht ook nodig bij de vele belichamingen van geesten in die tijden om hun stoffelijke gestalte te vormen. Dezelfde kracht moest de geesten in voldoende hoeveelheid ter beschikking staan, die op het orakelschild de letters aanwezen, waaruit de zinnen werden gevormd, welke de antwoorden van gene zijde inhielden.’
`De bronnen van de odkracht voor het contact met de geesten, verhaald in de bijbel, waren, evenals thans, de “media”.’
`In het Oude Testament leest u zo veel over “profeten” en “profeten- scholen”. Hoe denkt u daarover? Gelooft u misschien, dat men in scholen de gave der profetie kan aanleren, zoals men een wereldse wetenschap aanleert? Volgens uw moderne spraakgebruik verstaat u toch onder een “profeet” iemand, die de toekomst kan voorspellen. Dientengevolge moet u aannemen, dat men in de oude “profetenscholen” de bekwaamheid zou kunnen verwerven, toekomstige gebeurtenissen te voorspellen.’
‘Dit is een onjuiste opvatting van de betekenis van de woorden “pro- feet” en “profetenschool” in de bijbel.’
‘Een “profeet” is een mens, waardoor niet de eigen geest, maar een ander geestelijk wezen spreekt. In die zin schrijft de apostel Paulus over “de geesten der profeten” (1 Kor. 14:32). Zijn het geesten der waarheid, die zich door de “profeten” openbaren, dan noemt men deze “ware” of “echte” profeten. Zijn het echter leugengeesten, dus boze geesten, dan heeft de bijbel daarvoor de naam van “valse profeten”.’
‘Wat men in de bijbelse tijden “profeet” noemde, duidt u thans aan als “medium”. Op het spraakgebruik komt het niet aan, maar wel op de zaak zelf. Alle grote persoonlijkheden uit het Oude en Nieuwe Testament waren grote “media”. Ook al wordt hun mediamieke staat, waarin zij hun odkracht aan de geestenwereld afgaven, niet uitvoerig in de Heilige Geschriften weergegeven, toch zijn ze op verschillende plaatsen in de berichtgevingen tenminste aangeduid.’
`Abraham was een medium. Op zijn trance-toestanden, die bij zijn gemeenschap met gene zijde als doel voor de odafgave intraden, wordt op een plaats duidelijk gewezen: “Als nu de zon zou ondergaan, viel er een diepe slaap op Abraham en tegelijk kwamen angst en diepe duisternis in hem op. En toen dan de zon was ondergegaan en het geheel donker werd was het als een rokende oven en een vurige fakkel, wat tussen die stukken vlees doorging’ (Genesis 15: 12 en 17).
`De diepe slaap was geen natuurlijke slaap, maar wat u ook heden “mediamieke slaap” noemt, waarin het od van het medium vrijkomt tot gebruik voor de openbaringen van de geestenwereld. De angst en de diepe duisternis, waarvan hier sprake is en waardoor de media, die het goede dienen, niet zelden worden overvallen, is een werking van de boze geestenwereld, die daarmee de openbaringen van de goede geesten tracht te verhinderen. Want het angstgevoel belemmert ieder medium in zijn odafgave en maakt een mededeling van de geesten onmogelijk. Al van tevoren hadden de boze machten getracht storend bij Abraham in te grijpen. Toen Abraham namelijk in opdracht van de Heer dieren had geslacht en in stukken gesneden, stortten “roofvogels” zich hierop neer, maar Abraham verjoeg ze. Het slachten van de offerdieren had tot doel, behalve de odkracht van Abraham nog een andere odbron te ontsluiten, en wel het od van de geslachte dieren. Wat in het voorafgaande als “roofvogels” wordt beschreven, waren geen natuurlijke roofvogels; het waren als roofvogels gematerialiseerde boze geesten. Alleen in gematerialiseerde toestand was het hun mogelijk, de stukken vlees weg te nemen. Nu begrijp je ook waar het hun om te doen was. Zij wilden in de eerste plaats de odbron, ontstaan door het slachten van de dieren, uitschakelen en daarna probeerden zij, de eigen odstroom van Abraham af te sluiten door hem angstig te maken. De duisternis werd gekozen voor de mediamieke activiteiten, omdat naar de bekende wetten licht en warmte nadelig werken op de noodzakelijke verdichting van het od. – Dat wat hier wordt beschreven als “rook” die vurig lichtte, het od was, is je bekend.’
‘Ook Mozes was een medium. Hij gaf het od af, dat in het braambos als vlam oplichtte. Het werd versterkt door de odafgave van de dicht daarbij rustende kudde, die Mozes moest weiden. Ook hier was het nacht. De odverdichting verscheen in een braambos, omdat dit in zekere mate door zijn vele vertakkingen als een gordijn werkte, dat de odmassa tezamen hield, evenals het gordijn van de “tabernakel” en het “kabinet” bij de tegenwoordige spiritistische seances. Ook bezat de doornstruik zelf od, dat zich met het andere verenigde.’
‘Men noemde de “media” in de oudste tijden “zieners”, omdat ze behalve hun overige mediamieke gaven meestal ook de gave van “helderziendheid” bezaten. Eerst later ontstond de benaming van “profeet”.’
‘Overal vond men zulke “zieners” of “profeten”.’
‘Toen Saul met zijn knecht naar de weggelopen ezelinnen van zijn vader zocht en ze niet vond, zei de knecht tot hem: “Hier in deze plaats woont een “ziener”. Laat ons naar hem toe gaan, misschien geeft hij ons uitkomst. En op deze plaats voegt het bijbelse bericht er verklarend bij : “Eertijds gebruikte men in Israël, als men aan God ging vragen, de uitdrukking: Komt laat ons naar de “ziener” gaan. Want iemand, die heden “profeet” heet, noemde men eertijds “ziener” (1 Sam. 9 : 5-10). Zo kwamen Saul en zijn knecht tot Samuël.’
‘Samuël was niet alleen zelf “medium”, maar leidde ook de “medium- school” in Rama. Zulke scholen noemde men toen “profetenscholen”.’
‘Toen Saul op zijn thuisreis in Gibea kwam, ontmoette hij een schare van “media”, die zich in trance-toestand bevonden, en uit wie geesten God’s lof verkondigden.
Toen geraakte ook Saul in deze toestand en kwam er_ een geest in hem.’
‘Uw bijbelvertalers, die de betekenis van deze toestand niet begrijpen, zeggen “hij geraakte in profetische vervoering”, – een uitdrukking, waar de lezer niets uit kan opmaken. Niet de geest van Saul en die van de “media” die hem ontmoetten, geraakten in vervoering, maar goede geesten van gene zijde namen bezit van hem. De media behoefden daarvoor niet in de toestand van “volle-trance” te zijn, maar wat u thans, “gedeeltelijke trance” of “half-trance” noemt, was voldoende.’
‘Verder verhaalt de bijbel, dat David naar Samuël te Rama vluchtte, waar beiden in het “profetenhuis”, dus in de “medium-school”, woonden. Toen Saul nu boden daarheen zond om David te halen, hield Samuël juist een bijeenkomst met de media. Zij bevonden zich in trance-toestand, toen de boden van Saul binnenkwamen. Uw bijbelvertaling zegt daarvan “Toen de boden de vergadering van profeten zagen, die zich in “vervoering” bevonden, en Samuël, aan het hoofd staande, ontwaarden, kwam de geest Gods over Saul’s boden, zodat ook zij in profetische vervoering geraakten. Toen men het Saul meldde, zond hij andere boden; maar ook deze kwamen in verrukking. En evenzo ging het met de boden, die Saul voor de derde maal zond. Daarop ging hij zelf naar Rama. Toen hij bij de grote waterput, die zich te Secher bevindt, was aangekomen, vroeg hij: Waar zijn Samuël en David? Men antwoordde hem: In het profetenhuis in Rama. Dus ging hij vandaar naar het profetenhuis in Rama. Toen hij nog onderweg was, kwam een geest Gods ook op hem, en hij was voortdurend in “profetische vervoering”, totdat hij te Najoth in Rama aankwam. Daar trok ook hij zijn bovenklederen uit, profeteerde voor Samuël en hij lag daar slechts in zijn onderklederen die gehele dag en de gehele nacht. Daarom zegt men : “Behoort ook Saul tot de profeten?’ (1 Samuël 19:18-24).
‘Veel in dit verhaal heeft een verklaring nodig. Het feit, dat alle boden van Saul zo snel in “trance” geraakten, is daardoor te verklaren, dat zij zeer mediamiek waren. Bij de grote en sterke odstroming, die in een bijeenkomst van ontwikkelde of in opleiding zijnde media aanwezig is, zoals hier in Samuëls mediumschool, was het voor de geestenwereld niet moeilijk, hen in “halftrance” te brengen, die mediamiek waren aan- gelegd.’
`Saul zelf was een medium, dus waren er voor hem geen andere odkrachten nodig om hem in halftrance te brengen. Daardoor kwam hij reeds op weg naar Rama in deze toestand.’
‘Aan het feit, dat de media in de mediumschool te Rama in lichte onderkleding zaten, of naar de gewoonte van die tijd, lagen, behoeft u geen aanstoot te nemen. Ook tegenwoordig kleden de media zich zo luchtig mogelijk, als zij aan de seances deelnemen. Want er moet worden vermeden, dat zij een grote warmte ontwikkelen, omdat warmte, zoals je weet, ongunstig werkt op de odverdichting en deze bemoeilijkt. Om deze reden lag ook Saul daar in zijn onderkleding. Als wordt gezegd, dat hij er een dag en een nacht op die wijze heeft doorgebracht, betekent dat niet, dat hij gedurende de gehele tijd in “trance” was. Hij werd daar zo lang vastgehouden, omdat dit de laatste poging van de goede geestenwereld was, om Saul weer tot zijn God terug te brengen. Hij was tengevolge van zijn ongehoorzaamheid afgevallen van God. Met de goede geestenwereld stond hij niet meer in verbinding, doch een boze geest beheerste hem. Hij was eigenlijk die dag naar Rama gekomen, om David gevangen te nemen en te doden. Dit alles werd hem nu als laatste oproep van God door God’s geesten, die door de aanwezige media spraken, in veelvuldige mededelingen voorgehouden. Samuël zelf gaf zich de moeite, om de door hemzelf gezalfde eerste koning door een dringende vermaning van het dreigende verderf te redden. Hetzelfde doel streefde Samuël na met de vele godsdienstoefeningen, die hij in het bijzijn van Saul hield, en waarvan in uw bijbelse verhaal niets wordt vermeld. Hij wilde het hart van de koning ontroeren en hem tot inkeer bewegen.’
`De aan God gewijde dienst was inderdaad het belangrijkste in de “mediumscholen”. De aanstaande media of “profetenleerlingen”, zoals zij toen werden genoemd, moesten met hun gehele innerlijk in een innig verband met God worden gebracht. Onwankelbaar Godsgeloof, en diep Godsvertrouwen moesten de grondslagen zijn, waarop de mediamieke bekwaamheden van de leerlingen zich ontwikkelden. Zo zouden zij bekwaamd worden om als waardige werktuigen van God en zijn geestenwereld hun medemensen te dienen. Want de gevaren, die de media toen bedreigden, waren dezelfde als nu.’
‘Het grootste gevaar vormde, zoals te allen tijde het geval is, ook toen de zucht naar eer en geld. De media stonden in hoog aanzien. Niet alleen de wereldlijke heersers wilden ze in grote getale om zich heen hebben, maar ook de welgestelde families hielden er een medium op na, om gene zijde te raadplegen en noemden hen “priester”. Men gaf hun rijke geschenken en hun gehele levensonderhoud. Het waren meestal media, die u thans “planchette-media zou noemen. Zij gebruikten voor het vragen aan de geestenwereld het “orakelschild”, – een nabootsing van het orakelschild in de tabernakel.’
‘Het hier vertelde wordt bevestigd in het boek der Richteren. Daarin wordt verhaald, hoe een man, Micha genaamd, het zijn moeder afhandig gemaakte geld, weer aan haar teruggaf. Zij liet van een deel van het geld een gesneden en een gegoten godsbeeld maken, dat in het huis van Micha werd geplaatst. Hij stelde één van zijn zonen aan, om hem daarbij als “priester” te dienen. Hij trok echter ook nog een Leviet uit Bethlehem aan voor dit doel en zei tot hem: “Blijf bij mij en wees mij tot een vader en tot een priester, en ik wil u jaarlijks tien zilverlingen geven en voor kleding en uw levensonderhoud zorgen. Alzo ging de Leviet met hem akkoord (Richteren 17). Wat in uw vertalingen als een “gesneden en gegoten godsbeeld” wordt aangeduid, waren de beide delen van de “planchette”.’
‘Het is menselijk te begrijpen, dat de media de gunst trachtten te verwerven van hen, bij wie zij woonden. Maar daarin lag het grote gevaar. In het streven hun broodheren alleen het aangename te zeggen, deinsden zij er soms niet voor terug, de hun onaangename waarheid te verzwijgen en de onwaarheid daarvoor in de plaats te stellen. Zo werden zij “leugenprofeten”. Daarmee verbraken zij de verbinding met de goede geestenwereld en werden werktuigen van het boze, al spraken zij voor de schijn nog de naam van God uit bij hun mediamieke werk.’
`Vooral de media, die in dienst stonden van de wereldlijke machthebbers, vielen gemakkelijk ten offer aan deze verzoeking, zoals de geschiedenis van Koning Achab ons toont (1 Koningen: 22). Daar kwamen vierhonderd media overeen, de koning alleen het aangename te zeggen. Zo’n overeenkomst vond zijn oorsprong in hun eigen slechte gezindheid. Daardoor sloten zij zich echter van de verbinding met de geesten van de waarheid af en wisten zij, dat zij zich tot werktuigen van leugengeesten maakten. Zij moesten hierdoor vrezen als “leugenprofeten” ontmaskerd te worden, als de koning een betrouwbaar medium zou raadplegen. Toen daarom de koning de profeet Micha, die een medium van de goede geestenwereld was, liet komen om hem te raadplegen, probeerden zij hem door een bode te overreden, eveneens slechts het aangename aan de koning te vertellen. Micha kondigde de koning echter zijn ondergang aan, zoals de geest van God hem had geopenbaard. Toen gaf een van de aanwezige leugenprofeten hem een oorveeg, zeggende : “Wat? Is de geest des Heren soms van mij geweken, om met u te spreken?” – Hier ziet u nu de gehele verwording van een profetendom, dat zich uit eer- en geldzucht aan de leugen en bedrog overgeeft en toch de schijn wekt, alsof het een werktuig van God was. Zijn mediamieke openbaringen komen van leugengeesten. Dat wist dat profetendom wel, en hun siechte gezindheid zocht naar middelen en wegen om die leugens te verbloemen.’
‘Zo’n mediumschap moest onder de invloed van de van God vervreemde koningen ook tot onheil van het gehele volk worden, zodra het zich openlijk aan de zijde van uitgesproken afgodendienst plaatste. “Profeten van Baäl” werden zij dan genoemd. Hun aantal was buitengewoon groot. Vaak waren er bijna geen media van het “goede” meer. Zo wordt er gezegd van de tijd van de hoge priester Eli : “In de tijd, dat de jonge Samuël de dienst des Heren onder toezicht van Eli verzorgde, was het woord des Heren in Israël iets zeldzaams; visoenen kwamen nauwelijks voor’ (1 Samuël 3:1).
‘Op de berg Karmel stond de profeet Elia als enige “profeet van God” tegenover de 450 profeten van Baäl en de 400 profeten van Aschera.’
‘Dat ook in de oude tijden de media zich door aardse voordelen lieten verleiden om hun mediamieke gave te misbruiken, blijkt uit de woorden, die God door de profeet Micha liet uitspreken : “Alzo heeft de heer tegen de profeten gesproken, die mijn volk misleiden; die geluk verkondigen als zij voedsel krijgen, maar tegen hem, die hun niets te eten geeft, de heilige oorlog prediken’ (Micha 3:5). “Hun profeten zeggen waar voor geld en daarbij beroepen zij zich op de Heer”‘ (Micha 3:11).
`U moet niet geloven, dat de mensen uit de vroegere tijd alle wonderen, die door de media werden verricht, zonder meer als waar aannamen. Zij waren tegenover de media even wantrouwend als u. Zij hielden er rekening mee, dat zij het slachtoffer van bedriegerijen konden worden. Zij bonden de media vast om er zeker van te zijn, dat zij hun door goochelkunsten niet iets voorspiegelden. Daarom hadden de particuliere media, die een broodwinning uit hun mediamieke gave maakten, thuis passende banden voor het hoofd, de handen en de voeten gereed liggen; daarmee lieten zij zich door de bezoekers vastbinden. Wanneer er zich dan toch verschijnselen voordeden, die alleen van geesten konden komen en ook inderdaad kwamen, dan maakte dit op de aanwezigen een diepe indruk en zij werden voor dit geestenverkeer gewonnen. Daar het echter geen goede geesten waren, die zulke media als werktuig gebruikten, vielen de deelnemers aan zulke demonstraties langzamerhand in handen van de boze machten. De lessen, die de boze geesten door de media gaven, vervreemdden hen van de ware God en leidden hen tot de schandelijkste daden. In het bijzonder hadden de vrouwelijke “media” grote toeloop. Tegen haar richtte God een bedreiging via de profeet Ezechiel: “En gij, mensenkind, treed tegen de dochters van uw volk op, die zich naar eigen goeddunken aanstellen als “profetessen” ; spreek u tegen haar uit, en zeg: Zo heeft de Heer God gesproken: Wee de vrouwen, die kussens naaien voor alle handgewrichten en hoofddeksels maken in passende grootte om zielen te vangen. Zielen vangt gij van Mij weg. U ontheiligt Mij bij mijn volk voor een paar handenvol gerst en enkele stukken brood om zielen te doden, die niet moesten sterven, terwijl gij Mijn volk voorliegt, dat de leugens gaarne hoort’ (Ezechiel 13: 17-20).
`De wijze van ontwikkeling van de media in de mediumscholen uit bijbelse tijden wordt in de oorkonden van de Heilige Geschriften niet nader omschreven. Deze bestond in de eerste plaats daaruit, dat de mediamieke aanleg van de leerlingen werd onderzocht. Reeds na korte tijd bleek, bij wie deze aanleg aanwezig was. Wie ongeschikt was werd ontslagen.
‘Maar ook zij, die een grote mediamieke aanleg vertoonden, werden eerst dàn als leerling aangenomen, als hun karaktereigenschappen uitoefening van het beroep als medium in dienst van het goede en Goddelijke waarborgden. Daarop legden de leiders van de goede mediumscholen de nadruk, terwijl in de mediumscholen van de afgoden-priesters alleen de mediamieke kracht van een leerling in aanmerking werd genomen. In die dagen bestond hetzelfde verschil in de wijze van ontwikkeling van de media als in onze tijd. Je hebt zelf de ontwikkeling van enige media met eigen ogen aanschouwd. Je hebt de bijeenkomsten zelf tot stand gebracht en geleid, waarin de ontwikkeling zich voltrok. Je hebt deze samenkomsten de vorm gegeven van godsdienstoefeningen en je de moeite gegeven, jezelf en de deelnemers nader tot God te brengen. U hebt u onder God’s bescherming gesteld. Met gebed en lofzang tot God hebt u de bijeenkomst geopend en gesloten; het in de Heilige Geschriften geopenbaarde woord van God hebt u voorgelezen. U hebt alleen het goede nagestreefd en wilde, indien het Gods wil zou zijn bruikbare werktuigen van het goede worden.’
‘Op deze wijze trachtte men ook bij de godsvruchtige Israelieten de media te ontwikkelen.’
`In tegenstelling hiermee moest je eens kunnen zien, wat er plaats vindt in de meeste hedendaagse “spiritistische seances”. Van God loven is meestal geen sprake. Men komt tezamen om iets buitengewoons en opwindends te beleven. Door wie dit wordt veroorzaakt, door goede of door boze geesten, is bijzaak. Bovendien geloven zeer velen helemaal niet, dat de verschijnselen het werk zijn van de geestenwereld. Men tracht ze “menselijk” te verklaren. Daarmee is het enige doel, dat de goede geestenwereld door haar verbinding met de mensen wil bereiken, namelijk de mens nader tot zijn God brengen, al bij voorbaat onmogelijk gemaakt.’
`Van dezelfde soort waren ook de bijeenkomsten, waarin de “media van Baäl” werden ontwikkeld. Weliswaar wist men toen dat het ging om het verkeer met de geestenwereld. Maar het was allen, die aan het lagere spiritisme deelnamen, er alleen maar om te doen, langs deze weg iets te beleven en te ervaren, wat hun volkomen aardse doen en laten bevredigde. Het lot van gene zijde stond ver van hen af, even ver als van de meeste mensen van de tegenwoordige tijd. Daarom hadden zij er ook geen belangstelling voor, dat de media bij hun vorming werden voorbereid op het hoge en goddelijke.’
`De mediumscholen van de afgodenpriesters worden in de bijbel niet nader genoemd, omdat de ontwikkeling van de “media van Baäl” zich voltrok in de algemene bijeenkomsten, die ter wille van de afgodendienst werden gehouden. Voor het bereiken van het slechte is geen bijzondere ontwikkeling nodig; dat komt vanzelf wel, “want de mens is vanaf zijn jeugd tot het boze geneigd”. Maar wie het goede en door God gewenste wil verkrijgen, zal dit slechts met grote inspanning en zware strijd bereiken. Dat vergt een bijzondere voorbereiding. Deze was dus noodzakelijk voor die media die hadden besloten, alleen als werktuig van het goddelijke te willen dienen. Zij werden in de “profetenscholen” opgeleid, die in de bijbel zijn vermeld, en hadden God’s mannen als Samuël, Elia en Elisa als leraren en geestelijke leiders.’
`In de dagen, waarin grote en door God begenadigde mannen als deze aan het hoofd stonden van zulke “mediumscholen”, was de toeloop tot deze scholen zeer groot. Want de Godgelovige families beschouwden het als een bijzonder geschenk van God, als één van hun kinderen de mediamieke gave bezat en deze onder leiding van die mannen kon ontwikkelen.’
`In de tijd van Elia en Elisa was er in iedere wat grotere plaats een mediumschool, zoals in Rama, Gilgal, Bethel, Jericho, en andere plaatsen. De leerling-profeten van Elisa waren zo talrijk, dat de ruimte, waarin zij tezamen kwamen, te klein werd. Daarom zeiden zij op een dag tot Elisa: “Zie toch, de ruimte, waarin wij hier bij het onderwijs vóór u zitten, is voor ons te klein. Wij willen daarom naar de Jordaan gaan en elk van ons zal een balk halen, opdat wij daar een ruimte voor ons oprichten, waarin wij kunnen wonen.” En hij antwoordde: “Gaat erheen!”‘ (2 Koningen 6:1-2).
`In de dagen van het Nieuwe Testament had men bij de christenen geen speciale scholen voor media. Deze waren niet nodig, omdat de godsdienstige bijeenkomsten zodanig werden gehouden, dat zij de werkzaamheden van de vroegere mediumscholen volkomen vervingen. Bij het bidden reikte men elkaar de handen, om tot uitdrukking te brengen, dat allen “één van hart en één van ziel” waren, dat de liefde hen tot één gemeenschap verbond en dat zij als een eenheid tot God wilden bidden; allen tezamen als leden van één geestelijk lichaam door een geest bezield, dezelfde hoop koesterend, door hetzelfde geloof verbonden, smekend tot de enige God.’
`Deze handreiking was voor de mediamiek aangelegden onder de deel- nemers aan de bijeenkomst van grote betekenis, want daardoor werd de odkracht van de aanwezigen tot een odstroom verenigd. Deze kon door God’s geesten worden benut, zowel om zich te openbaren door de reeds ontwikkelde media, als om de in opleiding zijnde media te ontwikkelen.’
`De mediale gebeurtenissen waren aan de eerste christenen vanuit hun heidense tijd zeer goed bekend, zodat zij van alles op de hoogte waren. Zij hadden immers als heidenen met de boze geestenwereld in verbinding gestaan en de natuurlijke wetten van dit verkeer kenden zij dus zeer goed. Zij wisten, dat de gehele heidense afgodendienst niets anders was dan een verbinding met demonen, die onder dezelfde natuurlijke voorwaarden plaatsvond als de verbinding met goede geesten.’
‘Daarom behoefde Paulus de Korinthiërs ook niet eerst te onderrichten over de wetten, volgens welke een verkeer met de geesten in het algemeen tot stand komt, doch alleen over de uitwerking, die de goede geesten in tegenstelling tot de boze, bij hen teweegbrachten.’
`De hoofdstukken 12 en 14 van de eerste Korinthiërbrief bevatten over het goede geestenverkeer alles, wat een gelovig naar God zoekende mens daarover moet weten. Alleen begrijpt u tegenwoordig helaas de lessen niet meer, die de apostel aan de Korinthiers in die hoofdstukken gaf. Dat komt allereerst, doordat u absoluut niets weet over het contact met de geesten. Verder hebben uw verkeerde bijbelvertalingen daaraan voor een groot deel schuld, evenals de onjuiste verklaringen, die op grond van de verkeerde vertalingen aan de christenen worden gegeven.’
‘Wegens de belangrijkheid van deze zaak zou ik daarom gaarne de hoofdstukken 12 en 14 uit de eerste Korinthiërbrief met je behandelen en je de juiste verklaring daarvan geven.’
‘Volgens uw vertaling begint het twaalfde hoofdstuk met de woorden: “Wat de geestelijke gaven betreft, lieve broeders, wil ik u niet in het onzekere laten. U weet, dat u, toen u nog heidenen waart, met onweerstaanbare kracht werd getrokken naar de stomme afgoden.” Reeds de eerste woorden: “Wat de geestelijke gave betreft” bevatten een misleidende vertalingsfout. Zij kunnen door de lezer slechts zó worden opgevat, alsof het gaven betreft, die door God aan de menselijke geest worden geschonken. De u ter beschikking staande Griekse tekst zegt iets geheel anders. Daarin luidt de woordelijke vertaling: “Over hetgeen op het geestenverkeer betrekking heeft, wil ik u niet in het onzekere laten.” Tegenwoordig zou men kortweg zeggen : “Omtrent het “spiritisme” wil ik u niet in het onzekere laten.” Ook luidde het oorspronkelijk niet “stomme afgoden”, maar dode goden” ; want onder “dode goden” verstond men in het algemeen de “demonen” of de van God afgescheiden geesten, die steeds in de bijbel als “doden” worden aangeduid.’
`De juiste vertaling van de gehele aangehaalde tekst is dus de volgende “Omtrent het spiritisme zou ik u niet in het onzekere willen laten. U kent het reeds uit de tijd, waarin u heidenen waart. Toen ging u naar de van God afgevallen geesten tot wie u zieh met onweerstaanbare kracht aangetrokken voelde.’
`In hetgeen volgt, ontbreken ook in de Griekse tekst, die u thans bezit, twee zinnen. Zij luidden : “Zo werd u de deelgenoten van de boze geesten, die Jezus niet als hun Heer erkennen. Nu echter, nu u tot Christus behoort en aan Zijn heerschappij bent onderworpen, staat u in verbinding met heilige geesten.” Aan deze ontbrekende zinnen sloot dan vers 3 aan, dat in uw vertaling luidt: “Daarom verklaar ik u, dat niemand, die door

de geest van God spreekt, kan zeggen: “Vervloekt zij Christus! En niemand kan zeggen : “Jezus is de Heer”, behalve dan door de heilige geest.’
‘Maar ook in dit derde vers, staat weer een vertalingsfout, die de betekenis verduistert. In de Griekse tekst staat namelijk niet door de geest van God en door de heilige geest, maar door een geest van God en door een heilige geest.
Het is immers niet God zelf, die op directe wijze de afzonderlijke uitwerkingen teweegbrengt, maar het zijn de geesten, die God dienen, die met God’s kracht bij de schepselen dat tot stand brengen, wat met God’s wil overeenstemt.’
‘Doordat uw bijbelvertalers op talloze plaatsen de uitdrukking “de heilige geest” gebruiken, waar in de Griekse tekst “een heilige geest” staat, hebben zij niet alleen een onjuiste vertolking van de betreffende teksten gegeven, maar bovenal het begrip “heilige geest” dermate verward, dat de onjuiste leerstelling kon ontstaan, als ware de heilige geest een goddelijke persoonlijkheid.’
`Om je een juist inzicht te geven in wat wordt bedoeld met de geest en de geesten en daardoor ook het begrijpen.van de beide genoemde hoofdstukken uit de eerste Korinthiërbrief mogelijk te maken, kies ik een voorbeeld uit uw aards leven.’
`In de tijden, waarin uw koningen nog onbeperkte heersers waren, gold bij alles, wat in het machtsbereik van de koning gebeurde, slechts de wil van de koning. Alle wetten en verordeningen gingen van hem uit. In zijn rijk heerste slechts een wil, slechts een geest: de wil en de geest des konings. Zijn dienaren en beambten verrichtten hun ambtsbezigheden slechts in afhankelijkheid van hem, slechts volgens zijn wil en in zijn geest. Daaruit volgde immers zijn wetten en richtlijnen, waardoor zij vanzelf wisten, wat zij afzonderlijk moesten doen.’
`Er waren dus in het rijk velen, die werkzaam waren, maar er was eigenlijk maar een werkende, namelijk de koning.’
‘Zo is het ook in het rijk van God. Daar is maar één onbeperkt heerser, wiens wil in alles beslissend is. Het is God – of zoals het menigmaal in de bijbel is uitgedrukt, Gods Geest of de Heilige Geest. De andere geesten, die ook Gods geesten of heilige geesten worden genoemd, zijn slechts de uitvoerende organen van God, zijn dienaren en beambten. Ook zij hebben voor hun werkzaamheden wetten en richtlijnen, waarnaar zij werken; ook zij hebben daardoor niet voor elk werk een bijzondere opdracht van God nodig. Zij allen werken in dezelfde geest en in dezelfde gezindheid, overeenkomstig de wil en de geest van God. Zij vormen in zekere zin een groot regeringslichaam met vele leden, die weliswaar als enkelingen zelfstandig zijn en van elkaar verschillen, maar als delen van een geheel worden geleid door de Geest, die de geestenwereld als één regeringslichaam heeft geschapen en daaraan Zijn macht en kracht verleent. In die zin zegt Paulus: “Er zijn weliswaar verschillende genadegaven, doch slechts één geest; en er zijn verschillende dienstverrichtingen, doch er is slechts één Heer. En er zijn verschillende krachtuitingen, maar er is slechts één God, die alles in allen tot stand brengt”‘ (1 Kor. 12).
`Wanneer dus tijdens de bijeenkomsten van de christenen van Korinthe een geest door een medium in een vreemde taal sprak, een andere geest door een medium in de moedertaal, weer een andere geest een medium tot genezend-medium maakte, en vele andere geesten op een andere wijze werkten, dan deden zij dit niet naar eigen goeddunken en door eigen kracht, maar volgens de wil en de kracht van die éne God, de hoogste almachtige Geest.’
‘Op de Korinthiërs maakte het een bijzondere indruk en het wekte hun verbazing, als een geest door een van hun media in een vreemde taal sprak. Daarom koesterden zij de sterke wens en baden zij er ook om, dat zoveel mogelijk geesten als deze zich zouden openbaren. Omdat deze wens alleen uit menselijke nieuwsgierigheid en sensatiezucht voortkwam, werden zij door Paulus daarover berispt. Hij zei hun, dat de werkzaamheden van de tot hen komende geesten slechts één doel hadden, namelijk het dienen van de opbouw en de innerlijke groei van de christengemeente en niet het vervullen van zuiver persoonlijke wensen. Wat voor geestelijk nut zou het spreken in vreemde talen door de geesten, die tot hen kwamen, hun kunnen brengen? Noch de eigen geest van het medium had er voordeel van, daar hij de woorden van de vreemde taal niet verstond, noch de overige deelnemers, want ook zij verstonden mededelingen van de geest in een vreemde taal niet. Zij moesten toch liever bidden om geesten, die hun in hun moedertaal lessen geven. En als een geest in een hun onbekende taal tot hen sprak, moesten zij erom vragen, of deze taal in hun moedertaal mocht worden overgebracht – wat òf door dezelfde geest, òf door een ander wezen gedaan kon worden.’
`Nu kan het opmerkelijk schijnen, dat geesten in een aan de aanwezigen onbekende taal spraken. Maar ook dit had een goed doel. Het diende als bewijs voor de echtheid van het geestenverkeer of, zoals Paulus met recht zegt, als bewijs voor de ongelovigen.’
`Hier moet ik de opmerking aan toevoegen, dat uw bijbelvertalingen het spreken in vreemde talen met “tongentaal” betitelden, en de in de moedertaal medegedeelde lessen van de geesten met “profeties”.’
`Paulus stemt er geheel en al mee in, dat de Korinthiërs ijverig moeite doen om met de geestenwereld in verbinding te komen. Hij zegt dan ook: “Daar gij ijverig moeite doet voor contact met geesten, zo weest erop bedacht, een rijke menigte van hen te hebben tot stichting van de gemeente”‘(1 Kor.14:12). Ook deze zin hebben uw vertalers onbegrijpelijk gemaakt, doordat zij voor “geesten” de uitdrukking “geestelijke gaven” hebben gezet al staat er in deze tekst nadrukkelijk “geesten” en niet “geestelijke gaven”.’
‘Aan het slot van zijn onderricht vermaant Paulus de Korinthiërs, bij hun contact met de geesten alles ordelijk te doen geschieden, want God is geen God van wanorde, maar van orde en vrede. Aan deze orde moesten ook de media zich houden. Niet meer dan twee of drie media mochten zich ter beschikking stellen van de geesten, die in vreemde talen spreken, en ook slechts dàn, wanneer er geesten aanwezig waren, die een vreemde taal in de moedertaal van de deelnemers konden overbrengen. Is zo’n geest er niet, dan mag een toespraak in een vreemde taal niet worden toegestaan. Ook als de toespraken van de geesten in de moedertaal van de deelnemers worden gehouden, moeten deze tot twee of drie beperkt blijven, opdat de toehoorders de tijd hebben, over het gehoorde te spreken en hun opvatting daarover tot uitdrukking te brengen. Dit laatste drukt Paulus uit met de woorden: “De anderen moeten hun oordeel erover uitspreken.” Hier richt Paulus aan de Korinthiërs dezelfde waarschuwing, die ik, zoals je weet, ook bij uw bijeenkomsten zo vaak heb uitgesproken. Zowel ik, als ook andere geesten, die u spraken, hebben u aangemaand aan het slot het gehoorde met elkaar te bespreken en uw meningen daarover uit te wisselen, dus zoals Paulus zich uitdrukt, het gezegde te “beoordelen” ; want het komt er niet zozeer op aan, dat u zoveel mogelijk ineens verneemt, maar veel meer hierop, dat u het goed hebt begrepen. Als u nu met elkaar bespreekt, wat de geesten u hebben verteld, dan kunnen wij vaststellen, wie het goed heeft opgevat en wie niet. Want de geesten zijn gedurende uw besprekingen nog aanwezig en luisteren naar u. Blijkt nu uit uw woorden, dat uw opvatting niet juist is, of dat er meningsverschillen zijn, dan treden zij opnieuw in de media en lichten u in over hetgeen u onduidelijk is gebleven.
‘Wie de samenhang in de mededelingen van de geesten en de verhouding tussen de geesten en de media niet door eigen ervaring heeft leren kennen, zal de door Paulus gegeven gedragslijnen niet begrijpen. Daarom nog een korte verklaring hierover.’
`U kunt zich het verkeer van de goede geesten met u niet menselijk genoeg voorstellen. Zij zijn toch uw beste vrienden en bij uw godsdienstige bijeenkomsten in grote getale aanwezig. Het zijn meestal geesten, die vroeger mensen waren, zoals u, en zich nu aan gene zijde tot God omhoog hebben gewerkt. Zij zijn u als leiders, raadslieden en beschermers toegewezen. Zij hebben het vurigste verlangen, u reeds in dit aardse leven zo ver mogelijk op de weg tot God te brengen, opdat u bij uw heengaan van deze aarde in een zo hoog mogelijke sfeer van de geestenwereld aankomt. Uw geestenvrienden zijn niet zelden als mensen onderdanen van andere naties geweest en hebben de taal daarvan gesproken. Velen kennen uw moedertaal niet. Ook de geesten moeten de aardse talen leren, die hun als mensen onbekend waren, maar allen zouden u toch graag iets goeds zeggen en zij verdringen zich om de media om deze voor het spreken of schrijven te gebruiken. Opdat dit alles in goede orde verloopt, is bij iedere bijeenkomst, die aan het goede geestenverkeer is gewijd, een “controle-geest” aanwezig. Deze moet beslissen, welke geesten aan het woord moeten komen en hoe lang zij mogen spreken. Hij richt zich bij het toelaten van afzonderlijke geesten ook naar de bepalingen en beslissingen, die de deelnemers aan de bijeenkomst zelf hebben genomen. Stelden zij bijvoorbeeld vast, dat niet in een aan de aanwezigen onbekende taal gesproken zal worden, dan laat de controlegeest geen geest toe, die zich niet in de moedertaal van de deelnemers kan uitdrukken. Ook de media hebben het in hun macht om een geest de intreding in hun lichaam te weigeren, want de “trance-toestand” treedt slechts dan in, als de media zich daartegen niet verzetten. Daarom zegt Paulus: “De profetische geesten moeten aan de “profeten”, dat zijn de “media”, gehoorzaam zijn.”‘
`Een passage in de lessen van de apostel Paulus is gedeeltelijk zelf, gedeeltelijk door de onjuiste vertaling onduidelijk.
Deze passage luidt: “Zo vaak u bijeenkomt, heeft een ieder iets in gereedheid: een psalm, een leerzame voordracht, een openbaring, een toespraak in een vreemde taal, een uitleg; laat dat alles tot geestelijke opbouw van de gemeente dienen.
‘Allereerst is de vertaling onjuist. Zij moet luiden: “Zo vaak u bijeen-komt, ontvangt een ieder van u een psalm, enz.” Dat ontvangt een ieder door de aanwezige media. Een ieder heeft het niet reeds gereed, als hij komt, alsof hij het meebracht, maar in de loop van de bijeenkomst dragen de geesten door de media deze verschillende dingen voor: de ene een lofzang, de andere een leerzame voordracht, een derde een openbaring, een ander een toespraak in een vreemde taal, weer een ander de vertaling van de vreemde taal in de moedertaal. Ieder van de aanwezigen mag uit het vele, dat hem aan geestelijk voedsel wordt geboden, dat kiezen, wat voor zijn ogenblikkelijke zieltoestand het meest dienstig is. Want de gehele gemeente moet geestelijk worden opgebouwd, niet alleen de een of de ander van de aanwezigen. Er wordt daarom zo velerlei geboden, omdat de geestelijke behoeften van de deelnemers zo verschillend zijn. Wie veel brengt, heeft voor een ieder iets. De een, die iets bijzonder goeds voor zichzelf of zijn gezin heeft ondervonden, zal in woorden van lof tot God, die door een geest door een medium worden voorgedragen, de juiste uitdrukking van zijn ogenblikkelijke stemming vinden. Een ander voelt zich terneergedrukt en wordt door een troostvolle les opgebeurd. Weer een ander kampt met twijfel, of wat daar gebeurt ook inderdaad de werking van de geestenwereld is. Hij wordt van zijn twijfel verlost, als hij een medium in een vreemde taal hoort spreken.’
‘Het onderwijs, dat de apostel aan de Korinthiërs gaf over de aard van het verkeer met de geesten, had hij niet uit zichzelf, maar hij handelde in opdracht van God. Want hij besluit zijn vermaning met de woorden “Wanneer iemand meent een profeet of een geestelijk begaafde te zijn, hij erkenne, dat wat ik hier schrijf een gebod des Heren is” (1 Kor. 14:37). En hij voegt eraan toe: “Zo onderwijs ik het in alle gemeenten der heiligen.”‘