DE ONTWIKKELING VAN DE MEDIA

Ik wil water uitgieten op het dorstige land en zachte stromen over de dorre grond.
Ik zal Mijn geest uitgieten op uw volksgenoten en Mijn zegen op uw nakomelingen. Jesaia 44.3.

‘Wat voor een bepaald doel moet dienen, moet vooraf op de juiste wijze worden samengesteld, bewerkt en aangepast. Uw machines en werktuigen worden zó geconstrueerd als nodig is voor het doel, waarvoor zij moeten dienen.’
“De media zijn de werktuigen van de geestenwereld. Zij zijn het, die de verbinding van de geesten met de stoffelijke schepping mogelijk moeten maken. Daarom moeten zij worden bekwaamd om dat te volbrengen, wat voor het bereiken van dat doel is vereist. Dit geschiedt door de ontwikkeling van hun mediamieke krachten.’
`De media zijn in hoofdzaak krachtbronnen, waaruit de geestelijke wezens de bedrijfskracht putten voor hun werk. Zij leveren de odkracht.’
`Om je het verloop bij de ontwikkeling van de media zo duidelijk mogelijk te maken, maak ik weer gebruik van een gelijkenis. Voor het aandrijven van uw auto’s hebt u een stof nodig, welke uit de petroleumbronnen afkomstig is. Bij de ontsluiting van deze bronnen tracht men eerst door diepboring zoveel aardolie te winnen, dat de opbrengst lonend is. Maar de uit de bronnen vloeiende ruwe olie is nog niet geschikt voor gebruik. Zij moet eerst worden gezuiverd en door verschillende filtreermethoden voor de meest veelvuldige gebruiksdoeleinden geschikt worden gemaakt.’
‘Zo moet ook de geestenwereld in de eerste plaats ervoor zorgen, een zo groot mogelijke hoeveelheid od van de media te ontvangen. Het od is echter met het lichaam van het medium verbonden. Er moet voor worden gezorgd, dat het zich gemakkelijk losmaakt en in de vereiste hoeveelheid aan de geestenwereld kan worden afgegeven.’
‘Ook bij uw kunstmest-middelen spreekt u van de oplosbaarheid van de stoffen. U onderscheidt een totaalgehalte aan fosfor, kali, stikstof en kalk en een oplosbaar deel. Slechts dit laatste heeft voor u waarde, en alleen het percentage van de oplosbare stoffen bepaalt de prijs.’
‘Zo heeft voor de geesten slechts dàt od waarde, dat zich gemakkelijk van het aardse lichaam losmaakt en aan hen kan worden afgegeven. Hoe groter de loslaatbaarheid van het od van een medium is, des te groter is de hoeveelheid od, die kan worden afgegeven. En des te heviger en omvangrijker zijn ook de verschijnselen, die de geestelijke wezens tot stand kunnen brengen.’
`Als ik spreek over het od, dat door de ontwikkeling van de media wordt verkregen, en dat als bedrijfsstof voor de in actie zijnde geestenwereld dient, moet ik een zeer belangrijke opmerking maken. Is er namelijk bij de werkzaamheid van een geest sprake van de uitvoering van een bijzonder bevel van God, dan staat hem meer od ter beschikking dan alle aardse wezens samen bezitten. In dit geval staat de geest met de bron van alle odkracht, met God zelf, in een bijzondere verbinding en ontvangt hij uit deze bron zo veel kracht als hij voor de uitvoering van het Goddelijke bevel nodig heeft.’
‘Ontvangt bijvoorbeeld een geest een bevel van God om u te onderrichten, dan ontvangt hij ook het daarvoor benodigde od. Hij gebruikt in dit geval zeker ook uw od. Want de geestenwereld gaat met deze waardevolle stof zo zuinig om, als u dit zelf ook doet met zeer waardevolle aardse kostbaarheden. In dit geval versterkt u met uw od het aan de geest ter beschikking staande od en stelt hem daardoor in staat, u meer mededelingen door te geven, dan vooraf was bepaald. – Zo wordt er, ter vergelijking met een aards voorbeeld nog wat fris water toegevoegd aan het koelwater van een koeltoren, dat reeds is afgekoeld, om de werking te versterken en te verlengen.’
`Gaat het echter niet om een bevel van God, maar houden de goede geesten zich uit eigen vrije wil met u bezig, zij het met Gods goedvinden, dan zijn hun resultaten afhankelijk van de hoeveelheid od, die hun uit de aardse odbronnen ter beschikking staat, en die dus van de media afkomstig is.’
`De hoeveelheid od, welke kan worden afgegeven, is bij elk medium verschillend. Bij de een is ze alleen toereikend voor heel lichte arbeid van de geestenwereld; bij een tweede maakt zij reeds veel grotere resultaten mogelijk; bij een derde is zij zó groot, dat het moeilijkste kan worden uitgevoerd, dat er op dit gebied bestaat. Daartoe behoort de belichaming van een geest, die door een zeer sterke odverdichting, als een volledig menselijk lichaam voor u staat en zieh in niets van een werkelijk mens onderscheidt. In zulk een belichaming verschenen drie boden van God voor Abraham, begeleidde de aartsengel Rafaël de jonge Tobias en stond Christus na zijn opstanding vóór zijn discipelen.’
`De taak van het medium is in hoofdzaak, zijn lichamelijke od zoveel mogelijk los te maken. Dit geschiedt door innerlijke verdieping of “con- centratie”, zoals u het noemt. Daarom kunnen alleen die mensen goede media worden, die zich geestelijk kunnen verdiepen en hun gedachten van de materiële dingen kunnen afwenden. Vandaar, dat u de meeste krachtige “media” vindt onder die volkeren, waar de geestelijke concentratie als religieuze oefening een grote rol speelt. Van alle volkeren hebben de Indiërs de meeste media omdat hun godsdienst van hen eist, dat zij zich vanaf hun jeugd oefenen in een dagelijks geestelijk concentreren. Zij noemen dit “geestelijke verdieping” en velen brengen het daarin tot een grote volmaaktheid. Daar bij de geestelijke concentratie de menselijke geest alleen met het eigen od werkzaam is, rust intussen het lichamelijke od. Het is voor geen krachtinspanning nodig en kan dus gemakkelijker vrij komen voor het gebruik door de geestenwereld.’
‘Hoe vaker de mens zich aan deze geestelijke concentratie wijdt, des te gemakkelijker wordt het hem, de rustende lichamelijke odkracht vrij te maken en door uitstraling af te geven. Het gaat daarbij net als met een magneet. Bij het eerste gebruik is de kracht nog heel zwak; deze trekt zelfs niet het kleinste ijzerdeeltje aan; maar hoe vaker de magneet wordt gebruikt des te groter wordt die kracht. Uiteindelijk is deze zo groot, dat die zelfs zware ijzeren voorwerpen optilt.’
‘Zo gaat het ook met de odkracht. Eerst is deze bij het zich ontwikkelende medium zeer gering. Hoe vaker het zich echter aan de innerlijke concentratie wijdt, des te sterker wordt de voor het geestenverkeer bruikbare odstraling.’
`De ontwikkeling van de media heeft dus als eerste doel om door geeste- lijke concentratie een zo krachtig mogelijke odafgave te verkrijgen. De hoeveelheid of de kracht van het aardse od is voor alle geesten, de goede zowel als de boze, even belangrijk.’
`Een tweede opgave bij de vorming van de media is de aanpassing van het od van het medium aan dat van de in werking zijnde geest. Het is de taak van de geestenwereld, dit tot stand te brengen. De aanpassing van het od is zeer verschillend en afhankelijk van het feit of hoge geesten het willen gebruiken of wel lagere geesten. Een hoge geest moet het od van het medium zuiveren en verfijnen; hij moet het in zekere zin filtreren. Een lage geest echter behoeft zich deze moeite niet te geven; zijn eigen od is onzuiver en past zich heel gemakkelijk aan bij het ongezuiverde aardse od.’
‘Bij veel media streeft de ontwikkeling nog een derde doel na. Moet namelijk het gehele lichamelijke od van een medium voor het werk van de geesten worden gebruikt, dan is dit alleen mogelijk, wanneer de geest van het medium uit het lichaam is getreden. Er moet dus een vrijmaking plaatsvinden van de geest van het medium uit het lichaam. Dit tot stand te brengen is niet gemakkelijk; het is voor de geestenwereld een moeilijk en tijdrovend werk. Het medium maakt daarbij iets dergelijks mee, als een stervende. Bij een stervende treedt de dood ook in door de vrijmaking van de geest van het lichaam. Over het verschil tussen het lichaam van een medium, wiens geest is uitgetreden, en dat van een gestorvene, heb ik reeds bij een andere gelegenheid gesproken. Je zult je herinneren, dat bij het uittreden van de geest uit een “volle-trance-medium” de uitgetreden geest nog met een odband met zijn lichaam is verbonden, terwijl bij een gestorvene de dood is ontstaan doordat ook deze odband werd verbroken.’
‘Uit het medegedeelde zal je het doel van de vorming van de media duidelijk zijn geworden. Het bestaat uit een zo groot mogelijke afgifte van od, de zuivering van het od voor de opdracht van de hoge geestenwereld en ten slotte de vrijmaking van de geest van de “volle-trance-media” van het lichaam.’
‘Ook voor het verkrijgen van de gaven van “helderziendheid” en “heI- derhorendheid” is een ontwikkeling noodzakelijk. Ook hier treedt een gedeeltelijke vrijmaking op van de geest uit het lichaam van de helderziende. Ook bij hem moet het hem omringende od overeenkomstig worden gezuiverd. Toch is deze gedeeltelijke vrijmaking in wezen verschillend van de vrijmaking van de geest van een “volle-trance-medium”. Bij de helderziende treedt de geest weliswaar uit, maar blijft evenwel met het gehele lichamelijke od en al zijn delen aan het lichaam verbonden. Het od zet zich slechts uit, om mij aards uit te drukken, en maakt door deze uitzetting de gedeeltelijke uittreding van de geest mogelijk. Een vrijmaking van het lichamelijke od van de geest van de helderziende vindt niet plaats.’
‘Bij het “volle-trance-medium” echter wordt al het od met uitzondering van een odband, losgemaakt van zijn geest, die daardoor de vrijheid krijgt het lichaam te verlaten en die door de grote rekbaarheid van de odband zich zeer ver van zijn lichaam kan verwijderen. In de plaats van de uitgetreden geest van het medium treedt een vreemde geest in het lichaam en doet zijn mededelingen. Bij de helderziende is dit niet mogelijk, want bij hem kan geen vreemde geest intreden, omdat zijn eigen geest nog met al het od aan zijn lichaam verbonden blijft en er daardoor voor een andere geest geen plaats vrij is.’
‘Bij de helderziende dus een nauw verbonden blijven van de eigen geest met het od van zijn lichaam; bij het “volle-trance-medium” een bijna volkomen losmaking van zijn lichamelijke od. Bij de helderziende wil de eigen geest zien en horen; bij het “volle-trance-medium” maakt de geest van het medium plaats voor een ander geesteswezen, opdat het zich door het lichaam van het medium en met gebruikmaking van het achtergebleven Iichamelijke od kan openbaren.’
`Er zijn echter helderzienden, die tevens “trance-media” zijn, zij het dan òf “gedeeltelijk-trance-media” of “volle-trance-media”.’ ‘Dat de geestenwereld bij de vorming of uitrusting van de media een veelzijdige en moeilijke arbeid moet verrichten, zul je kunnen begrijpen. Je kunt je trouwens niet voorstellen, hoe kostbaar – om mij op menselijke wijze uit te drukken – de vorming van een medium voor de geestenwereld is. Hoeveel geestelijke krachtstromen moeten daarbij worden aangewend, hoeveel kostbare geestelijke medicamenten en dergelijke middelen worden gebruikt! Er zijn geestelijke operaties bij nodig, welke vaak veel groter en ernstiger zijn dan de operaties, die uw artsen aan aardse lichamen verrichten. Vele media hebben innerlijke gebreken, die eerst genezen moeten worden, voordat aan de vorming tot medium kan worden begonnen.’
‘Wij hebben ook evenals uw doktoren voor hun operaties en genezingen de meest verschillende instrumenten en medicamenten. Alles is bij ons op dezelfde wijze geestelijk voorhanden, zoals bij u stoffelijk. Vanzelfsprekend worden wij, geesten, niet ziek en behoeven wij geen operaties en genezingen. Wij gebruiken onze rijke kennis en middelen alleen voor de stoffelijke schepping tot genezing van mensen en dieren en voor de vorming van media ten behoeve van het geestenverkeer. Wij hebben daarvoor onze specialisten op elk gebied, ook voor de vorming van de media. Wij hebben onze hoofdartsen, assistenten en hulppersoneel van de meest verschillende soort. Wij hebben een grote keuze van geestelijke instrumenten, geestelijke verdovingsmiddelen, versterkende middelen en medicijnen.’
‘Dit alles wordt toegepast bij de vorming van de media. Groot is daarom ook het aantal geesten, dat werkzaam is bij de vorming van een medium, dat het goede wil dienen. Zoals bij hen, die bij een aardse operatie behulpzaam zijn, een ieder een speciale taak heeft te vervullen, zo moet ook iedere medewerkende geest bij de vorming van de media de hem toegewezen arbeid verrichten. Dit alles is wonderbaarlijk geregeld. Uw in ontwikkeling zijnde media zijn daardoor steeds in goede handen, als zij zich voor de goede geesten ter beschikking stellen, het boze afwijzen en Gods weg bewandelen.’
`Niemand behoeft zich daarom angstig te maken, als hij ziet, wat er gebeurt tijdens de vorming van de media, en vooral bij de volle-trancemedia. Alles gaat volgens bepaalde vaste wetten en de goede geesten zijn uw beste vrienden. Van hen hebt u niets te vrezen.’
`De vorming van de media geschiedt het vlugst in de zogenaamde “spiritualistische seances”.’
‘Wegens het grote belang van de mediamieke vorming wil ik uitvoeriger schetsen hoe deze seances moeten worden gehouden. Tegelijkertijd zal ik je de redenen van de details opgeven, die daarbij in acht moeten worden genomen. Ook zal ik je een verklaring geven van de bij deze seances voorkomende gebeurtenissen tijdens de vorming van de media.’
`Als een aantal naar waarheid en God zoekende mensen besluiten, samen in verbinding met de goede geestenwereld te komen, dan moeten zij het eerst eens worden over de plaats, waar zij regelmatig bijeen zullen komen. Deze moet zo worden gekozen, dat zij vrij zijn van elke stoornis. U wilt toch bij belangrijke aardse bezigheden ook niet gestoord worden. Dit geldt des te meer, als het erom gaat, een zuivere geestelijke band te leggen, die in veel hogere mate wordt beïnvloed door aardse storingen dan ieder werelds werk.’
`De beste tijd voor de bijeenkomsten zijn de avonduren na acht uur. Dan is het dagelijkse werk met zijn aardse zorgen en gedachten voorbij en kan men zich rustig aan innerlijke concentratie wijden.’
`Meer dan tweemaal per week moeten in het algemeen de “zittingen” niet worden gehouden.’
‘Het vertrek moet voor de aanvang van de seance goed worden gelucht en van damp, tabaksrook en slechte lucht worden gezuiverd. Want de odkracht van de deelnemers wordt door bedorven lucht zeer benadeeld en de voor de geestenwereld zo noodzakelijke odstraling wordt erdoor belemmerd.’
`Om de lucht zuiver te houden zet men een grote schaal met fris water in het vertrek neer. Dit zuigt de bedorven lucht, die zich tijdens de seance heeft gevormd, ten dele op.’
‘Op de tafel, waaromheen de deelnemers gaan zitten, legt men voor ieder enige vellen schrijfpapier en een zacht potlood neer.’
‘Enige tijd voor het begin van de seance moeten de aanwezigen niet meer over materiële dingen spreken, maar zich concentreren en zuiver aardse gedachten uitschakelen. Zij zijn toch bijeengekomen om God te dienen.’
`De plaats, die men op de eerste bijeenkomst heeft gekozen, moet men ook later aanhouden, omdat de odstraling, die bij iedereen verschillend is, langzamerhand in een zeker evenwicht moet worden gebracht. Om dezelfde reden moeten de aanwezigen zich naar de geslachten zó rangschikken, dat een man naast een vrouw komt te zitten. Want het mannelijke od is in hoofdzaak positief, het vrouwelijke negatief; samen geven zij een beter evenwicht. Toch is deze rangschikking van de plaatsen niet strikt noodzakelijk, maar het vergemakkelijkt slechts het gelijkrichten van het od tot een goed werkende odstroom. Een verandering in de eenmaal gekozen plaatsen moet alleen dàn plaats vinden, als een desbetreffende mededeling van de zijde van de geestenwereld door een ontwikkeld of een in ontwikkeling zijnd medium wordt aangegeven.’
‘Is een muziekinstrument (piano of orgel) in het vertrek aanwezig, dan is het goed, met een religieus lied te beginnen, dat onder begeleiding van het muziekinstrument wordt gezongen. Bij gebrek aan beter kan ook een grammofoonplaat worden afgespeeld met een hymne of een ander ernstig lied. Het zingen en spelen van een mooi lied brengt harmonie en wijding in de harten van de deelnemers en richt hun gedachten op het hogere. Ook is het een krachtig afweermiddel tegen de invloed van de boze geestenwereld, die zich hinderlijk en storend wil indringen in de bijeenkomsten. Want het boze is disharmonie en gevoelt zich niet aangenaam, waar harmonie, goede gedachten en bezinning in woord en lied tot uitdrukking komen. Daarom week ook volgens het bijbelse verhaal de boze geest van Saul, zodra David de harp voor Saul bespeelde en daarbij mooie psalmen zong.’
`Na het lied spreekt een van de aanwezigen een eenvoudig, natuurlijk gebed uit in zijn eigen woorden. Mocht hij te schuchter zijn om het gebed vrij uit te spreken, dan doet hij er goed aan het vooraf op te schrijven en met eerbied voor te lezen. Ieder van de deelnemers moet op zijn beurt het gebed uitspreken.’
`Na het gebed moet iemand een hoofdstuk uit het Oude of Nieuwe Testament voorlezen en dit wordt door de aanwezigen besproken.’
“Gezang, lezing en bespreking van het gelezene moeten bij elkaar ongeveer een half uur duren.’
“Na afloop van de bespreking reiken de deelnemers zo mogelijk bij gedempt licht elkaar de handen, zó dat de rechter hand van de één op de linker van de buurman ligt. Men noemt dit tegenwoordig “een keten vormen”. Dit is nodig om de odkracht van de afzonderlijke deelnemers tot een gesloten odstroom te verenigen, juist zoals ook de afzonderlijke draden, waardoor een stroom moet worden geleid, samengevoegd moeten worden, wil men de werking van de stroom verkrijgen. Men mag nooit vergeten, dat van de sterkte van de odstroom het werken van de geestenwereld op de bijeenkomsten afhangt. De demping van het licht bevordert de odwerking zeer.’
‘Het “vortuen van een keten” heeft ook een verheven symbolische betekenis; want zoals de aanwezigen door handreiking uiterlijk tot een eenheid worden verbonden, zo moeten zij ook onderling één van hart en één van ziel zijn. Zij moeten elkaar liefhebben, wederkerig helpen, elkaars fouten vergeven en alles uit hun hart bannen, dat de innerlijke harmonie zou kunnen verstoren.’

`Om de genoemde redenen reikten ook de eerste christenen elkaar tijdens hun godsdienstige bijeenkomsten op dezelfde wijze steeds de banden. Zij lieten daarmee hun eensgezindheid blijken, streefden echter vóór alles naar de opwekking van een sterke odstroom om de mededelingen van de goede geestenwereld mogelijk te maken.’
`De “keten” mag ongeveer twaalf tot vijftien minuten gehandhaafd blijven. Gedurende die tijd moet ieder ervoor zorgen geconcentreerd te blijven, alle wereldse gedachten van zich afzetten en aan het goede denken. Voor dit doel kan hij tot zichzelf inkeren over zijn leven tot nu toe, zijn fouten, zijn verhouding tegenover God en zijn medemensen, zijn nalaten van het goede en dergelijke problemen nadenken, toepasselijke voornemens koesteren, God om vergeving en om kracht bidden om het boze te vermijden. Hij moet God danken voor de ontvangen weldaden, Hem loven en prijzen en in een aandachtig gebed de verbinding met de goede geestenwereld van Hem afsmeken. Alles, wat bevorderlijk voor zijn geest kan zijn, mag hij tot onderwerp van zijn beschouwing en zijn gebed maken.’
‘Is de hiervoor bestemde tijd verstreken, dan verbreekt de leider van de bijeenkomst de “keten”. Ieder neemt nu het voor hem liggende potlood en legt de hand licht op het gereedliggende schrijfpapier. Daarbij moet hij de wil hebben, niet uit eigen aandrang te schrijven, maar tegelijkertijd de hand zo soepel te houden, dat zij iedere beweging volgt, die van de geestenwereld uitgaat.’
‘Tijdens de eerste seances is de odkracht, die ter beschikking staat, meestal nog zeer zwak. De aanwezige geesten kunnen daardoor nog niets tot stand brengen. Ook de belemmeringen bij de deelnemers zijn nog zeer groot, alles is nog te nieuw voor hen. De innerlijke concentratie valt hun zwaar en ze zijn te zeer gespannen op dat, wat misschien zou kunnen komen. Juist die spanning is de grootste hinderpaal voor het afgeven van het od, waarop ik dadelijk nog terugkom. Overigens lijken de deelnemers nog te zeer op een ongebruikte magneet, welke eerst door vaker gebruik tot krachtsontwikkeling moet worden gebracht.’
‘Toch komt het niet zelden voor, dat menige deelnemer in zijn mediamieke ontwikkeling veel verder is, dan hij zelf weet. In dat geval kan reeds bij de eerste seance de inwerking van de geestenwereld merkbaar zijn. Wellicht begint de hand, die het potlood vasthoudt, te trekken of stijf te worden, en zich te bewegen. Men mag aan deze inwerking niet de geringste weerstand bieden, maar moet aan de beweging van de hand toegeven. Eerst zullen misschien gedurende enige seances slechts strepen, bogen, cirkels of dergelijke schrijfoefeningen met het potlood door de geestenwereld worden uitgevoerd, voordat een letter, een woord of zin tot stand komt. Dat komt, doordat de door de aanwezigen afgestane odkracht nog niet sterk genoeg is en vooral de odkracht van het zich ontwikkelende schrijfmedium zich nog in een aanvangsstadium bevindt. Door de schrijfoefeningen wordt deze steeds meer gesterkt. Vertonen zich op deze of op andere wijze de eerste inwerkingen van de geesten, dan wordt de grote belemmering, die door de spanning van de aanwezigen ontstaat, zeer voelbaar. Zij kijken gewoonlijk nieuwsgierig en met de grootste aandacht naar dat, wat zich bij de andere deelnemer voordoet. Spannende verwachting houdt echter bij iedereen de odstraling tegen, zoals een ingespannen toehoorder onwillekeurig ook zijn adern inhoudt. Daardoor wordt de odstroom verminderd en de arbeid van de geesten verzwaard. Want zelfs de beste machinist is machteloos tegenover een machine, als de krachtstroom wordt opgeheven of aanmerkelijk wordt verminderd.’
‘Diezelfde ongunstige uitwerking als spanning hebben ook gevoelens van vrees, schrik, wantrouwen, twijfel en elk innerlijk verzet. Wie met zulke gevoelens en gewaarwordingen aan deze bijeenkomsten deelneemt geeft niet alleen zelf geen odkracht af, maar stoort en onderbreekt ook de odstroom van de anderen. Daarom voelen de media het dadelijk, indien zich onder de deelnemers iemand bevindt, die als een vreemd lichaam stroomuitschakelend werkt. En zij hebben gelijk als zij de verwijdering van zo’n deelnemer verlangen, totdat hij zich innerlijk anders heeft ingesteld.’
‘Zodra dus bij de spiritualistische bijeenkomsten het harmonische samengaan van de gevoelens en gezindheid ontbreekt, kan een uniforme odstroming niet tot stand komen en zijn de resultaten twijfelachtig of geheel onmogelijk geworden.’
‘Dat is ook de reden, waarom wetenschappelijke commissies, die met media experimenteren, veelal weinig of geen resultaat hebben. De media, die immers de krachtbronnen zijn voor de mededelingen van de geesten, voelen zich angstig, verlegen en met wantrouwen omringd. Zij merken voortdurend, dat men hen tot bedrog in staat acht en zelf niet aan die dingen gelooft. Door zulke gevoelens wordt de krachtafgave bij de media sterk verminderd, zo niet geheel onmogelijk gemaakt.’
‘Het is een natuurwet, en wel dezelfde natuurwet, volgens welke bij iemand, door angst bevangen het bloed uit het gezicht wegtrekt, zodat hij verbleekt. Het bloed wordt namelijk door het zich naar binnen concentrerende od eveneens naar het hart getrokken. Het volgt volgens een natuurwet de kracht van het od, daar het de leider van het od in het lichaam is.’
‘Hoe verkeerd wordt daarom ook door uw wetenschap zo vaak het te kort schieten van de media uitgelegd! Zij moest toch eens grondig de hindernissen bestuderen, die zo vaak aan de media als krachtbronnen van de geestenwereld in de weg worden gelegd, en wel speciaal door uw geleerden. Als die de hindernissen zouden opheffen, dan kwamen de mededelingen van de geesten bevredigend door.’
‘Weliswaar werkt de goede geestenwereld slechts in de uiterste gevallen mee aan mededelingen, die niet uitsluitend het goede doel dienen, doch slechts het zuiver wetenschappelijke, of alleen maar de nieuwsgierigheid bevredigen. Dit laatste is het gebied, waarop de lagere geestenwereld ijverig werkzaam is, en helaas maar alte vaak groot onheil aanricht.’
`De deelnemers aan goede spiritualistische bijeenkomsten moet steeds weer worden ingeprent, dat zij iedere twijfel en ieder wantrouwen uit hun hart moeten bannen en zonder inspanning geduldig moeten afwachte, wat er zal

komen.’
‘Voelt een deelnemer de innerlijke drang een gedachte, die hem wordt ingegeven, neer te schrijven, dan moet hij dat doen. Langzamerhand zal hij leren, de geinspireerde gedachte van zijn eigen gedachten te onderscheiden. De gedachten, door de geestenwereld ingegeven, dringen zich namelijk, als u uw eigen gedachten tracht uit te schakelen, telkens weer met kracht op; ze komen steeds weer terug, als u tracht ze terzijde te stellen.’
‘Voelt een van de aanwezigen een zekere verdoving in zijn hoofd of een opvallend zwaar gevoel in zijn ledematen, wordt zijn hoofd heen en weer gedraaid of zijn lichaam door een hem onverklaarbare beweging aangegrepen, dan is dat een teken, dat de geestenwereld aan hem werkt. Deze sympathetische bewegingen van het lichaam worden meestal opgemerkt bij die personen die “volle-trance-media” worden. Het heen- en weerbewegen, het op- en neertrekken van het lichaam hangt samen met het loslaten door de geest van het medium in wording van zijn lichaam en van zijn lichamelijke od. De lichamelijke verschijnselen, die gepaard gaan met de vrijmaking van de geest, zijn vaak beangstigend voor de toeschouwers. Het is een soort doodsstrijd, al is deze ook zonder pijn voor het medium. Een reden voor enige vrees behoeft er niet te zijn, want alles geschiedt volgens bepaalde wetten.’
`De moeilijkste tijd voor de in ontwikkeling zijnde “volle-trance-media” is de tijd van de zogenaamde “halftrance” of “gedeeltelijke-trance”. De eigen geest is nog niet geheel vrij van het lichaam verwijderd en een vreemde geest gebruikt het lichaam van het medium reeds voor zijn mededelingen. De nog aanwezige geest van het medium hoort de door de vreemde geest dóór het medium gesproken woorden. Het medium krijgt daardoor gemakkelijk de indruk, dat het zijn eigen woorden en gedachten zijn, die tot uitdrukking gebracht zouden worden. Het gevaar ontstaat daardoor, dat het medium in verwarring raakt en de mededelingen als zelfbedrog beschouwt. Ook vermengt in dit stadium van ontwikkeling de eigen geest van het medium zich gemakkelijk met de mededelingen van de vreemde geest en dit wekt daardoor terecht twijfel bij de deelnemers.’
‘Op het eerste gezicht zou het daarom kunnen lijken, dat de vreemde geest beter zou doen, met zijn mededelingen te wachten, totdat het medium geheel is gevormd, zodat dergelijke onaangenaamheden vermeden kunnen worden. Maar de redenen, die de vreemde geest aanleiding geven, reeds bij “gedeeltelijke trance” van het medium zijn mededelingen te doen, zijn zo belangrijk, dat hij liever de beschreven onaangenaamheden op de koop toe neemt, dan zijn mededelingen op te schorten tot de volledige ontplooiïng van het medium. Want juist in die eerste periode, waarin nog geen volledig gevormd medium de deelnemer ter beschikking staat, moeten deze over zoveel punten worden onderricht en opheldering ontvangen, dat deze lessen beter niet tot een later ogenblik verschoven kunnen worden. Van de lessen hangt juist in het begin voor de deelnemers zoveel af voor hun innerlijke opbouw, dat de onvolkomen wijze van mededelen als een veel geringer nadeel wordt beschouwd, dan het geheel achterwege laten van het onderwijs.’

`De overgangstijd van het stadium van “half trance” tot dat van “volle trance” duurt gewoonlijk niet al te lang, wanneer het medium zich de moeite geeft, innerlijk vooruit te komen en zijn menselijke tekortkomingen te verminderen. Zodra de “volle trance” intreedt, weet het medium niets van wat de vreemde geest spreekt of doet.’
`De grootste belemmeringen en moeilijkheden worden door de boze geesten in de weg gelegd aan allen, die in vol vertrouwen naar het verkeer met gene zijde zoeken. Want het boze wil ook hier, zoals overal, het goede verhinderen. Het laat geen middel onbeproefd, de deelnemers van deze zaak af te brengen. Het begint met hun, en vooral de zich vormende media, de gedachten in te geven, dat het allemaal zelfbedrog, autosuggestie of hypnose is. Zij moesten zich toch niet met zulke dingen ophouden, waardoor zij zich blootstellen aan de spot van de mensen.’
`De bozen hebben al veel bereikt, wanneer zij hierdoor bij de een of de ander ernstige twijfel aan de waarheid, echtheid en de goede bedoelingen van de zaak hebben wakkergeroepen. Daartoe benutten zij vaak ook de nietigste uiterlijke voorwendsels, vooral kleine vergissingen en fouten, die overal voorkomen waar zwakke mensen zijn.’
‘Hen die tot “helderziendheid” worden opgeleid, tracht de boze gees- tenwereld door schrikbeelden, duivelskunsten of dergelijke afschuwelijke beeltenissen angstig te maken, om hen daardoor te laten besluiten, van een voortzetting van hun opleiding af te zien en de hele zaak er aan te geven.’
‘Vanzelfsprekend blijven zij, die zich aan het lagere spiritisme wijden, van deze verzoekingen verschoond. Dat is gemakkelijk verklaarbaar, want het lagere spiritisme is het verkeren met het boze en daarom heeft het boze geen aanleiding de mensen hiervan terug te houden.’
`De tijd, waarin de bozen zich trachten in te werken, is de proeftijd voor de deelnemers en vooral voor de media. Iedereen wordt persoonlijk getoetst en altijd op zijn zwakste punt. Alleen hij, die de beproevingen doorstaat, ontvangt de mediamieke gaven. Wie faalt zal de zaak spoedig opgeven, of komt geheel onder invloed van de boze geestenwereld. Daarom moet iedereen om bijstand en kracht vragen, opdat hij de verzoeking van de bozen met goed gevolg weerstaat.’
`De duur van de zittingen moet men niet al te veel rekken; een uur is in de regel voldoende. Zodra de geesten zich door media uiten, wordt gewoonlijk meteen door hen bepaald, wanneer er moet worden geëindigd. Want God is een God, die van orde houdt, en ook zijn geesten zijn dezelfde regel toegedaan. Dit blijkt op zo wonderbaarlijke wijze bij al de seances, die onder God’s bescherming worden gehouden, ook hieruit dat steeds een controlegeest aanwezig is, die alles leidt. Hij beslist, wat de deelnemers moeten doen om de vorming van de media te vergemakkelijken; hij zegt hun, hoe zij aan hun eigen innerlijke opbouw moeten arbeiden, welke fouten zij moeten verbeteren en welke deugden zij zich eigen moeten maken. Hij bepaalt vaak de lezingen uit de Heilige Schrift aan het begin van de seances, verandert menigmaal ook de plaatsen van de deelnemers, indien dit gunstiger is voor de versterking van de odkracht. Hij bepaalt verder, welke geesten bij de media worden toegelaten, van welke aard hun mededeling is, en hoe lang zij in dit medium moeten blijven. Hij laat ook boze geesten door de media toe, opdat de aanwezigen deze geesten in hun gezindheid en hun gedrag leren kennen en daaruit de praktische ervaring opdoen, hoe zij zich tegenover zulke geesten moeten gedragen. Met liefde laat hij zwaar lijdende geesten, die van tamelijk goede wil zijn, in de media intreden, om deze geesten de mogelijkheid te geven, door de aanwezigen te worden onderricht en op God te worden gewezen. Het is een groot werk van naastenliefde, waarmede op deze wijze de deelnemers aan zulke seances hun lijdende broeders en zusters aan gene zijde kunnen helpen. Menigmaal verklaart de controlegeest naderhand het doel, waartoe de verschillende geesten werden toegelaten.’
`De controlegeest is altijd de eerste geest die zich bij een bijeenkomst meldt en steeds met een tot God gerichte groet. Hij is de geestelijke leider van de deelnemers, vermaant ze, waarschuwt ze, berispt ze en onderwijst ze. Met grote nadruk wijst hij erop, zowel tijdens de vormingsperiode van de media als ook later, dat hun geloof en vertrouwen in God steeds moet groeien en sterker moet worden.’
‘Hoe nader de mens innerlijk tot God komt, des te meer wordt hij deelachtig aan de van God komende kracht, des te groter en wonderbaarlijker zijn ook de gaven, die hij van God ontvangt tot nut van zijn medemensen. Daarom is het doel van elke seance, waarbij Godsgeesten actief zijn: “Nader, mijn God, tot u!
‘In het begin van de ontwikkeling van de media, als de eerste schriftelijke mededelingen van gene zijde plaats vinden, zijn het gewoonlijk uw gestorven verwanten en vrienden, die toestemming krijgen met u in verbinding te treden, vooropgesteld, dat zij zelf aan gene zijde op de weg naar God zijn en niet tot de boze geesten behoren. Ook zij manen u steeds tot geloof in God en zeggen u steeds weer, dat u door uw verkeer met de goede geesten op de rechte weg bent. Zij betuigen er daarbij vaak hun diepe spijt over, dat zij bij hun leven op aarde niet op deze weg opmerkzaam werden gemaakt.’
‘Gedurende het verloop van de verdere vorming treden de gestorven verwanten en vrienden met hun mededelingen geheel terug en hoge geesten openbaren zich nu. Er moet echter zijn voldaan aan de voorwaarde, dat de deelnemers inerlijk aan zich zelf werken en van goede wil zijn. Is bij een deelnemer de goede wil niet of niet meer aanwezig en blijven herhaalde vermaningen van de goede geesten bij hem vruchteloos, dan wordt hij door een schikking van de “controlegeest” van de seances uitgesloten. Dit is noodzakelijk, omdat hij zelf niet verder komt en voor de anderen een grote belemmering vormt. Want aan hem klampen zich de boze geesten vast. Zij volgen hem naar de seances en oefenen hun slechte invloed op de meest verschillende wijzen ook op de andere deelnemers uit; verder wordt de odkracht door de disharmonie, die hij tengevolge van zijn innerlijke instelling in de kring brengt, nadelig beïnvloed.’
`Alle bijeenkomsten met het doel, in verbinding met de geestenwereld te treden, waarbij geen geest van God het toezicht heeft, hebben plaats buiten Gods wil. Mogen zij ook uiterlijk de schijn hebben van een “godsdienst” dan is toch de gehele richting, waarin het geestenverkeer zich beweegt, niet de richting naar God. Het gaat hier niet om een louteren en een hoger opvoeren van de innerlijke mens. Waar de door God ingestelde “controle” ontbreekt is geen plaats voor de geesten, die besternd zijn om hen van dienst te zijn, die het heil moeten verwachten. Het zieleheil van de deelnemers is het enige doel van spiritualistische bijeenkomsten.’
`Als daarom in veel zogenaamde “spiritistische kerken” van de tegenwoordige tijd de bijeenkomsten ook met gebed en religieuze liederen worden omlijst, is toch de hoofdzaak van wat daar gebeurt ver verwijderd van het Goddelijke.’
‘Zij, die als leiders of medewerkers in deze kerken werkzaam zijn, bezitten gewoonlijk de gaven van het helderzien, helderhoren en heldervoelen. Daardoor is het hun mogelijk in verbinding te komen met de geesten, die bij de deelnemers van de bijeenkomst zijn. De odstraling van deze geesten komt in aanraking met de odstraling van de mediamieke dienaren en dienaressen van die kerken. Dit bezorgt hun niet alleen de karakterbeelden van de aanwezige geesten en hun verhouding tot de personen, die zij begeleiden, maar stellen hen ook in staat boodschappen te vernemen, die geesten in het belang van hun aardse vrienden verkondigen.’
‘Het doorgeven van boodschappen van de geesten, welke meestal slechts betrekking hebben op het menselijke lot, de zorgen en het materiële succes, vormt de hoofdzaak bij deze kerkelijke bijeenkomsten. Het is voor de meeste deelnemers het enige doel, waarvoor zij komen. Zij beschouwen deze kerken als inlichtingenbureaus, waar men tegen betaling van een bepaald entreegeld van de geesten van gestorven bloedverwanten of vrienden iets over zijn aardse lot kan vernemen door bemidde ling van de helderziende kerkdienaren. Daarom zorgen de leiders van die kerken ervoor dat geen bezoeker de bijeenkomst verlaat zonder zulk een “boodschap” te hebben ontvangen.
Daar in zulke samenkomsten Gods geesten niet aanwezig zijn en dus ook geen controle uitoefenen, hebben de lagere geesten er vrij spel. Al zijn het nu niet direct boze geesten, die komen en gaan, het gaat toch om een geestenverkeer, dat de mensen niet veel nut kan brengen.’
‘Daar komt nog bij, dat als in zulke kerken, “helderzienden” optreden, die tegelijkertijd “half-trance-media” zijn, deze gelijken op een open venster, waardoor de lagere geestenwereld naar willekeur binnen kan komen. Er is immers geen controlegeest aanwezig, die hen weert en orde houdt. En zo dwarrelen de mededelingen van de geesten door elkaar op een wijze, die afstotend moet werken. Daardoor lijdt het goede en door God gewilde geestenverkeer geen geringe schade als gevolg van de beoordeling door in deze dingen meestal geheel onervaren mensen. Want door de “religieuze aankleding” van die kerkelijke bijeenkomsten wordt de indruk gewekt, alsof hetgeen daar geschiedt het door God gewilde spiritisme is.’
`De leiders van zulke kerken dragen daarom tegenover God een zware verantwoordelijkheid voor wat er bij deze bijeenkomsten gebeurt. Zij hebben de plicht, de hun geschonken gaven zonder eigenbaat en zonder menselijke overwegingen geheel in dienst van God te stellen. Zij moeten om een “controle van de geesten” bidden, die hun gaarne wordt toegestaan. Zij moeten hun dan echter ook in alles gehoorzamen. Doen zij dit, dan zullen de bijeenkomsten tot een werkelijke dienst voor God worden en tot geestelijke opbouw en geestelijk welzijn van de deelnemers leiden. Want dan wordt de hoge geestenwereld van God werkzaam en zijn de lage geesten uitgeschakeld.’
`Als de bijeenkomsten worden gehouden op de zojuist beschreven wijze, dan zullen zij u grote zegen, veel vreugde en ware innerlijke vrede brengen.’
`Elke bijeenkomst moet worden besloten met een kort dankgebed, dat wordt uitgesproken door de leider van de seance, en zo mogelijk nog met een lied.’
`De vorming van een medium en de overige bijzonderheden betreffende de verbinding met de goede geestenwereld is echter niet aan zulke “gemeenschappelijke seances” gebonden. Een ieder kan ook voor zich alleen, hetzij dagelijks, hetzij meermalen per week een bepaalde tijd, wellicht een half uur of ook minder, aan innerlijke concentratie besteden. Hij gaat daarbij op dezelfde manier te werk als ik dit voor de gemeenschappelijke zittingen heb beschreven. Hij begint met een kort gebed, leest een gedeelte uit de Heilige Schrift en denkt over het gelezene na. Daarna houdt hij, zoals reeds gezegd, zijn hand met een polood op een vóór hem liggend blad schrijfpapier en wacht zonder enige geestelijke spanning af. Wordt hij gedrongen tot het neerschrijven van gedachten, die hem met grote nadruk worden geinspireerd, dan schijft hij deze neer. Wordt zijn hand door een vreemde kracht in beweging gebracht, dan moet hij daaraan toegeven.’
‘Is de tijd verstreken, die hij voor deze prive godsdienstoefening heeft bepaald, dan sluit hij met een gebed. Hij kan ervan verzekerd zijn, dat de goede geestenwereld vanaf het eerste ogenblik, dat hij verbinding met haar zoekt, bij hem begint te werken en de voorwaarden verschaft, die voor deze verbinding nodig zijn. Ja, dit werken begint reeds, als een mens zich in gedachten ernstig met deze dingen bezighoudt. Vaak krijgen mediamiek aangelegde personen een hun onverklaarbaar gevoel, zodra zij slechts een ernstig gesprek over de geestenwereld en haar verbinding met de mensen bijwonen. Dit gevoel ontstaat, doordat de geesten van gene zijde, waarvan er enige steeds om u heen zijn, hen nu reeds beginnen te beinvloeden, omdat zij tengevolge van hun mediamieke aanleg zeer ontvankelijk zijn voor de odinwerking van de geestenwereld. Maar totdat een mens iets afweet van de mogelijkheid van een verbinding met de geestenwereld, is het doelloos, als de hem omringende geesten met de voorbereidende arbeid aan hem zouden beginnen. Het zou niet alleen doelloos zijn, maar ook zeer onaangename aardse gevolgen kunnen hebben. Want noch hij, noch zijn bloedverwanten zouden iets van de bij hem beginnende mediamieke verschijnselen begrijpen. Men zou hem voor zenuwziek houden, hem onder doktersbehandeling stellen òf naar een sanatorium brengen. De goede geestenwereld begint daarom eerst dan met haar werk, als zij het vooruitzicht heeft op goede resultaten; eerder niet.’

`In aansluiting aan deze lessen zou ik de vraag willen beantwoorden, die door velen met recht wordt gesteld. Deze luidt : “Is spiritisme nadelig voor de gezondheid van de media of van de personen, die aan spiritistische bijeenkomsten deelnemen?” Op deze vraag antwoord ik met “neen” – en met “ja”.’
`Als u een bijeenkomst, waarin geesten verschijnen, houdt met God en alles in Zijn naam doet, u onder Gods bescherming stelt en Hem liefhebt en steeds het goede wilt, dan zal dit contact met de geestenwereld u nooit schaden. U zult integendeel daardoor naar lichaam en ziel worden gesterkt; het meest echter de media. Want de slaap, die u ter versterking nodig heeft, hebben de media, die in volle-trance vallen, gedurende deze tijd niet nodig. Maar alleen, als u het goede dient en de boze geesten van u afwijst. Zolang de media in trance-toestand zijn, rust hun lichaam en wordt daardoor gesterkt. Wanneer wij, goede geesten, ook aan hen of door hen werken, dan schaadt hen dit helemaal niet. Zoals gezegd, rusten zij integendeel lichamelijk uit en voelen zij zich na afloop van deze seance beter dan daarvoor. De odkracht, die aan de media en deelnemers wordt onttrokken, vervangt de goede geestenwereld door vers od. Daarbij komt, dat bij de vorming van de media hun innerlijke gebreken, die de trance toestand bemoeilijken of verhinderen, eerst door het ingrijpen van de goede geestenwereld worden weggenomen, zodat de betreffende mens na zijn vorming tot “volle-trance-medium” gezonder is dan voorheen.’
‘Het spiritisme is echter wèl schadelijk, als God erbuiten wordt gehouden, als alles wordt uitgeoefend onder invloed van de boze geesten, men zich zelfs verlustigt in het boze en het gebed verwaarloost. Op deze wijze vervalt u langzamerhand tot het kwade. Dat is niet alleen zo erg, omdat u door de boze geesten van de weg der waarheid en het juiste inzicht wordt weggelokt, maar omdat zij u ook lichamelijk zwaar benadelen. Want de odkracht, die zij aan u onttrekken, wordt niet meer door hen vervangen. Met als gevolg dat vóór alles de gezondheid van de media, maar ook die van de deelnemers, zeer wordt verzwakt en langzamerhand geheel ten gronde wordt gericht. Daarom is er een sprankeltje waarheid in het volksgeloof, dat hij, die met de duivel een verbond sluit, zijn leven op het spel zet. Want zijn odkracht wordt door het kwade langzamerhand verbruikt en zijn aardse lichaam blijft niet meer levenskrachtig. Vele media, die het lagere spiritisme dienen, lijden aan geestelijk en lichamelijk verval. Verscheidenen eindigen in een krankzinnigengesticht of plegen zelfmoord.’
‘Gevaren en benadeling zijn dus in het spiritisme alléén dáár aanwezig, waar men het niet beoefent om de goddelijke waarheid te leren kennen en er innerlijk beter van te worden, maar waar men daarin slechts zijn nieuwsgierigheid en zijn zucht naar buitengewone belevenissen wil bevredigen, inlichtingen omtrent zijn materiëel succes wil verkrijgen of zuiver wetenschappelijke kennis wil opdoen.’

‘Waarschuw dus uw medemensen zeer ernstig niet deel te nemen aan een verkeer met geesten, dat geen hogere doeleinden dient. Onderwijs hen over het goede, door God gewilde spiritualisme, want dit alleen moet iedere mens beoefenen. Het is voor hem de enige weg tot de waarheid en de kortste weg tot God.’
‘Ook hij, die zich nog niet tot het geloof in God heeft opgewerkt, moet deelnemen aan het goede spiritualisme, voor zover hij de eerlijke wil heeft om de waarheid aan te nemen, zodra deze hem op overtuigende wijze wordt geboden. Waarheidszoekers met zo’n gezindheid zullen langs deze weg de waarheid en de vrijheid van de kinderen Gods vinden. Zij zullen inzien, waarin ware religie in werkelijkheid bestaat. Voor hen geldt het woord van Christus: “Zoekt en gij zult vinden!
‘Zij, die nog niet in God geloven, moeten toch tot God bidden, zij het ook slechts voorwaardelijk. Zij kunnen het gebed aan hun ogenblikkelijke toestand aanpassen. Het volgende gebed kan federe ongelovige uitspreken, wanneer hij van goede wil is en bereid, de waarheid te aanvaarden:
`O God, als het waar is, dat Gij bestaat, dan bid ik U van ganser harte : Leer mij U te erkennen ! Toon mij de waarheid en leid mij op de rechte weg ! – Amen.’
‘Het zal zeker worden verhoord. Want God erbarmt zich over een ieder, die van goede wil is. Tot welke religieuze gemeenschap iemand behoort, is van geen belang voor deelneming aan goede spiritualistische bijeenkomsten.’