DE WET VAN DE `ODKRACHT’ * OF LEVENSKRACHT (* Uitspraak: oodkracht.)

`Geest en stof kunnen wegens hun wezenlijk verschil niet onmiddellijk op elkaar inwerken. Ook je eigen geest is uit zichzelf alleen niet in staat, een lid of orgaan van je lichaam in werking te stellen. Evenmin ben ik, die nu bezit heb genomen van het lichaam van deze jongen, uit mijzelf in staat, zijn lichaam op te richten, zijn handen op te heffen, of met zijn spreekorganen een geluid voort te brengen. Zowel zijn geest als ik hebben daarvoor een krachtstroom nodig.’
‘Zo heeft een machinist de krachtstroom van de stoom of elektriciteit nodig, om de machine op gang te brengen. Ontbreekt de krachtstroom of is deze te zwak, dan staat de machine stil.’
`In ons geval is de machinist de geest. De machine is het lichaam of de materie, wil de materie door de geest in beweging kunnen worden gebracht, dan is daarvoor een kracht nodig.’
`De geleerden der oudheid noemden de krachtstroom in de mens “ziel” in tegenstelling tot “geest” en “lichaam”. Zij leerden dus met recht, dat de mens uit geest, ziel en lichaam bestaat.’
`De bijbel noemt de krachtstroom of de levenskracht “de adern des levens”. “En God blies de mens de adern des levens in de neus; zo werd de mens tot een levend wezen” (1 Genesis 2:7).
 ‘Uw hedendaagse wetenschap heeft de krachtstroom in de mens de naam van “odkracht” gegeven.’
`De odkracht of levenskracht bevindt zich in en om alles, wat God heeft geschapen. Ieder mens, ieder dier, elke plant, elke steen, elk mineraal, al het water, ieder hemellichaam, iedere geest en wat er verder nog bestaat, heeft odkracht. Het is niet iets stoffelijks, maar iets geestelijks en steeds met een geest verbonden. Het is de levenskracht van de geest. De geest is daarom steeds de drager van de odkracht. Waar leven is, is dus od, en waar od is, is een geest. Daar nu de odkracht in en om alles is, wat God heeft geschapen, en steeds met de geest is verbonden, volgt daaruit, dat al het geschapene een geest bezit.’
‘Dat klinkt u ongelooflijk in de oren, en toch is het de waarheid.’
`Is een geest met een stoffelijk lichaam verbonden, dan bezit hij allereerst de odkracht, die voor zijn eigen bestaan als geest nodig is, en daarbij een passende overmaat aan odkracht, om het leven de opbouw en de werkzaamheid van het aardse lichaam mogelijk te maken. Zo heeft immers ook, om een onvolmaakte aardse vergelijking te gebruiken, een locomotief een bepaalde hoeveelheid stoom nodig om zich te kunnen voortbewegen en een voldoende hoeveelheid meer aan stoom om de aan- gekoppelde wagens mee te trekken. De aan uw geest aangekoppelde wagen is het lichaam. Daarvoor heeft dus uw geest een extra hoeveelheid odkracht nodig.
‘Het voor het lichaam bestemde od verschilt echter van dat van de geest. Want alles wat op de stof moet inwerken, moet tot op zekere hoogte gelijksoortig aan de materie zijn en aan deze worden aangepast. Daarom is het od van de aardse lichamen niet zo geestelijk als dat van de geesten zelf, die zich in deze lichamen bevinden.’
‘Het lichamelijke od komt overeen met uw aardse krachtstromen. Deze zijn noch zuiver stoffelijk, noch zuiver geestelijk. Het wezenlijke ervan is u niet bekend, hoewel u toch hun werking dagelijks gewaar wordt.’
‘Voor de aardse krachtstromen hebt u stoffelijke geleidingsdraden nodig om de stroom op doelmatige wijze te laten werken. U hebt machines en installaties van verschillende soort, wier bedrijf een bepaalde stroomsterkte vereist. Is de krachtstroom te sterk, dan worden die inrichtingen vernield; is deze te zwak, dan komt het bedrijf stil te staan.’
‘Zo wordt ook de odstroom bij alle lichamelijke wezens via een leiding door het gehele lichaam met al zijn wonderlijke onderdelen, die u organen noemt in de daarvoor benodigde sterkte gevoerd. Werkt de stroom te sterk op een orgaan, dan treedt er stoornis op; is deze te zwak, dan werkt het orgaan niet meer.’
‘Het leidingstelsel voor de odkracht zijn de bloedvaten; wordt het vernield, zodat het bloed verloren gaat, of door ontbinding vernietigd, dan houdt ook de odstroom op; juist zoals bij uw krachtstroom de stroom ophoudt, wanneer de draden door invloeden van buitenaf of door slijtage worden beschadigd.’
‘Daar het bloed de geleider van het od is en daardoor het lichamelijke leven zonder bloed niet mogelijk is, wordt in de bijbel het bloed de “ziel” van het leven genoemd.’
‘Het bloed is de ziel van het leven’ (Deut.12:23).
‘Het lichamelijke od wordt niet door de geest van het betreffende lichaam voortgebracht, maar uit de voedingsstoffen verkregen, die het lichaam in zich opneemt.’
‘Opdat je de verdere lessen over de odkracht zult begrijpen moet ik je over het wezen van de materie onderrichten.’
`Heb je er wel eens over nagedacht, hoe het lichaam van levende wezens zich vormt? Beschouw je eigen lichaam en zijn groei! Werd je lichaam misschien gevormd, doordat gereed zijnde stof eraan werd toegevoegd, zoals een huis ontstaat, doordat steen op steen wordt gelegd? Je zult vanzelf wel inzien, dat je lichaam niet op deze wijze is ontstaan. Het lichaam is niets anders dan tot materie verdicht od. Dit geldt voor elk lichaam, niet alleen voor dat van de mensen, maar ook voor dat van de dieren, planten en mineralen. Hun groei en stoffelijk ontstaan is onderworpen aan dezelfde wetten van de odverdichting.’
‘Het od van de afzonderlijke stoffelijke wezens vertegenwoordigt een door wonderlijke, u onbekende, wetten tot stand gebracht mengsel van de meest verschillende odkrachten en odsoorten. Bij de mensen is de od-menging een andere dan bij dieren, en bij dieren weer anders dan bij planten en bij planten anders dan bij mineralen.’
‘Dit verschil in odmenging bestaat echter niet alleen tussen de verschillende trappen in de natuur, maar ook tussen de individuele wezens in dezelfde groep. Zo is het odmengsel bij de afzonderlijke mensenrassen verschillend. De neger heeft een andere odmenging dan de blanke of de indiaan. Ook de mensen, die tot het blanke ras behoren, hebben niet allen dezelfde odmenging. Evenzo is het gesteld met de andere rassen. Iedere afzonderlijke mens heeft zijn eigenaardige odmenging. Er zijn dus geen twee mensen met precies hetzelfde od. Dat geldt op dezelfde wijze voor dieren, planten en mineralen.’
‘Daar nu de opbouw van het lichaam van een levend wezen bestaat uit de verdichting van het odmengsel dat eigen is aan dat wezen, heeft ieder lichaam zijn bijzondere stoffelijke eigenaardigheid. Vlees, beenderen, nagels, haar en alle andere tot het lichaam behorende delen, hebben bij ieder levend wezen hun bijzondere geaardheid. Deze berust op de odmenging, die bij het afzonderlijke wezen is te vinden.’
‘Het is voor u een groot natuurgeheim, hoe het mogelijk is, dat het vergeestelijkte en daardoor voor uw ogen onzichtbare od zich tot vaste stof kan verdichten. Dat het mogelijk is, leert u de dagelijkse ervaring, want u ziet dat uw lichaam niet groeit, doordat klaargemaakte stof eraan wordt gehecht. U weet, dat de eikel niet tot een eikeboom uitgroeit, doordat er steeds maar eikenhout aan toe wordt gevoegd, maar dat de groei een zich in het binnenste van het levende wezen voltrekkend proces is. U weet verder, dat het tot u genomen voedsel niet inwendig aan uw lichaam wordt toegevoegd en zich op deze wijze de groei van uw lichaam voltrekt, maar dat een u onbekend iets in alle delen en deeltjes van het gehele lichaam stroomt, zich daar tot vlees, beenderen, haar, nagels en verdere substanties verdicht en door deze verdichting tot materie wordt.’
‘Dit u onbekende iets, is het “od”.’
‘Vanwaar komt nu dit od, dat zo noodzakelijk is voor de opbouw en het in stand houden van het lichaam van alle levende wezens? Dat kun je zelf vinden als je erover nadenkt wat voor je lichamelijke bestaan noodzakelijk is. Je hebt lucht, water en voedsel nodig. Maar niet alles, wat in de lucht, het water en het voedsel aanwezig is, kan je lichaam gebruiken. Bovendien kan het niet naar de afzonderlijke delen van je lichaam worden gevoerd in de toestand, waarin het in de lucht, in het water en in het voedsel aanwezig is; namelijk niet in stoffelijke toestand. Want ook de lucht is stof. Het moet eerst in een vergeestelijkte vorm worden gebracht en als “od” naar de kleine en kleinste deeltjes van het lichaam worden geleid.’
`De omzetting van de stoffelijke voedingsmiddelen in “od” geschiedt door oplossing, welke plaats vindt in uw lichaam gedurende het verteringsproces.’
`De lucht die u inademt, vertoont een stoffelijke odmenging. Daaruit lossen uw longen slechts die oddelen op, die uw lichaam nodig heeft. De onbruikbare delen worden door de ademhaling afgescheiden.’
‘Het water heeft eveneens een bijzonder odmengsel. Het od van het water hebben de mensen, dieren en planten het meeste nodig. Want het menselijke, dierlijke en plantaardige lichaam is voor het grootste deel een verdichting van aan het water onttrokken od. Daarom is ook het water-od in rijke hoeveelheid aanwezig in de aan de dieren- en plantenwereld onttrokken voedingsmiddelen, zodat u bij het gebruik van deze voedingsmiddelen in de meeste gevallen ook de benodigde hoeveelheid water-od ontvangt. Omdat het od uit het water zo’n grote rol in het lichaam vervult, kan dit od niet lang worden ontbeerd. Uw honger-kunstenaars kunnen zich wekenlang het vaste voedsel ontzeggen, maar zonder gebruik van water zou de dood spoedig intreden. Om dezelfde reden gaan dieren en planten te gronde, wanneer het hun gedurende lange tijd aan water-od ontbreekt.’
`Nu begrijp je ook, dat de kwelling door dorst de grootste is, die een levend wezen kan ondervinden; zij veroorzaakt de smartelijkste doodsstrijd.’
‘Het od uit de lucht wordt niet zozeer voor de opbouw van het lichaam gebruikt, maar in hoofdzaak ter opwekking van de verschillende kracht- stromen, waardoor het verteren van het voedsel, het oplossen in od, de vermenging van de verschillende odsoorten en tenslotte hun verdichting tot lichamelijke materie wordt bewerkt. Alle oplossingen ontstaan door hete, en alle verdichtingen door koude odstromingen. Daarom kunt u slechts enkele ogenblikken zonder het od uit de lucht leven. Want als dit ontbreekt houdt alle andere odwerking vanzelf op.’
`Er blijft nu nog de vraag te beantwoorden, vanwaar dan het in de lucht, het water en het voedsel aanwezige od komt.’
‘Het komt uit de aarde. De aarde heeft als wereldlichaam een odmengsel en odstraling, die alle odsoorten bevat, welke voor de op haar levende wezens nodig zijn. Het od van de aarde is samengesteld uit het od, dat zij zelf als wereldlichaam bezit. Bovendien neemt zij de odstraling van alle wereldlichamen, die zich binnen het bereik van de aarde bevinden, in haar eigen odmenging op. Ieder van deze wereldlichamen heeft een eigen en bijzonder od, dat bij geen van de andere wereldlichamen in deze soort en menging is te vinden.
Afhankelijk van de plaats van die hemellichamen ten opzichte van de aarde is ook de odstraling naar de aarde nu eens sterker, dan weer zwakker. Daar de plaats van de hemellichamen ten opzichte van elkander elke seconde wisselt, veranderen in dezelfde mate ook de odstralingen, welke die hemellichamen naar de aarde uitzenden.’
`De vermenging van het od van uw aarde met het od van de haar omringende hemellichamen is van het grootste belang voor het leven en de groei op uw aarde.’
`Je moet verder bedenken, dat elke odsoort ook een krachtwerking van geheel eigen aard bezit. In dezelfde mate, waarin op het ogenblik van de geboorte het lichamelijke od van de pasgeborene onder invloed van een eenzijdig sterke odwerking van een of meer hemellichamen staat, in dezelfde mate wordt de odmenging van de pasgeborene beïnvloed. Deze is toch op het ogenblik van de geboorte in zekere mate nog tamelijk neutraal en wordt nu door de erop inwerkende odstraling en odmenging in een bepaalde richting voor altijd vastgelegd.’
`Als je in een glas een mengsel moet bereiden en je giet er van een bepaalde stof een grote hoeveelheid bij, dan kun je er van de andere stoffen des te minder bij mengen. Het gehele mengsel draagt dan in kleur, reuk, smaak en overige uiterlijke kenmerken het karakter van de stof, die je in bijzonder grote hoeveelheid in het glas hebt gedaan. Je kunt ook de hoeveelheid van het bestanddeel waarvan je te, veel hebt genomen achteraf niet meer verminderen of door bijvoeging van grotere hoeveelheden van andere bestanddelen verdunnen, want het glas kan niet meer dan geheel worden gevuld.’
‘Zo is het ook met het odmengsel van de pasgeborene. De totale hoe- veelheid od is bepaald en kan niet worden vergroot. Vormt nu een bepaalde odsoort het hoofdbestanddeel van het totale od, dan zal deze voor de vorming en de groei van de pasgeborene voor altijd maatgevend blijven. En daar de afzonderlijke odsoorten ook geheel eigen-geaarde levensenergieën ontwikkelen, zal de aard van het hoofdbestanddeel aan od aan de pasgeborene naast een bijzondere vorm van zijn lichaam, ook een hem kenmerkend eigen karakter in zijn handelingen geven.’
‘Het is daarom geen bijgeloof en ook geen fantasie, dat men uit het tijdstip van de geboorte de lichamelijke eigenschappen en het karakter van een mens kan bepalen. De invloed van de odwerking van de hemellichamen op uw aards bestaan, uw levenskrachten, karakter en temperament is veel groter dan u denkt. U zegt immers zelf: ‘Hij is onder een gelukkig of ongelukkig gesternte geboren.’ Daarmee moet de werking worden uitgedrukt, die de odstraling van een hemellichaam op de levende wezens bij hun geboorte uitoefent.’
‘Dit alles staat in verband met de grote vragen van het mensenlot, zodat ik er niet geheel stilzwijgend aan voorbij kon gaan.’
`Alle lichamen van aardse wezens zijn dus verdicht od, dat van de odstraling van de aarde en van de haar omringende hemellichamen komt.’
‘Het oplossings- en verdichtingsproces kunt u zich door een voorbeeld uit de natuur duidelijk maken.’
`Je weet, dat onder invloed van de warmte een voor uw ogen meestal niet zichtbare verdamping van de vochtigheid van de aardbodem en van de wateren plaats heeft. Op een zekere hoogte boven de aarde verdicht zich de tot zover onzichtbare damp eerst tot een fijne nauwelijks zichtbare sluier. Een verdere verdichting toont u de fijne sluier als wolk. Deze wordt onder invloed van de koude steeds dichter en valt eindelijk onder een nog grotere verdichting als water of sneeuw op de aarde. Wordt het water door een lagere temperatuur verder verdicht, dan wordt het ijs en vormt het een vaste stof. Hier heb je de trapsgewijze verdichting van een voor uw ogen niet zichtbare, als het ware vergeestelijkte stof, tot een vaste materie, welke u niet alleen kunt zien en met uw handen kunt grijpen, maar die ook een groot weerstandsvermogen heeft. Zo is dus het ijsdek van uw beken, vijvers en rivieren verdicht water en van dezelfde soort als het betreffende water zelf en vertoont het ook diens eigenaardigheden. Het water is weer verdichte damp.’
‘Zoals de damp dus van de aarde opstijgt en allengs tot een vaste materie wordt in de vorm van ijs, weer in water en daarna in damp verandert, zo gaat het ook met alle aardse lichamen. Zij ontstaan uit het voor uw ogen onzichtbare od van de aarde, dat zich tijdens het groeiproces tot materie verdicht en na de aardse dood van de levende wezens weer tot het od van de aarde terugkeert. Voor alle aardse wezens geldt daarom het woord: ‘Uit de aarde zijt gij ontstaan en tot de aarde keert gij weder.’ Dit is de bestendige kringloop tot op de dag, waarop alle materie tenslotte tot od wordt opgelost en niet meer tot stoffelijke lichamen wordt verdicht. – Maar daarover zal ik je later nog veel te vertellen hebben.’
‘Hieruit kun je afleiden, dat bij elk aards wezen drie vormen van od onderscheiden kunnen worden: Het od van de geest, die in de wezens is belichaamd, – het wat meer verdichte, maar voor het menselijk oog niet zichtbare od als lichamelijke levenskracht – en het tot vaste stof geworden od, dat u lichaam noemt.’
‘Het od als levenskracht van het lichaam blijft, zoals je reeds weet, steeds met het od van de geest en daardoor met de geest zelf verbonden. Het is de lichamelijke beweegkracht (bedrijfsstof) in de hand van de geest, zoals op aarde de elektrische stroom de beweegkracht in de hand van de machinist is. Wordt nu deze lichamelijke bedrijfsstof zo verminderd, dat zij voor de levensvatbaarheid van het lichaam niet meer toereikend is, dan scheidt de geest zich van het lichaam en treedt de aardse dood in. Zo laat de machinist de machine in de steek, die hij uit gebrek aan stroom niet meer in bedrijf kan houden.’
‘Sterven de aardse lichamen, dan blijft de odkracht bij de geest. Want de aardse lichamen hebben geen zelfstandige odkracht, doch slechts de geesten, die van hen bezit hebben genomen.’
`De geest kan echter met zijn eigen odkracht het door ziekte verzwakte od van zijn lichaam, door zijn wilskracht versterken, de slecht werkende lichamelijke organen tot verhoogde werkzaamheid aanzetten en daardoor de schadelijke bestanddelen uit het lichaam verwijderen. Daarbij moet het verzwakte lichaam vanzelfsprekend de opname van schadelijke spijzen vermijden en door gezonde voedingsmiddelen de werking van het geestelijke od bevorderen. De geest werkt in dit geval, om mij nogmaals van een materiële vergelijking te bedienen, met zijn eigen odkracht als een sterke drukpomp op het lichamelijke od en de odstroomleiding, namelijk het bloed.’
‘Hoe groot de versterking kan zijn, die de geest van een mens door zijn eigen odkracht als gevolg van de inspanning van zijn wil aan het od van zijn lichaam toevoert, kunt u uit talrijke voorvallen zien. Vaak krijgen verlamden, wie een groot gevaar dreigt, door de op redding gerichte wilsenergie van de geest zulk een versterking van de lichamelijke odkracht, dat de verlamming wijkt en de ledematen, althans voor korte tijd, weer te gebruiken zijn.
‘Dezelfde uitwerking heeft ook de tot het hoogst opgevoerde hoop op herstel. Zij is eveneens een handeling van de wil en brengt door de daarmee gepaard gaande versterking van de lichamelijke odkracht menige plotselinge genezing tot stand, die u als een wonder beschouwt.’
‘Wilskracht, welke in moed, hoop, vertrouwen en blijmoedigheid tot uitdrukking komt, is daardoor het beste geneesmiddel. Zij is echter ook de beste bescherming tegen besmettelijke ziekten. Het daardoor versterkte od van het lichaam vormt in zekere zin een muur van bescherming, die het indringen van ziektekiemen tegenhoudt. Hoe krachtiger de wilskracht is, des te sterker is ook dit onzichtbare pantser.’
‘Zwakte van de wil, moedeloosheid, angst en wanhoop van de geest bewerken het tegendeel. Zij werken als een zuigpomp, die het od van het lichaam, benevens het bloed uit het lichaam naar binnen trekt, de lichaamskracht verzwakt en de weg voor besmettingen openstelt.’
‘Zoals de geest het door ziekte verminderde od van zijn lichaam kan versterken, is zulk een versterking ook mogelijk door de overdraging van de odkracht van een gezond mens op een zieke. Een dergelijke odoverdraging noemt u “magnetiseren”.’
‘Elk levend wezen kan od op een ander overbrengen. Niet alleen van mensen op mensen, maar ook van mensen op dieren, planten en mineralen. U kunt planten door het overbrengen van uw eigen od tot snellere groei brengen. U kunt water, olie en dergelijke dingen magnetiseren, ze in zekere zin met uw od drenken en zodoende de zieken, die dit water drinken of met de olie worden ingewreven, een spoediger genezing bezorgen.’
`De mens kan ook het od van dieren, planten en mineralen tot eigen genezing gebruiken. Op deze wederzijdse odkracht berusten de wetten van de geneeskracht in God’s schepping. Zo stroomt ook uit de huid van verscheidene levende dieren een bepaald od, dat genezend werkt. Van veel planten is de genezende kracht algemeen bekend. Helaas kent u tegenwoordig de geneeskracht van bepaalde planten voor de verschillende ziekten niet meer zo goed als de vroegere volkeren. Ditzelfde geldt voor de mineralen. Dat Iedere edelsteen een hem eigen odkracht bezit, beschouwen de meesten als bijgeloof. En toch is juist het od van de edelstenen van een bijzondere zuiverheid en kracht en versterkt het od van degene, die de edelsteen draagt. Daarbij moet echter voorop worden gesteld, dat de mens die edelsteen kiest, die bij zijn eigen od past en die geen odkrachten bevat, die zijn eigen odstraling tegenwerken. U hebt toch boeken, die u erover kunnen inlichten, welke edelsteen volgens de geboortetijd voor iedere mens in aanmerking komt.’
‘Zeer belangrijk op het gebied van de genezing is de odoverdracht van mens op mens.’
`Een ziek kind voelt zich spoedig beter, zodra de gezonde moeder het tegen haar lichaam aanvleit. Daardoor draagt zij van haar eigen gezonde od over op het zieke kind en versterkt het door ziekte verzwakte od van het kind. – Een gezond mens, dat met zieke of oude mensen tezamen slaapt, deelt hun van zijn odkracht mede. De zieke of oude bedgenoten worden daardoor gesterkt, terwijl de gezonde door het gestadig afgeven van het od steeds zwakker wordt. Daardoor krijgen gezonden, die gedurende langere tijd met zieke of oude mensen tezamen slapen, door de verzwakking van hun eigen odkracht een ziekelijk voorkomen. Dit is de reden, waarom men kinderen niet met oude mensen samen in hetzelfde bed moet laten slapen.’
‘Het od doorstroomt het aardse lichaam in al zijn delen en straalt nog een stuk daarbuiten uit. De daardoor ontstane omstraling van het aardse lichaam duidt uw wetenschap aan met de naam “aura”. Al het geschapene heeft deze od-aura, ook de grote hemellichamen. Wat u aantrekkingskracht van de aarde noemt is de kracht van de odstraling, waarvan de werkingssfeer in een bepaalde verhouding tot de grootte van de aardbol staat. Hetzelfde geldt voor alle andere hemellichamen. In het ganse heelal is geen punt, dat niet door de odstraling van een of ander hemellichaam wordt getroffen.’
`De od-aura omstraalt het stoffelijke lichaam op gelijke afstand van ieder deeltje van het lichaam. Tengevolge hiervan heeft de “aura” ook de gestalte van het lichaam, waartoe zij behoort en dat zij omgeeft. Men spreekt daarom ook van het odlichaam of het “astrale lichaam” of het “fluïdelichaam” van de stoffelijke wezens in tegenstelling tot het stoffelijke lichaam. Het is wat de bijbel het “geestelijke lichaam” noemt. Het is voor uw lichamelijke oog onzichtbaar. Maar zogenaamde “helderzienden”, die over de gave van het geestelijke zien beschikken, kunnen de odstraling of het odlichaam zien.’
`De bron van het leven is de geest. Maar de uiting en het doel van het leven worden bepaald door de met de geest verbonden odkracht, die daarom ook levenskracht wordt genoemd. Deze kracht uit zich door trillingen van het od. Iedere uiting van het geestelijke leven, elke uiting van het leven in de u omringende natuur, alle natuurkrachten zijn odtrillingen. Elk denken en willen uit zich in overeenkomstige odtrillingen, die door de geest als drager van het od worden voortgebracht. Ieder lichamelijk gevoel, elke gewaarwording van de geest wordt veroorzaakt door odtrillingen. Alle tonen, kleuren, reuk, smaak- en tastgevoel ontstaan door bepaalde odtrillingen. In de geestelijke wereld zijn het de trillingen van het zuiver geestelijke od. In de materiële schepping zijn het de trillingen van het meer of minder verdichte od.’
`Alles wat u aan aardse verschijnselen vóór u ziet, al het groeien, bloeien en rijpen, alle krachtstromen en stralingen, elektriciteit, radio, ethergolven, licht en duisternis, alle trapsgewijze opeenvolgingen van tonen, kleuren, reuk, smaak- en tastzin, alle krachtstromen van het heelal, de aantrekkingskracht van de hemellichamen en hun bewegingen in de wereldruimten – alles berust op deze odtrillingen. Een denker uit de oudheid heeft gezegd : “Alles is in een toestand van vloeien.” Hij had moeten zeggen : “Alles is in een toestand van trillingen.” Aan de trillingen van het ganse heelal doorstromende en ieder deeltje doordringende odkracht ligt het grote Goddelijke geheim van de getallen ten grondslag. U kleine mensen zult nimmer dit geheim doorgronden. U zoekt naar het eenheidsgetal in het wereldgebeuren, maar u zult het niet vinden. Weliswaar hebt u reeds menige waarheid ontdekt betreffende dit geheim der getallen. U kent het aantal trillingen van de aparte, u bekende tonen. U tracht ook uit te vorsen, wat de getallen zijn van de odtrillingen, die aan de kleuren ten grondslag liggen. Maar wat beduidt dit alles tegenover de oneindige zee van waarheden, welke voor u is verborgen? U kunt de zeven zegels van Gods schepping niet verbreken. U kunt slechts verwonderd en in aanbidding uw hoofd buigen voor de wijsheid en almacht van de Allerhoogste.’
`Laat ons nu uit het weinige, dat ik u over de odtrillingen heb mede- gedeeld, enige voor ons doel belangrijke gevolgtrekkingen maken.’
`Allereerst zal het duidelijk zijn, dat harmonie van deze odtrillingen schoonheid, gezondheid, vreugde en geluk betekent; dat echter disharmonie van de trillingen de oorzaak moet zijn van lelijkheid, ziekte, pijn en ongelukkig zijn. Zoals disharmonie van de tonen en kleuren uw geestelijke gevoel kwelt en in zekere zin pijn doet, kwelt ook disharmonie van de geschapen geest ten opzichte van zijn Schepper hetzelfde op geestelijk gebied. Want deze disharmonie uit zich in daarmee overeenstemmende trillingen van het geestelijke od. Zij veroorzaakt een geestelijke lelijkheid, een geestelijk ziek-zijn, een geestelijke onvrede, een geestelijk zich ongelukkig voelen. – Kortom, een geestelijke smart, die groeit naarmate de disharmonie van de geest tegenover God toeneemt. De uiterste grens van disharmonie, namelijk de volkomen afwijzende gesteldheid van de geschapen geest ten opzichte van zijn Schepper, betekent daardoor ook de hoogste graad van geestelijke smart en ongeluk; – het is wat u de hel noemt. En daar de grootste disharmonie van de geestelijke odtrillingen ook de grootste tegenstelling tot schoonheid en licht betekent, die immers de grootste harmonie als voorwaarde hebben moet de hel een toestand van de grootste lelijkheid van het geestelijke odlichaam en van de dieptste duisternis zijn. Dit zijn op eeuwige wetten berustende noodzakelijkheden. Niet God werpt u in de hel, maar uw disharmonie met al het schone en goede, met al het geestelijk gezonde en reine, met licht en leven. Daarom is de hel de geestelijke dood, waarin diegene zich stort, van wie het geestelijk zijn zich in de grootste disharmonie bevindt met het goddelijke zijn. Disharmonie van de geestelijke odtrillingen stuurt de vlucht van de geest omlaag, harmonie stuurt hem omhoog. Uitbanning van disharmonie uit het geestelijke zijn is de levenstaak van een schepsel.’
‘Toch worden de odtrillingen van een levend wezen niet alleen door de gedachten en stemmingen van de eigen geest beïnvloed, maar tevens door de odtrillingen van een ander wezen, waarvan het de odstraling in zich opneemt. Als daarom zogenaamd heldervoelende mensen op de een of andere wijze met de odstraling van een ander in nauwe aanraking komen, nemen zij ook diens gevoelens in zich op. Op deze wet berust het “zich-één-voelen” in ontvankelijkheid, karakter, manier van denken en het lot van een ander.’
`Alle odtrillingen van een levend wezen laten in het eigen odlichaam gelijksoortige indrukken achter als de trillingen van de tonen van een lied op een grammofoonplaat, zodat zij later steeds weer ten gehore kunnen worden gebracht en niet slechts als diezelfde tonen, maar ook met dezelfde gevoelsuitdrukking, die de zanger in het gezongen lied heeft gelegd.
Daarop berust ook het herinneringsvermogen. Hoe dieper de indrukken waren op de odplaat, des te gemakkelijker kunnen zij weer te voorschijn worden geroepen.’
‘Hetzelfde proces, dat zich bij de grammofoonplaat in materiële vorm voltrekt, is in geestelijke zin ook aanwezig bij het achteraf beleven van gebeurtenissen door helderaanvoelende personen, zodra zij met de geestelijke odplaat van iemand anders in voldoend sterke verbinding komen. Daardoor worden in hun eigen od dezelfde trillingen en als gevolg daarvan ook dezelfde gewaarwordingen opgewekt als in die vreemde odplaat aanwezig zijn.’
`Je weet immers uit het voorafgaande, dat bepaalde trillingen van de odkracht niet alleen een bepaalde toon, maar ook een bepaalde kleur, een bepaalde reuk, een bepaalde smaak en een bepaald tastgevoel voortbrengen. Ook het gevoel van warmte en koude berust op zulke odtrillingen. Er zijn heldervoelenden, die een toon ook als kleur zien en die zelfs kleuren door het tastgevoel kunnen herkennen, doordat zij de verscheidenheid van de kleuren door de verschillen in koude en warmtestralen die van de kleuren uitgaan kunnen aanvoelen. Anderen nemen de geestelijke gevoelens van derden als liefde of haat, welwillendheid of afgunst, van moed of vrees, van trouw of trouweloosheid niet alleen in hun eigen gevoelens waar, maar zelfs in overeenkomstige kleurenbeelden, zodat zij de begrippen van liefde, trouw, droefheid, vreugde, haat of nijd in een kleurenbeeld kunnen schilderen. Dit alles berust op de odtrillingen, die al die gewaarwordingen begeleiden.’
‘Het od is daardoor ook de drager van het lichamelijke gevoel. Als dus het od uit een lichaamsdeel wordt verdrongen, dan verdwijnt daaruit ook het gevoel. De verdringing van het od uit het lichaam of uit lichaamsdelen kan op zeer verschillende manieren gebeuren. Het kan door een beroerte of door inwendige breuken geschieden, die de gang van het bloed als odleider storen. Een kunstmatige verdringing van het od veroorzaken uw artsen door narcotische (verdovende) middelen toe te passen. Ook door overmatig gebruik van alcohol treedt een odverdringing op, die zich in een gedeeltelijke of algehele gevoelloosheid uit. Het gevoel keert terug, zodra het lichaam weer van die stoffen is bevrijd.’
‘Omgekeerd is dat gevoel ook dan nog aanwezig, als het materiële lichaamsdeel zelf is weggenomen. Want het odlichaam van een aards wezen blijft als geheel bestaan, al is ook een lid van het stoffelijke lichaam weggenomen. Bij een mens, die een been heeft verloren, is dus het odbeen nog aanwezig. En daar het od de drager van het gevoel is, voelt hij het na het verlies van het lichamelijke been nog, alsof hij dit niet had verloren. Hij voelt pijn in de knie, in de kuit, de hiel of de tenen van een been, dat hij niet meer heeft. De waarheid van dit feit kan u door allen, die een amputatie hebben ondergaan, worden bevestigd.’
‘Omdat het od na de uittreding van de geest uit het lichaam bij de aardse dood, bij de geest blijft en de drager van het gevoel is, kan de van het lichaam gescheiden geest dezelfde gewaarwordingen hebben als de geest die nog met het stoffelijke lichaam is verbonden. Daardoor zijn de geesten van gestorvenen even gevoelig voor pijn als zij het in hun aardse leven waren.’
‘Geesten van gestorvenen, die door hun levenswandel in een lage (diepe) sfeer komen, menen, dat zij nog als mensen op de aarde leven. Dat heeft de volgende oorzaken. Ten eerste hebben zij nog dezelfde gewaarwordingen, die zij als mensen hadden. Verder zien zij hun lichaam aan voor een stoffelijk lichaam, omdat het in vorm en gestalte volkomen gelijk is aan het aardse lichaam. En tenslotte is de herinnering aan hun aardse dood volkomen verdwenen.’
‘Het od van ieder levend wezen heeft een bepaalde geur.’
‘Daar het od iets geestelijks is wordt ook de geur van het od door het geestelijke waarnemingsvermogen en niet door de lichamelijke reukzin waargenomen. De odgeur is bij ieder levend wezen verschillend. Zoals er geen twee mensen zijn, die precies dezelfde gestalte en dezelfde gelaats- trekken hebben, zo zijn er ook geen twee mensen, die hetzelfde od en dezelfde odgeur bezitten. Omdat iedere geest, ook de lichaamloze, een odlichaam heeft, zo hebben ook de lichaamloze geesten hun eigen odgeur, die des te onaangenamer is, naarmate het geestelijke wezen lager staat. Daarom wordt in de oude boeken bij de mededelingen over het verschijnen van de duivel vermeld, dat hij met een enorme stank komt.’
‘Het od wordt, doordat het in de vorm van de aura buiten het lichaam uitstroomt, ook voor anderen door zijn reuk waarneembaar. Iets van de odgeur van een levend wezen blijft hangen aan alles wat met zijn odstraling in aanraking komt.’
‘Aan de odgeur herkent de hond de voorwerpen en het spoor van zijn meester. De odgeur leidt de daarop afgerichte politiehonden op het spoor van de misdadiger. Alleen wanneer andere sporen met versere odgeur het oorspronkelijke spoor bedekken, wordt een verdere vervolging van het eerste spoor zeer bemoeilijkt of geheel onmogelijk gemaakt.’
`De odstraling van een wezen met de hem eigen odgeur hangt echter niet alleen aan de grondstoffelijke materie, waarmee dat wezen in aanraking kwam, maar ook aan de fijnstoffelijke, zoals bijvoorbeeld aan de ether, waardoor een wezen zijn weg nam.’
‘Zo laat dus al het geschapene een odspoor van zijn bestaan achter, dat de eerste dag van zijn bestaan met zijn laatste levensdag verbindt.’
`Als toelichting kies ik een materieel voorbeeld. Als een wagen met een fijngemalen stof over een weg rijdt en er valt door een kier van de wagen steeds iets van deze stof op de grond, dan kan men door het daardoor gemaakte spoor de weg volgen, die de wagen heeft genomen. Het is als het ware een band, die het uitgangspunt en het eindpunt van de wagen met elkaar verbindt.’
‘Zo’n band wordt bij ieder schepsel op zijn weg door het leven gevormd door het uitgestraalde od. Door deze odband vindt de trekvogel zijn oude verblijfplaats terug en de zwaluw hetzelfde dak, waaronder zij vroeger haar nest heeft gebouwd. Deze dieren hebben een zeer fijn gevoel voor od. U noemt het de ‘geur’ van het dier. Toch is deze ‘geur’ slechts zolang aanwezig als het dier gezond is. Bij zieke dieren verdwijnt door verzwakking van de odkracht ook het odgevoel voor het eigen of vreemde spoor. Daardoor vinden zieke trekvogels hun weg niet meer terug, evenals een zieke hond nach het spoor van zijn baas, nòch zijn eigen spoor vindt.’
`Er zijn ook mensen, die een zeer fijn odgevoel hebben, waardoor zij reeds op zekere afstand de odgeur van iemand anders waarnemen en hem als aangenaam (sympathiek) of afstotend (antipathiek) aanvoelen, ofschoon zij de betreffende mens nog niet hebben gezien of hoe dan ook hebben leren kennen. De genegenheid of afkeer “op het eerste gezicht” is de uitwerking van het wederzijds odaanvoelen. Vandaar dan ook de volksuitdrukking: “Zij kunnen elkaar niet luchten.”‘
‘Het od behoort tot het wonderbaarlijkste in de schepping God’s. Door de od-band blijft u niet alleen met alles verbonden, waarmee u in uw bestaan in aanraking komt, maar het weerspiegelt ook uw gehele bestaan als een film: Al uw belevenissen, al uw daden, al het gesprokene en gedachte. Het is het “Boek des levens”, waarin alles is opgeschreven. Het is de fotografische plaat, die alles vasthoudt en weergeeft. Deze film liegt niet, u kunt het niet loochenen. Naar deze film zult u eens door uw schepper worden beoordeeld.’
`In het od is voor ieder aards wezen ook het voor hem vooruitbepaalde “lot” van de aanvang af vastgelegd, en het is zowel in het gehele odlichaam als in elk afzonderlijk deeltje van het od zichtbaar. Het levenslot is daardoor ook in de oddeeltjes te zien, die zich als uitstraling in alles bevinden, waarmee het wezen in aanraking komt.’
‘Het is niet alles lotsbeschikking, wat u in uw leven doet of ondergaat. Het meeste is het gevolg van de zelfbepaling door uw vrije wil. Vooraf bepaald is slechts uw levensweg in zekere hoofdpunten van het lot. Wat u daarop doet en hoe u zich gedraagt op die punten, is de zaak van uw eigen wilsbeschikking. Daarvoor draagt uzelf de verantwoordelijkheid. Uw leven heeft tot enig doel, dat uw geest op de hem aangegeven weg hoger komt, nader tot God. Uw levensweg is een examen-weg. Deze is u naar aard en duur vooruit bepaald. Daaraan kunt u niets veranderen. De hoofdpunten op die weg zijn tussentijdse beproevingen; de aardse dood is de afsluiting. Of u nu op de voorgeschreven weg uw plicht doet of niet, dat bangt alles af van uw vrije wil. Wie het examen goed heeft afgelegd, diens geest zal aan “gene zijde” verder voortschrijden tot het einddoel, de hereniging met God. Wie zakt moet het examen zo vaak overdoen tot hij slaagt. Het slagen of zakken is geen voorbeschikking, maar eigen verdienste of eigen schuld.’
`De christelijke godsdiensten erkennen deze waarheid niet. Zij weten niet, dat de Schepper werkt als een bouwmeester, die eerst een bouwplan tekent, volgens hetwelk het bouwwerk moet worden uitgevoerd. Dit plan bevat niet iedere bijzonderheid van het inwendige van het bouwwerk en de daarvoor te gebruiken materialen, maar slechts het ontwerp van de buitenkant.’
‘Zo heeft ook God van de levensstruktuur van ieder mens de hoofdlijnen vastgelegd, waarlangs het leven zich uiterlijk voltrekt. De innerlijke afwerking laat hij over aan de vrije beslissing van de mens.’
`De bijbel wijst u zeer vaak op de voorafbepaling van het lot van de mens. “De mens kent niet eens de voor hem bepaalde tijd” (Prediker 9:12). “Al deze dagen, die vooruit bepaald waren, stonden in uw boek geschreven, toen geen van u er was” (Psalm 139:16). En in het boek van de Prediker staat verder: “Alles wat geschiedt, is reeds lang vooruit bepaald en van te voren staat vast, hoe het een mens zal gaan ; en niemand mag Hem ter verantwoording roepen die sterker is dan hij. Wel wordt er veel over geredeneerd, maar dat is nutteloos. Want wie weet, wat voor de mens in zijn leven goed is?” (Prediker 6:10-12). “In uw hand zijn mijn lotgevallen” (Psalm 31:15). De profeet Jeremia spreekt de woorden: “Ik weet, Heer, dat de mens zijn lot niet in zijn eigen hand heeft, en dat hij bij het gaan zijn schreden niet vast zal kunnen richten” (Jerem. 10:23). “Snel nadert het noodlot, dat voor hen is vastgesteld” (Deut. 32:35).’
‘Geboorte en dood en de daartussen liggende levensduur zijn voor- beschikt en daaraan kan de mens niets veranderen. Niemand, ook geen arts, kan daardoor het leven van een mens redden. Een ieder sterft op het voor hem vastgestelde ogenblik : “Evenmin heeft iemand heerschappij over de dag van zijn dood” (Pred. 8:8). – Christus bevestigt deze waarheid met de woorden: “Wie van u vermag met al zijn zorgen, aan de lengte van zijn levenstijd ook maar een spanne toe te voegen?” (Math. 6:27). Tot Mozes sprak de Heer: “Zie, de tijd is nabij, dat je moet sterven” (Deut. 31:14).’
‘Evenals de aardse bouwmeester achteraf veranderingen in zijn bouwplan kan aanbrengen, is het niet uitgesloten, dat ook God bij uitzondering een verandering in het levenslot van een bepaald mens aanbrengt. Hij alleen is in staat, de levensduur te verlengen of te verkorten. Zoals u uit de bijbel bekend is, verlengt Hij soms de leeftijd van hem, die trouw is aan God en zich een betrouwbaar medewerker toont aan God’s reddingsplan waarmee Hij de van Hem afgevallenen weer terug wil voeren. Daarom laat Hij aan Hiskia zeggen : “Ik zal nog vijftien jaar aan uw dagen toevoegen” (2 Koningen 20:6). Bij anderen verkort Hij de volgens het lot vastgestelde levensduur, daar zij zowel hun eigen levensopgaaf niet volbrengen, maar ook hun medemensen van de plichtsvervulling tegenover God trachten af te brengen. “De mannen van de bloedschuld en het bedrog zullen hun leven niet tot op de helft brengen” (Psalm 55:23). Onder “bloedschuld” verstaat de bijbel niet het aardse bloedvergieten, maar het doden van de geest van de medemens door verleiding tot afval van God. “De vreze des Heren verlengt de levensdagen, maar de jaren dergoddelozen worden verkort” (Spreuken 10:27). -Tot Hananja laat God door Jeremia zeggen: “Nog dit jaar moet je sterven, omdat je tot ongehoorzaamheid tegen de Heer hebt aangespoord” (Jeremia 28:16). – “Door het bloed, dat je hebt vergoten (door verleiding tot afval van God) heb je jezelf met schuld beladen en door de afgoden, die je hebt gemaakt, ben je onrein geworden, heb je de dagen van het gericht doen naderen en ben je tot het einde van je dagen gekomen” (Ezechiel 22:4).’
‘Ook het lot van de verschillende volkeren is bepaald.’
`U begrijpt dit allemaal niet, daar u niet het juiste besef hebt van de oorzaken en het doel van het grote wereldgebeuren. U kent voor alles het doel van de materiële schepping niet en weet niet in welk verband de belichaamde geest met God’s schepping staat.’
‘Daar zal ik later nog dieper op ingaan.’
`Deze les over het vraagstuk der voorbeschikking heb ik ingelast, omdat dit in verband met de odkracht moest worden behandeld, daar je anders wat ik te zeggen heb over het “helderzien” met betrekking tot het od niet zoudt kunnen begrijpen.’
“`Helderzienden” zijn wezens (mensen of dieren), van wie de geest zich zover van het lichaam kan losmaken, dat hun zien gelijk is aan dat van de van het stoflichaam gescheiden geesten van gene zijde.’ .
‘Een volledig ontwikkelde “helderziende” kan onder bepaalde omstan- digheden ook het levenslot van iemand anders zien, dat in zijn od is uitgedrukt. Uit het verleden ziet hij alles, wat zich in het leven van de ander, wiens od hij ziet, heeft afgespeeld, zowel dat wat als lotsbeschikking in diens leven ligt besloten, als wat aan feitelijk gebeuren door zijn vrije wilsbeslissing reeds is verwezenlijkt. Van de toekomst ziet hij echter slechts het door het lot vooruitbepaalde, maar niet wat van de vrije wil van de mensen afhangt.’
`De wijze waarop een mens sterft, kan een helderziende slechts dàn vooraf zien, als dit door het lot is vastgesteld. Want niet bij allen is de wijze van sterven vooruit bepaald, zoals in het algemeen dat bij de een voorbeschikking kan zijn en bij de ander van de vrije wil van de mens afhangt. Slechts het uur van de dood is bij allen voorbeschikking.’
`Om het “helderzien” op dit gebied mogelijk te maken, moet de “hel- derziende” op de een of andere wijze met het od in verbinding komen van hem, om wiens lot het gaat. Òf hij moet die persoon zelf vóór zich hebben en zijn odstraling op zich laten inwerken, óf hij moet met een voorwerp in aanraking komen, dat aan die persoon toebehoorde, en waaraan daardoor iets van zijn odstraling hangt.’
‘Op deze odwerking berust ook de macht van de helderziende om gesloten brieven te lezen of voorwerpen te onderscheiden, die hij met zijn lichamelijke ogen niet kan waarnemen. Hoe krachtiger de uitstralende odwerking van het betreffende voorwerp is, des te duidelijker is zijn waarneming.’
‘Kan de geest van de helderziende zich volkomen van zijn lichaam losmaken en daaruit treden, dan is hij ook in staat om het odspoor van iemand anders te volgen en vast te stellen, waar deze zich op dat ogenblik bevindt.’
‘Maar niet alle helderziendheid is het gevolg van odstraling. Zeer veel feiten, die op een afstand van de helderziende plaats hebben, worden door hem op het ogenblik van het gebeuren waargenomen, doordat zijn uit het lichaam uitgetreden geest bij de gebeurtenis zelf aanwezig is, òf doordat hem, zonder dat zijn geest uittreedt, vanuit de geestenwereld het gebeurde door “helderhoren” wordt medegedeeld, òf in een beeld langs de weg van “helderziendheid” wordt getoond.’
`De toekomstige lotgevallen van individuële personen, van wie de od- straling niet met de helderziende in aanraking kwam, alsook de toekomst van hele landen, volkeren, steden en dergelijke gemeenschappen kan een helderziende alleen dán aanschouwen, als zij hem door de geestenwereld in overeenkomstige beelden voor ogen worden getoond. De vorming van zulke beelden, hetzij als getrouwe weergave van het werkelijke geheuren, hetzij in de vorm van “symbolen”, is voor de daarvoor aangewezen geesten niet moeilijk. Het od gebruiken zij als materiaal voor het vormen van het beeld.’
‘Aan de profeten van het Oude Verbond werd het toekomstige lot der volkeren en dergelijke gebeurtenissen meestal getoond in symbolische beelden.’
‘Het od heeft ook kleur. Deze is eveneens bij ieder mens verschillend. Zij gaat van het diepste zwart door billioenen kleurschakeringen heen naar het heerlijkste wit. U mensen kunt zich niet voorstellen, hoe groot de verscheidenheid van kleuren is. Kijk in de herfst eens naar het geel van de bladeren. Onder alle geel geworden bladeren zult u er geen twee vinden, die precies dezelfde kleur geel hebben. Deze verscheidenheid komt voor bij alle kleuren.’

‘Ik heb je reeds herhaaldelijk duidelijk gemaakt, waarin de oorzaak van die grote verscheidenheid in geur en kleur van het od is te zoeken ; namelijk in de geest van de levende wezens. Hoe lager een geest in zijn denken en willen tegenover God staat, des te lelijker is hij als geest. Want ook de geest heeft gestalte. Zo heeft uw menselijke geest de gestalte van het menselijke lichaam, of juister gezegd: Uw menselijke lichaam heeft de gestalte van uw geest, en het dier de gestalte van de dierlijke geest. Het stoffelijke lichaam is namelijk gelijkvormig aan het odlichaam en het odlichaam is volkomen aangepast aan de geest. Met behulp van het od bouwt immers de geest het materiële lichaam op naar zijn eigen beeld en met zijn eigen gedaante.’
‘Uw zogenaamde wetenschapsmensen zullen u zeker uitlachen, wanneer je zegt, dat de in de stof belichaamde geesten de gestalte van hun lichamen hebben. Zij kunnen zich een geest niet als gestalte voorstellen. Zij menen, dat alleen wat stoffelijk is en gebonden aan ruimte en tijd, gestalte kan hebben. Hierin vergissen zij zich zeer. De geesten zijn niet zonder vorm, zoals er in de gehele schepping niets vormloos is. Zij hebben gestalte en vorm en zijn ondanks dat toch niet aan ruimte en tijd gebonden, zoals de stoffelijke gedaanten. – Hoe zouden wij geesten ons onder elkander herkennen, indien wij geen gestalte hadden? Michaël onderscheidt zich toch van Gabriël en Gabriël van Raphaël en andere geesten – om deze bijbelse namen maar te noemen. De waarheid is dus, dat alle geesten een gedaante hebben, te beginnen met God en zijn hoge geesten en zo naar beneden tot de afschuwelijkste wangedrochten der diepte en de in stof gehulde geesten op aarde.’
‘Schoonheid is harmonie en lelijkheid is disharmonie. Dit is een wet, welke voor de gehele schepping geldt. Het mooiste gelaat op een schilderij kan door een onharmonische penseelstreek tot een lelijk gezicht worden bedorven. Zo wordt ook de geest lelijker, vooral in de vorm van zijn gezicht, naarmate zijn instelling tegenover zijn schepper, naar wiens beeld en gelijkenis hij eens werd geschapen disharmonischer is.’
‘Zoals het de geest omringende od dezelfde gedaante ontvangt als de geest zelf heeft, zo heeft het ook deel aan de schoonheid en lelijkheid in kleur en geur. Daarom ervaart u bij de huidige materialisaties van de geesten, dat de oduitstraling van een goede geest een mooi licht afwerpt en bij toenemende verdichting van zijn od een lieflijke geur verspreidt, terwijl het od van de lage geesten in donker is gehuld en altijd een afschuwelijke lucht veroorzaakt. Inderdaad neemt een mens deze geur niet altijd waar, omdat deze slechts in enkele gevallen ook met de lichamelijke reukzin kan worden waargenomen.’
‘Uw geleerden hebben gelegenheid gehad deze feiten te bevestigen.’
`De harmonie of de disharmonie van de geest wordt door het odlichaam ook op het stoffelijke lichaam overgedragen. Vandaar, dat het karakter van de mens in de lijnen van het lichaam en vooral in het gelaat is gestempeld en zelfs in de vorm van zijn ledematen zijn uitdrukking vindt. Hij die deze wet kent, is daardoor in staat om uit de lijnen en de vorm van de lichaamsdelen de eigenschappen van de geest op te maken. Ook de lichaamshouding, de gang en de bewegingen zijn uitdrukkingsvormen van de geest. Daarom kan men ook uit het handschrift van een mens zijn karakter opmaken. Om dezelfde reden zal de geest van een gestorvene, die door een menselijk medium schrijft, dezelfde lettertekens vormen, die hij vóór zijn aardse dood schreef. Deze zullen eerst dan veranderen, als aan gene zijde zijn karakter een werkelijke verbetering heeft ondergaan.’
‘Daar het lot van een mens in het od als een bouwplan is ingetekend en door het od ook op het stoffelijke lichaam wordt overgebracht, is het lot van een wezen ook uit de lijnen en kenmerken van zijn lichaam af te lezen. Wie deze kenmerken begrijpt, zal dus een gedeelte kunnen waarnemen van dat wat een helderziende op meer volkomen manier in het od aanschouwt.’
‘Ik zou je een zeer interessant boek over deze gehele samenhang kunnen dicteren, maar het is niet mijn opdracht om uw menselijke wetenschap te verrijken, maar slechts om u zoveel daarover mede te delen als nodig is om inzicht te krijgen in het verkeer van de geesten met de stoffelijke schepping en de wetten, die aan dit verkeer ten grondslag liggen.’
‘Daar het od iets geestelijks is, heeft het met de geest ook de eigenschap gemeen, door geen stof te worden belemmerd. Op dezelfde wijze als het zijn eigen lichaam zonder weerstand doordringt, kan het ook Iedere andere gewenste stof doordringen, zodra het van zijn eigen lichaam is losgemaakt. Niets kan hieraan weerstand bieden.’
‘Iets dergelijks hebt u bij de zogenaamde röntgenstralen, zodat het u niet moeilijk zal vallen, dit te begrijpen.’
‘Zoals verder in de natuur door de inwerking van warmte en onder vorming van wolken zich sterke krachtstromen ontwikkelen, die in de vorm van bliksem zichtbaar worden, kan ook de geestenwereld met behulp van het od zeer sterke krachtstromingen opwekken, hete en koude. U spreekt immers bij onweer ook van hete slagen, waardoor alles smelt, en van koude slagen, welke niets doen ontbranden, maar alleen door hun enorme druk iets uitrichten.’
‘Warmte doet uitzetten en oplossen terwijl koude doet samentrekken en verdichten. Dit is een wet, die niet slechts in de stoffelijke wereld geldt, maar ook in de geestelijke schepping.’
‘Zoals u door grote hitte stof in damp kunt omzetten en zelfs in een voor het lichamelijke oog onzichtbare toestand kunt brengen, zo kan ook de geestenwereld materie volkomen oplossen. Ook zij bedient zich daarbij van hete krachtstromen, waardoor zij de stof in een od-achtige, dus vergeestelijkte toestand omzet. Want alle materie is, zoals ik je reeds heb verklaard, niets anders dan belichaamd od, dat tot geestelijk od kan worden opgelost. De in od omgezette materie doordringt, zoals elk ander od, alles wat stoffelijk is zonder weerstand en kan naar willekeurige plaatsen worden gebracht en daar weer tot materie worden verdicht.’
‘Het oplossen van de materie noemt u “dematerialiseren” en het verdichten van het od tot stof “materialiseren”.’
‘Terwijl de geestenwereld de oplossing van de materie door hete kracht- stromen van het od tot stand brengt, past zij koude stromen toe voor de verdichting van het od volgens de algemeen geldende natuurwetten. En zoals u bij het gebruik van sterke aardse krachtstromen grote voorzichtigheid betracht om geen ongelukken te maken, gaat de geestenwereld bij de toepassing van de krachtstromen met dezelfde voorzichtigheid te werk. U gebruikt bij de aanraking van hoogspanningsdraden zogenaamde “isolaties”. U spreekt van “kortsluiting” en soortgelijke incidenten. Ook bij de odstromen die voor “dematerialisaties” of “materialisaties” in het bijzijn van aardse levende wezens worden gebruikt, moeten de geesten dezelfde voorzichtigheid toepassen, opdat geen onheil deze mensen zal treffen en de verlangde oplossing of verdichting van de materie wordt bereikt.’
‘Zo kan een onvoorzien ingrijpen van de deelnemers aan een spiritistische seance in de werkzaamheid van de geestenwereld een gevaar zijn voor het medium, dat als krachtbron dient, maar ook voor de deelnemers, en het gelukken van de verschijnselen bemoeilijken of zelfs geheel verijdelen. Want ook bij dit werk kan er “kortsluiting” ontstaan, als niet bijtijds de noodzakelijke “isolaties” worden aangebracht.’
‘Dit alles klinkt u te menselijk. Maar ik kan je er niet vaak genoeg op wijzen, dat alles, wat op de aardse wereld in materiële vorm voorkomt, ook in de geestenwereld in geestelijke vorm bestaat en wel zonder enige uitzondering. Het is voor u niet gemakkelijk, dit te begrijpen, want alle voorstellingen van uw denken zijn aan de materiële wereld ontleend. En u vindt het zeer moeilijk deze op het geestelijke toe te passen.’
‘Het od, waarmee uw eigen geest in uw stoffelijk lichaam werkt, heeft een zekere verdichting nodig, zoals ik je reeds heb medegedeeld, want er moet een bepaald evenwicht worden geschapen tussen geest en materie. Om dezelfde reden moet ook de geestenwereld bij haar arbeid door stoffelijke wezens het daartoe nodige aardse od tot een met haar doel overeenkomende graad verdichten. Grote belemmeringen bij zulke verdichtingen bieden warmte en licht. Dat warmte daarbij hinderlijk is zal je zonder meer duidelijk zijn, want warmte doet uitzetten en oplossen. Dat ook licht bij de odverdichting een hindernis kan zijn kun je tenminste vermoeden, als ik je aan de donkere kamer herinner, die u voor de ontwikkeling van uw fotografische platen nodig hebt.’
`Een odverdichting bij warmte en helder daglicht is weliswaar niet onmogelijk, maar zij vereist een zo grote hoeveelheid od, als slechts in de allerzeldzaamste gevallen aan de geestenwereld ter beschikking staat om de mensen mededelingen te doen. Overigens staat voor de schepping en voor de uitvoering van een bijzondere opdracht van God aan de goede geestenwereld steeds de odkracht in onbeperkte hoeveelheid en sterkte ter beschikking.’
‘Het is daarom zeer dwaas en een teken van uw grote onwetendheid op dit gebied, wanneer u er de spot mee drijft, dat vele spiritistische verschijnselen slechts in het donker gelukken. Ook velen van uw geleerden beweren, dat de duisternis alleen daarom wordt gekozen, opdat men de “spiritistische bedriegerijen” niet zo gemakkelijk zal kunnen zien. Met evenveel recht zou men van de fotograaf kunnen verlangen, zijn platen in het volle daglicht in plaats van in de donkere kamer te ontwikkelen, en hem voor een bedrieger houden, als hij de ontwikkeling ervan alleen in het donker klaar speelt. Dat het werk van de geestenwereld volgens dezelfde wetten geschiedt, die voor uw aardse handelingen gelden, is helaas bijna aan allen onbekend.’
‘Langs de weg van oplossing en wederverdichting van de materie vindt ook de voor het lichamelijke oog onzichtbare en voor uw menselijke verstand zo onbegrijpelijk schijnende toevoer plaats van voedsel, dat men “odvoeding” zou kunnen noemen.’
`Er zijn namelijk altijd mensen geweest, die geen voedsel tot zich namen en toch in leven bleven. Bij hen wordt de voedselopname langs geestelijke weg tot stand gebracht. De geestenwereld lost voedsel in od op en brengt het in deze odtoestand in de spijsverteringsorganen. Daarin wordt het odvoedsel tot stoffelijk voedsel verdicht en verteerd. Daarom hebben die personen, waarvan u denkt, dat zij zonder enige voeding zouden leven, geheel normale ontlasting, alsof zij stoffelijk voedsel hadden gebruikt. Deze wijze van voeding doet zich bij de betreffende personen steeds voor in samenhang met andere werkingen van de geestenwereld. Het is geen doel, dat men zichzelf stelt, maar een schakel in de keten van gebeurtenissen, die een hoger doel moet dienen.’
‘Uit wat ik je tot nu toe heb verklaard zul je vanzelf de gevolgtrekking kunnen maken, dat voldoende odkracht de voorwaarde is voor elke arbeid, die door geestelijke wezens aan aardse schepselen wordt verricht op een voor uw zintuigen waarneembare wijze. De odkracht is de bedrijfsstof in God’s gehele schepping, ook in de aardse werkplaats van de geesten.’
`Nu komt vanzelf de vraag naar voren : ‘vanwaar nemen de geestelijke wezens de odkracht op, die zij voor hun verkeer met de aardse schepselen nodig hebben?’
`Allereerst zou je kunnen denken, dat het voor de geesten voldoende zou zijn hun eigen odkracht voor hun arbeid aan de stof te gebruiken. Dat is echter niet het geval. Want de geestelijke wezens hebben hun odkracht nodig voor hun eigen levensfuncties en de door hen te verrichten arbeid in de geestenwereld. Om te beginnen is echter het od van de hogere geestenwereld veel te fijn en te zuiver om met het geheel anders geaarde od van de aardse wezens een verbinding te kunnen aangaan. Zo heeft u immers ook uw vele fijne stoffen, die u niet met grovere stoffen tot een homogeen geheel kunt samenvoegen.’
‘Hieruit volgt dat de geestenwereld voor haar aardse werk dät od moet gebruiken, dat bij het aardse od past. En dat vindt zij in de regel bij de aardse wezens, in de nabijheid van wie zij haar werk moet verrichten. Mensen, dieren, planten en mineralen zijn daardoor de odbronnen, waaraan de geesten de benodigde bedrijfsstof ontnemen. Deze leveranciers van het od noemt u “media”. Aardse wezens, die genoeg odkracht kunnen afgeven, worden “mediamiek” genoemd.’
`In geringe mate zijn alle stoffelijke schepsels mediamiek. Want allen hebben odkracht en kunnen daarvan ook iets afgeven. Maar bij de meesten is het vermogen om od af te geven zo gering, dat zij als odbron voor de werkzaamheid van de geestenwereld niet in aanmerking komen.’
‘Maar ook de op zichzelf toereikende odkracht van de “media” is in vele gevallen niet direct te gebruiken. Zij moet in alle gevallen waarin zij voor de “hogere geestenwereld” als arbeidsstof moet dienen, eerst worden gereinigd, als het ware “gefiltreerd”. Ook bij uw aardse stoffen is niet zelden zulk een “filtering” noodzakelijk, voordat u deze kunt gebruiken.’
`De lage geestenwereld behoeft vanzelfsprekend geen reiniging van het od van de media toe te passen. Want hoe onzuiverder het od is, des te beter behoort het bij het od van deze geesten. Daarom is het voor hen ook veel gemakkelijker, de media voor hun doeleinden te gebruiken, en zij komen daarmee veel vlugger tot hun doel, dan de hoge geesten.’
‘Wat ik je nu nog meer over het gebruik van de odkracht zou willen verteilen, kun je eigenlijk uit de tot nu toe gegeven uiteenzettingen door logisch denken zelf afleiden.’
‘Het gaat namelijk om de beantwoording van de vraag: “Op welke wijze gebruikt de geestenwereld het aardse od voor de te verrichten arbeid bij de stoffelijke wezens?
‘Het beste en kortste antwoord op deze vraag zou het volgende zijn: “Op dezelfde wijze, als je eigen geest zich van de stoffelijke ledematen van je lichaam moet bedienen om zintuigelijk waarneembare handelingen uit te voeren, moet ook de lichaamloze geest in de meeste gevallen zich stoffelijke ledematen vormen, om zulke handelingen mogelijk te maken. Dat bereikt hij door zijn geestelijke ledematen te omkleden met het aan de media onttrokken en overeenkomstig verdichte od.
‘Als je eigen geest een stoffelijk voorwerp wil aanpakken, dan kan hij dat met je stoffelijke hand doen. Je lichamelijke hand is echter in werkelijkheid niets anders dan het omhulsel van de door verdichting van het aardse od gevormde gematerialiseerde hand van je geest. Als dus een lichaamloze geest hetzelfde stoffelijke voorwerp wil aanpakken, dan moet hij zijn geestenhand eerst door verdichting materialiseren met het aardse od, dat hem ter beschikking staat. Een andere weg is er voor hem niet. De materialisatie behoeft vanzelfsprekend niet zo sterk te zijn als die van je lichamelijke hand, zelfs niet eens zo sterk dat zij voor je lichamelijke oog zichtbaar is, maar toch wel zó sterk, dat het stoffelijke voorwerp ermee kan worden aangepakt. Is er voor zo’n verdichting niet voldoende od aanwezig, dan kan de vreemde geest het voorwerp evenmin aanpakken, als jij dat zou kunnen, als je lichamelijke armen en handen waren afgehakt.’
‘Inderdaad kan de geest het stoffelijke voorwerp ook zonder materialisatie van zijn geestenhand aanpakken en bewegen, als hij het voorwerp eerst tot od oplost. Want een in od veranderde, dus vergeestelijkte materie is zonder meer voor de lichaamloze geest toegankelijk. Zonder de voorafgegane oplossing in od kan het stoffelijke voorwerp door de lichaamloze geest slechts dàn worden aangepakt, wanneer hij zijn geestenhand materialiseert. Want het gelijke kan alleen met het gelijke worden aangepakt.’
`Er zijn zeer veel graden van od-verdichting of materialisatie, vanaf de alleen voor het oog van een helderziende zichtbare odverdichtingen tot de vaste materialisaties van geesten, die zich in niets van een stoffelijk lichaam onderscheiden. De sterkte van verdichting is dus afhankelijk van de hoeveelheid od, die de geestenwereld voor haar doel ter beschikking staat.’
`Laten wij meer voorbeelden geven. Je eigen geest wil spreken, zó dat je medemensen dit met hun lichamelijke oren kunnen horen. Wat moet hij doen? Hij moet de stoffelijke spreekwerktuigen van je lichaam te hulp roepen. Anders gaat het niet. En als een geest wil spreken, die geen lichaam en daardoor ook geen lichamelijke spreekorganen heeft, wat moet hij dan doen, om voor menselijke oren begrijpelijke klanken voort te brengen? Hij beschikt daartoe over twee wegen: De ene weg is zijn eigen geestelijke spreekorganen door verdichting met behulp van het aardse od te materialiseren. De tweede weg is de geestelijke tonen zodanig te verdichten met het hem ter beschikking staande od van de media, dat deze voor het menselijke gehoor waarneembaar worden. In dit geval gebruikt hij dus niet de gematerialiseerde spreekorganen, maar alleen het verdichte od van de tonen. U noemt deze manier van spreken van de geesten: “Directe stemmen”, die in grotere of geringere sterkte waarneembaar worden afhankelijk van de grotere of geringere odkracht, die door de media aan de geesten beschikbaar wordt gesteld om de tonen te verdichten.’
`Je bent voor je medeschepselen zichtbaar doordat je een stoffelijk lichaam hebt. Je stoffelijke lichaam is echter slechts het stoffelijke omhulsel van je geest met al zijn organen. Want elk orgaan, dat je lichaam bezit, bezit je geest in geestelijke vorm. Wil dus een lichaamloze geest zich zó aan aardse ogen tonen, dat hij in alles als een aards wezen wordt beschouwd, dan moet hij zijn geestelijke gedaante met al zijn geestelijke organen met een stoffelijk omhulsel bekleden, dat hij vormt door verdichting van het aardse od. Bij zulk een gematerialiseerde geest kan het menselijk oog niets ontdekken, dat hem van een gewoon mens onderscheidt. Hij heeft een huid en beenderen, alle uiterlijke organen, nagels aan de vingers, haar, tanden; alle inwendige organen, als het hart en de hartslag, bloedsomloop en wat zich verder bij een normaal aards mens voordoet. Een dergelijke volledige materialisatie vereist zóveel od, dat  één enkel medium nooit zoveel kan afgeven. Er moet daarom in zo’n geval ook nog van het stoffelijke lichaam van het medium, stof worden opgelost en bij de materialisatie van de geest worden gebruikt. Daarom verliest een medium bij zulk een belichaming van een geest zeer veel van zijn lichamelijk gewicht. Maar hij ontvangt na de opheffing van de materialisatie alles weer terug, wat hij heeft afgegeven.’
‘Ik verwonder mij erover, dat uw geleerden, die op dit gebied zoveel proeven nemen, niet uit zichzelf deze waarheden ontdekken. Zij beleven toch genoeg verschijnselen, die hun de juiste weg wijzen. Zij zien, hoe gematerialiseerde handen voorwerpen aanpakken en voortbewegen. Zij horen “directe stemmen” en nemen vaak gelijktijdig ook het odwolkje waar, van waaruit de stem vernomen wordt. En wanneer zij verschillende van deze verschijnselen fotograferen, vinden zij later op de plaat soms iets als een strottenhoofd, dat de geest had gevormd door od-materialisatie om de stem voort te brengen. Bij het onderzoek van volledige belichamingen van geesten vinden zij alles, wat bij een normaal mens aanwezig is, en desondanks komen zij niet op het spoor van de waarheid.’

`De grootste belemmering, die de erkenning van de waarheid in de weg staat, is de onjuiste opvatting van de begrippen “geest” en “stof “. Wanneer eenmaal het feit is erkend, dat de geestelijke schepping in wezen dezelfde is als de stoffelijke, en dat beide zich alleen onderscheiden door de aard van hun bestaan, vervallen vanzelf de meeste bezwaren voor het juiste inzicht op het gebied van het verkeer van de geesten met de materiële schepping. Dan zal men erkennen, dat de geschapen geest hetzelfde levensorganisme in geestelijke vorm bezit, dat de aardse schepselen in stoffelijke vorm hebben; dat het lichaam over de vorm van de geest is gegoten, en de stoffelijke vorm daardoor niets kan bevatten, dat niet in de geestelijke vorm aanwezig is. Men zal inzien, dat aan “gene zijde” alles gelijk is aan dat van “deze zij de”, alleen met dit verschil, dat aan “deze zijde” alles stoffelijk is, en aan “gene zijde” alles geestelijk.’
‘Maar het leven, zowel in de stoffelijke als ook in de geestelijke wereld, is gebonden aan de odkracht. Het is de geweldigste kracht van de schepping waarmee God, de bron van deze kracht, alles kan omverwerpen. Met deze odkracht doen Hij en Zijn geestenwereld de grootste “wonderen”, zoals u het noemt. Het is de kracht, die de magiër tot bovenaardse verrichtingen in staat stelt, doordat zijn eigen odkracht door de geestenwereld kan worden vergroot, hetzij door de goede òf kwade, afhankelijk van het feit of hij zich met de een of de ander in verbinding stelt.’
‘Bij de kwade, dus van God gescheiden geesten, de demonen, is deze kracht echter slechts binnen zeer bepaalde grenzen werkzaam, terwijl deze kracht door de geesten van God in onbeperkte mate tot uitwerking kan worden gebracht.’
`Met deze kracht heeft Christus zieken genezen en doden opgewekt. Met deze kracht dreef hij de boze geesten uit de bezetenen. Met behulp van deze odkracht bewerkten de goede geesten het wandelen van Christus op de golven. Met deze kracht bracht de aan Christus ondergeschikte goede geestenwereld op zijn bevel, de wonderbare broodvermeerdering tot stand door de materialisatie van het in odvorm aangevoerde brood.’
‘Diezelfde kracht beloofde Christus aan allen, die gelovig werden. “De- genen, die geloven, zullen de volgende wonderen deelachtig worden: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven; zullen zij in vreemde talen spreken; slangen met de handen opnemen; en als zij iets giftigs drinken zal het hun niet schaden ; zieken zullen zij de handen opleggen en deze zullen gezond worden.” “En zij trokken uit en predikten overal, en de Heer was met Zijn kracht bij hen en bevestigde hun woord door de wonderen, die daarbij gebeurden” (Markus 16: 17, 18, 20). Want het geloof in God, dat niet slechts bestaat uit een voor-waar-houden, maar in een onwankelbaar vertrouwen in Hem en in een trouwe vervulling van Zijn wil, brengt de mens in de innigste verbinding met God als de oneindige krachtbron. Zo’n geloof maakt ook God’s geestenwereld aan Hem dienstbaar, zodat Hij door dit geloof alles kan doen. “Alle dingen zijn mogelijk bij hem, die gelooft” (Markus 9:23).
‘Bij ieder die echt gelooft in God, gaat daardoor hetzelfde in vervulling, dat voor Christus waarheid werd;’ namelijk:
`Als wij doen, wat God wil, doet God ook, wat wij willen.’