DE MEDIA

Bij vele gelegenheden en op velerlei wijze sprak God vroeger tot onze vaderen door de profeten. Hebreën 1:1.

`In tijden, dat de mensen innerlijk God zochten, hadden zij een directe verbinding met God’s geestenwereld. Elkeen bezat voor het grootste deel de natuurlijke geschiktheid voor dit geestenverkeer. Hun eigen geest, die op het hoge en goddelijke was gericht, beschikte over de mogelijkheid de mededelingen van de geestenwereld te ontvangen door “geestelijk zien, horen en voelen”. Het was hetzelfde, wat u tegenwoordig met “helderziendheid, helderhorendheid en helder-aanvoelen” aanduidt. Men had dus geen tussenpersoon nodig, door wie de boodschappen van gene zijde werden overgebracht.’
`Deze gaven verdwenen, toen de mensheid zich van God afwendde en de gedachte en het streven alleen op het aardse richtte. Door het overmatig haken naar geld en andere stoffelijke goederen vergat men God. Daardoor werd niet alleen de verbinding met de goede geestenwereld verbroken, maar ook verdwenen die gaven, die vroeger het verkeer met de geesten mogelijk hadden gemaakt. En thans is het grootste deel van de mensheid zo ver, dat men in het geheel niet meer denkt en gelooft aan de mogelijkheid van zo’n verbinding. Naar verhouding zijn er weinigen, die in deze tijd die gaven nog bezitten en op de wijze van de vroegere Godsgetrouwe mensen met de wereld van de goede geesten in verbinding staan.’
`Maar de tijd zal komen, dat het wat dit betreft weer zo zal zijn als vroeger, dus dat iedereen door zijn persoonlijke vermogens van het geestelijk zien en horen met gene zijde in verbinding kan komen.’
`In die tussentijd moeten echter de mensen, die nog in God geloven op een andere manier met de geesten in verbinding komen. Ook velen, die niet in God geloven, moeten de werkzaamheid van de geestenwereld met hun zintuigen waarnemen en daardoor innerlijk wakkergeschud worden, zodat zij weer tot het geloof aan God, het hiernamaals en het voortbestaan na de aardse dood zullen komen.’
‘Daarvoor gaf God aan de tegenwoordige mensheid de zogenaamde “media”. De betekenis van deze benaming is je reeds uit vroegere mede- delingen bekend. Maar daar het juiste begrip van het wezenlijke van de “media” tot het belangrijkste op het gebied van het verkeer met de geesten behoort, wil ik niet nalaten, je daaromtrent uitvoerig in te lichten.

Ik beperk mij daarbij tot de menselijke media en zie af van de gevallen, waarin ook dieren als media dienen.’
‘”Media” zijn tussenpersonen of menselijke werktuigen, van wie de geestenwereld zich bedient om zich aan de mensen te openbaren. Daar de geestelijke wezens voor dit doel odkracht nodig hebben zijn de “media” mensen, die voor de geestenwereld als bron van odkracht dienen.’
`De media geven in hoofdzaak hun eigen od af aan de geesten, die zich openbaren. Zij zijn gelijktijdig ook verzamelplaatsen voor het od, dat de niet- media als deelnemers aan de zogenaamde spiritualistische bijeenkomsten afgeven. Zoals bij de bouw van een waterleiding menigmaal het water uit vele kleine bronnen met dat van de hoofdbron wordt verenigd om de capaciteit van de hoofdbron te verhogen, wordt ook de odafgave van een medium versterkt, doordat het medium de zwakkere odkrachten van de deelnemers in zich opneemt.’
`Ofschoon alle mensen odkracht bezitten, is deze toch bij de meesten te zeer aan het eigen lichaam gebonden om afgegeven te worden. Zij kan dus door de geesten niet in voldoende sterkte worden gebruikt.’
`Mensen, die de eigenschap van medium hebben, zijn zeer “sensitief ‘. Dit betekent, dat zij door het gemakkelijk loslaten van hun od alle indrukken veel dieper ervaren dan andere mensen. Dit is niet iets ziekelijks, zoals de aardse geleerden menen. Ook heeft het niets te maken met nervositeit, hysterie of zwakte van wil. Integendeel de goede geesten kunnen nerveuse, besluiteloze en zieke mensen niet als “media” gebruiken. Een goed medium heeft meer wilskracht en sterkere zenuwen en is organisch gezonder dan welk ander mens ook.’
‘Overeenkomstig de verschillende doeleinden, waarvoor de geestenwereld de odkracht van een medium gebruikt, worden verschillende soorten van media onderscheiden.’
`1. Wordt de odkracht gebruikt om met een tafel bewegingen voort te brengen van op- en neergaan, of om klopgeluiden van de tafel te veroor- zaken, dan hebt u daarvoor de naam “tafel-media”.’
‘Het op- en neergaan of kloppen van de tafel wordt als hulpmiddel gebruikt om mededelingen van de geestenwereld te verkrijgen. Dit is de laagste soort van verkeer met geesten, want het zijn bijna zonder uitzondering laagstaande geesten, die zich met tafeldans-bijeenkomsten bemoeien. De hogere geestenwereld kiest deze soort van openbaring niet. Zo komt het voor, dat bij zulke bijeenkomsten de optredende lage geesten vaak baldadigheden begaan, die de aanwezige deelnemers soms door eigen bedriegerijen nog ondersteunen. Helaas komt door het zogenaamde “tafeldansen” met zijn deels belachelijke, deels leugenachtige mededelingen ook de hogere soort van geestenverkeer in opspraak.’
‘Zoekers naar God en vrienden van de waarheid zullen daarom deze soort van geestenverkeer schuwen en alleen die methoden kiezen, die het hoge doel waardig zijn.’
`2. Worden mededelingen van de geestenwereld door schrijven van een mens overgebracht, dan noemt u hem een “schrijvend” medium.’

`De wijze, waarop het schrift tot stand komt, is bij de “schrijvende media” zeer verschillend. Aan de één worden de gedachten bij het volle persoonlijke bewustzijn ingegeven en door hem neergeschreven. Men noemt zo iemand een “inspiratie-medium”. Van een ander wordt de hand geleid, en tegelijkertijd worden de woorden, welke de hand schrijft, in de geest geïnspireerd. Dit alles bij het volle bewustzijn van het medium. De gelijktijdige inspiratie is bij hen nodig, die aan de leiding van de hand te veel tegenstand bieden. – Weer anderen weten alleen, dat zij schrijven, maar de inhoud van het geschrevene is hun niet bekend. – Nog anderen schrijven in een toestand van volkomen bewusteloosheid; zij weten dus noch dàt zij schrijven, noch wàt zij schrijven.’
‘Toch komen bij hetzelfde schrijvende medium vaak deze verschillende methoden van schrijven voor.’
‘Geheel verschillend van deze wijze van mediamiek schrijven is het zogenaamde “directe schrift”. Dit wordt voortgebracht, doordat een geest alleen de odkracht van het medium gebruikt en niet de hand. Met het od, dat aan het medium is ontnomen, materialiseert de geest zijn eigen hand en schrijft daarmee op een voorwerp, dat niet met het medium in aanraking is, bijvoorbeeld op een tafel, op papier of iets dergelijks. Daarvoor heeft hij een aanmerkelijk grotere hoeveelheid od nodig, dan voor het schrijven met de hand van het medium.’
`Twee voorbeelden van “direct schrift” zijn je uit de bijbel bekend. De wetstafelen op Sinaï werden door God’s hand geschreven, zoals in de boeken van Mozes is beschreven : “Deze tafelen waren door God zelf vervaardigd, en het schrift, in de tafelen gegraveerd, was God’s schrift” (Exodus 32: 16).’
‘Toen koning Belsazar bij een gastmaal met de hoge heren uit zijn rijk uit de heilige vaten dronk, die zijn vader uit de tempel te Jeruzalem had geroofd en daarbij zijn afgoden lofliederen toezong, kwamen vingers van een mensenhand te voorschijn, die schreven op de gekalkte wand van de koninklijke zaal tegenover de lichtkroon, zodat de koning de rug van de hand zag, die daar schreef ‘ (Daniel 5:5).’
`In plaats van schrijven kan de hand van het medium door de geesten ook voor tekenen en schilderen worden gebruikt. In deze gevallen spreekt men van “teken- en schilder-media”. Het verloop is echter hetzelfde als bij schrijven.’
`3. Een ander soort schrijfmedia zijn ook de zogenaamde “planchette- media”. Een “planchette” is een plaat van hout, metaal of een dergelijke stof, waarop de letters van het alfabet, cijfers en andere tekens zijn aan- gebracht. De oppervlakte van de planchette is glad, opdat een voorwerp daarop gemakkelijk heen en weer geschoven kan worden. Het medium legt bij volle bewustzijn de hand op een licht bewegelijk voorwerp, dat van een punt of een wijzer is voorzien en op de gladde plaat ligt. Het wacht dan af, tot het voorwerp met de wijzer naar de letters wordt bewogen. De punt van de wijzer wijst achtereenvolgens de verschillende letters aan, uit de samenstelling waarvan woorden en zinnen worden gevormd.’
‘Het planchette-medium zit met gesloten ogen, of beter nog geblinddoekt, zodat het zelf de letters niet kan zien, daar anders het gevaar bestaat, dat het bij het bewegen van de hand zelf meehelpt en op die manier zijn eigen gedachten weergeeft.’
`De beroemdste “planchette” was in het Oude Testament het “borstschild” op het kleed van de hoge priester. Hijzelf was het medium.’
‘Het “borstschild” wordt in de bijbel volgens uw tegenwoordige vertaling, “orakelschild” genoemd, omdat het door de Israelieten voor het “vragen aan God” werd gebruikt. Het was vierkant en met vier rijen edelstenen bezet. In de eerste rij waren een carneool, een topaas en een smaragd; de tweede rij bestond uit een robijn, een safier en een jaspis; de derde rij uit een hyacint, een agaat en een amethist; de vierde rij uit een chrysoliet, een soham en een onyx” (Exodus 39: 10-11-12-13).’
`Op iedere edelsteen was een letter gegraveerd, overeenkomstig de namen van de twaalf stammen van Israël. Daardoor vormden zij een soort alfabet. Edelstenen werden gekozen, omdat zij een grote odkracht bezitten en de mediamieke kracht van de hoge priester versterkten. Tussen de edelstenen was een brede, gladde gleuf van goud, zonder hoeken en kanten.’
‘Daarbij behoorde ook de zogenaamde “voorhoofdsplaat”, het heilige diadeem van goud, waarop de woorden waren gegraveerd : “Aan de Heer gewijd”. Het was met een snoer van blauwe purper aan het hoofddeksel van de hoge priester bevestigd. Het was het belangrijkste voorwerp bij het vragen aan God en was daarom met recht van het inschrift voorzien “Aan de Heer gewijd” (Exodus 39:30-31).’
‘Bij het “vragen aan God” maakt de hoge priester het borstschild aan de onderkant van het priesterkleed los en bracht het in een horizontale stand. Dan maakte hij de “voorhoofdsplaat” los van zijn hoofddeksel en legde deze in een van de gleuven tussen de edelstenen. Dan hield hij zijn hand boven het borstschild, zonder dit of de daarop liggende “hoofdplaat” aan te raken. De zeer sterke odkracht van de hoge priester werd door de geestenwereld van God gebruikt om de gouden “hoofdplaat” in beweging te brengen. Deze gleed door de gouden gleuven en stootte met het kleine oogje, waardoor het aan de hoofdplaat was bevestigd, tegen de edelstenen, waarvan men de letters in de volgorde, waarin zij door de hoofdplaat werden aangegeven, tot een woord samenvoegde. Was zo’n woord gevormd, dan gleed de hoofdplaat naar de rechter rand van het orakelschild en stootte daar tegen een klein klokje als teken, dat het woord was voltooid. Was door samenvoeging van de woorden een zin beeindigd, dan gleed de hoofdplaat zowel naar de rechter- als naar de linkerkant van het orakelschild en liet de zich aan beide zijden bevindende klokjes na elkaar klinken. Dit dubbele teken kondigde aan, dat de zin ten einde was. Daarom was iedere vergissing uitgesloten. Geen letter, die tot een volgend woord behoorde, kon bij een voorafgaand woord worden gevoegd en geen woord bij een volgende zin, dat tot de voorafgaande zin behoorde.’
‘Daar door deze werkwijze Gods antwoord zonder de mogelijkheid van enig misverstand werd verkregen, noemde men de hoofdplaat samen met de klokjes als teken van de waarheid en klaarheid “de heilige loten”. In de Hebreeuwse tekst worden ze “urim en thumin” genoemd, wat ook “waarheid en klaarheid” betekent.’

`In de tijd van de Israëlitische koningen werd dit “orakelschild” veelvuldig voor het vragen aan God gebruikt, waarbij de priesters als medium optraden. Vooral David was het, die in bijna alle belangrijke aangelegenheden door de priester Abiatar met gebruikmaking van het “orakelschild”, aan God vroeg en Gods antwoorden in ontvangst nam.’
`4. De belangrijkste media voor het overbrengen van de waarheid zijn de “sprekende media”, zodra ze tot volle “trance-media” zijn ontwikkeld. “Volle- trance” is bij een medium aanwezig, wanneer de eigen geest volkomen uit het lichaam is uitgetreden. In deze toestand lijkt het medium op een lijk, met dit verschil, dat de uitgetreden geest nog door een odband met zijn lichaam verbonden blijft, wat bij een lijk niet het geval is. Bij dit laatste ontbreekt de odband. Door deze odband ontvangt het lichaam van het medium van de uitgetreden geest zoveel levenskracht, dat de lichaamsorganen werkzaam blijven. Langs deze odband keert later de uitgetreden geest van het medium weer in het lichaam terug.’
`In de plaats van de uitgetreden geest treedt een andere geest in het lichaam van het trance-medium en geeft met behulp van de spreekorganen van het medium zijn mededelingen door. Daarbij bedient hij zich van de odkracht, die bij de uittreding van de geest van het medium in diens lichaam is achtergebleven.’
`Een volle-trance-medium weet vanzelfsprekend niets van dat wat de vreemde geest heeft gesproken. Wanneer het weer tot zichzelf komt, doordat zijn eigen geest weer in zijn lichaam intreedt, is het hem, alsof het heeft geslapen. U spreekt daarom van een “mediamieke slaap” van de “volle-trance- media”.’
`Voor hen, tot wie een vreemde geest door een medium spreekt, is het van het grootste belang, te weten wat voor een geest van het lichaam van het medium bezit heeft genomen; of het een hoge of een lage, een goede of een boze geest is. Daarom raad ik iedereen aan te toetsen, of de geesten werkelijk door God zijn gezonden, of dat zij boze geesten zijn. Dat kunt u door hen in naam van God te laten zweren, wie zij zijn en vanwaar zij komen. Een goede geest zal de eed afleggen, een boze niet. Is het een goede geest, dan zal hij u mededelingen doen, vermaningen, onderricht en raad geven, die voor uw bestwil zijn. Is het echter een boze geest, zend hem dan weg, maar geef hem vooraf de raad, zich tot God te wenden en tot God te bidden.’
‘Treden in trance-media geesten in, die wel is waar tot de lage en zwaar lijdende geesten behoren, maar van goede wil zijn, dan moet u hun de toestand duidelijk maken, hen op God wijzen en met hen bidden. Op deze wijze kunt u vele “arme zielen”, zoals u deze geesten pleegt te noemen, een grote weldaad bewijzen, en zij zullen u daarvoor steeds dankbaar blijven.’
`De plicht de geesten te beproeven werd ook de eerste christenen door de apostelen steeds ingeprent. Elke christelijke gemeente werd daarover zorgvuldig ingelicht, zoals ook de mensen van het Oude verbond hiervan nauwkeurig op de hoogte waren.’

`5. De “apport-media” zijn meestal ook volle-trance-media. Hun odkracht wordt door de geestenwereld gebruikt om stoffelijke voorwerpen van buitenaf in gesloten ruimten te brengen of uit gesloten ruimten naar buiten te dragen. De toestand van “volle-trance” is daarom in de meeste gevallen noodzakelijk, omdat de geesten al het lichamelijke od van het medium nodig hebben om de “apporten” mogelijk te maken. De stoffelijke voorwerpen, die “geapporteerd” worden, moeten namelijk op de ene plaats worden opgelost en op de andere plaats weer tot materie worden verdicht. Er zijn zeker ook media, die zonder “volle-trance” zoveel od kunnen afgeven, dat het voldoende is om de “apporten” tot stand te brengen, vooral als verschillende sterke media gelijktijdig als odbronnen dienen. Ofschoon u lichamelijk de buitengewoon grote hitte, die door de odbronnen voor het oplossen van de materie wordt ontwikkeld, niet kunt voelen, kunt u toch nog iets van deze hitte achteraf bij de her-verdichting van de geapporteerde voorwerpen waarnemen. Een voorbeeld moge u dit duidelijk maken. Zogenaamde “spookgeesten” brengen soms vanuit de straat stenen, zand of dergelijke stoffen in gesloten ruimten van een huis. Zij kunnen dat alleen doen als zij over voldoende odkracht beschikken, waarmee zij de hete krachtstromen voortbrengen. Daarmee lossen zij de materie van de voorwerpen op, brengen de tot od opgeloste materie in de kamer en verdichten daar het od weer tot vaste stof. De weer belichaamde stof voelt nu heet aan. Want al geschiedt ook de verdichting door koude krachtstromen, er blijft toch nog een deel van de zeer grote hitte, gebruikt voor de oplossing van de materie over, zoals u dit bij gloeiend staal waarneemt, dat men door onderdompelen in koud water heeft afgekoeld.’
‘Soms.wordt het lichaam van een medium zelf van de ene plaats naar de andere overgebracht, menigmaal zelfs over zeer grote afstand. Het lichaam wordt eveneens op de ene plaats opgelost en op de andere weer tot materie verdicht.’
‘Toen de profeet Habakuk, zoals in het Oude Testamen wordt verhaald met het voedsel, dat hij bij zich droeg, door een engel Gods naar Daniël in de leeuwenkuil moest worden gebracht, heeft de engel hem niet door de lucht gedragen, zoals u schijnt aan te nemen, maar hem met alles, wat hij bij zich droeg, opgelost en in de leeuwenkuil weer gematerialiseerd. – Hetzelfde gebeurde met Philippus, van wie de apostelen u vertellen. Toen hij de kamerdienaar van koningin Candacé van Ethiopië had onderricht en gedoopt “ontvoerde de geest des Heren hem naar de stad Azôte. De geest loste het lichaam van Philippus op, zodat hij plotseling uit de ogen van de kamerdienaar was verdwenen” en materialiseerde hem weer in de stad Azôte” (Handelingen 8:26 tot 40).’
‘Zulke gebeurtenissen zijn voor de mensen zo onbegrijpelijk, omdat zij de krachten niet zien, die daarbij werkzaam zijn. Het feit, dat materie en ook lichamen van levende mensen opgelost kunnen worden op de ene plaats en weer belichaamd op een andere plaats, kan ook thans niet meer worden tegengesproken, want de gevallen, waarbij oplossing en wederbelichaming van stoffelijke dingen en ook van personen onweerlegbaar zijn aangetoond, zijn te talrijk. De natuurwetten, volgens welke dat alles geschiedt, zullen je, na de voorafgegane verklaringen voldoende duidelijk zijn.’
`6. Bij de “materialisatie-media” wordt de gehele lichamelijke odkracht van het medium gebruikt, om aan één of meer geesten de mogelijkheid te bieden, zich voor uw menselijke ogen zichtbaar te maken. Omdat al het od van het medium daarvoor wordt gebruikt, moet de eigen geest uit het medium worden verwijderd. Het hangt af van de hoeveelheid van het ter beschikking staande od of dat od daarna de gehele gestalte, dus alle delen van het lichaam van de vreemde geest bekleedt òf slechts het een of andere deel, bijvoorbeeld de ogen of het gezicht of de handen. Moet de belichaming zo volledig zijn, dat de betreffende geest er als een aards wezen uitziet, dan is het od van het medium onvoldoende. Er moet dan ook nog materie aan zijn lichaam worden ontnomen en in odvorm voor de belichaming van de geest worden gebruikt. Een medium verliest in zo’n geval zoveel aan lichaamsgewicht, als aan od en materie aan de vreemde geest wordt afgestaan. De gewichtsafname van het medium wordt door uw geleerden vastgesteld met een automatische weegschaal, waarop zij het medium vooraf laten plaatsnemen. Er zijn gevallen, waarin “materialisatie-media” in enkele minuten wel tachtig pond aan lichaamsgewicht verliezen. Toch blijft zowel het afgegeven od, als de afgegeven materie, door de odband met het medium verbonden en stroomt na oplossing van de materialisatie van de geest weer terug in het lichaam van het medium. Daarom vinden de belichamingen steeds in de nabijheid van het medium plaats. Ook kunt u waarnemen, hoe de bewegingen van de gematerialiseerde geest vaak worden begeleid door soortgelijke bewegingen van het medium, want er is een zeer nauwe verbinding tussen het medium en de gematerialiseerde geest. Als je handen en armen door strak aangehaalde banden met de handen van iemand anders zijn verbonden, en je maakt daarmee bewegingen, dan veroorzaak je ook gelijksoortige bewegingen van de handen en armen van de ander. Zulke geestelijke odbanden bestaan ook tussen de gematerialiseerde geest en het medium.’
‘Uit het nauwe verband tussen medium en gematerialiseerde geest wordt nog een ander verschijnsel verklaard, dat voor uw geleerden evenzeer onbegrijpelijk is. Zij hebben namelijk vastgesteld, dat bij materialisaties vaak geuren van allerlei aard van, de media uitgaan. Nu eens zijn het welriekende geuren, dan weer is het stank of een onverdraaglijke lucht. Deze geuren hangen af van de geaardheid van de geesten, die zich opbouwen met het od van het medium. Bij de leer over het od heb ik je reeds uitgelegd, dat het od in de geur de eigenschappen van de geest aanneemt, welke het omgeeft. Het aan het medium onttrokken en door een geest voor zijn materialisatie gebruikte od neemt daarom de lucht aan, die met de aard van die geest overeenkomt. En omdat het gematerialiseerde od van de geest nauw verbonden blijft met het medium, stroomt de odlucht van de geest ook op het medium over. Daar- door wordt de indruk gewekt, dat het medium de oorzaak is van de aangename of onaangename geur. In werkelijkheid komen dus al die geuren van de geesten, die zich met het od van het medium hebben gematerialiseerd.’

`7. Nu is er nog een soort media, die voor de mensheid nadelig is, want deze worden meestal door boze wezens gebruikt. Het zijn de zogenaamde “fysische media”. De geesten gebruiken de odkracht van deze media om voorwerpen te bewegen, welke zich in het bereik van het medium bevinden. Tafels, stoelen en gereedschappen van allerlei soort worden opgeheven en zweven van de ene plaats naar de andere, instrumenten beginnen te spelen, een trompet verheft zich in de lucht en blaast, op een aanwezige trommel klinken slagen, bellen vliegen door de kamer en luiden, en er gebeuren talloze soortgelijke dingen.’
‘Dat goede geesten zich niet op deze wijze gedragen, is vanzelfsprekend, want het is niet het werk van de goede geestenwereld om verschijnselen voort te brengen, alleen ter bevrediging van de menselijke zucht naar sensatie. Dit geldt stellig ook voor heel veel verschijnselen, die bij de andere soorten media voorkomen. Maar bij hen is dit niet zo regelmatig het geval als juist bij de ‘fysische media”.’
`Als je mij vraagt, met welk doel de lagere geesten in de tegenwoordige “spiritistische seances” zulk een “carnaval” houden, en mogen houden, dan antwoord ik je daarop, dat de lage geesten dezelfde vrijheid van wil hebben als de lage en boze mensen. Zoals deze laatsten in hun doen en laten niet worden gehinderd, zo wordt ook de vrijheid van de geesten niet verminderd, ook niet van de boze, tenminste niet binnen bepaalde grenzen. Volledige vrijheid hebben zij zeker niet, anders zouden zij nog veel meer onheil in de mensheid aanrichten, dan zij nu reeds doen. Want het doel van de mensheid is om tot God te komen, en met het oog op dit doel heeft God aan de werkzaamheden van de bozen een bepaalde grens gesteld. Maar ook zelfs het “carnaval” van het boze, zoals je het noemde, dat in de hedendaagse spiritistische bijeenkomsten voorkomt, heeft vaak toch ook een goede uitwerking. Want in de tegenwoordige tijd, waarin zovelen niet willen geloven in een God, in een “gene zijde”, in een geestenwereld en in een voortleven na de aardse dood, is het reeds nuttig, dat de mensen dergelijke dingen beleven, opdat zij daarover gaan nadenken, aan hun ongeloof gaan twijfelen en naar de waarheid beginnen te zoeken. Dit geldt ten opzichte van alle gebeurtenissen in uw hedendaagse spiritistische seances, vanaf het tafeldansen en kloppen van tafels tot aan de fysische verschijnselen en de geestenbelichamingen toe. Zelfs al heeft de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten bij de meesten geen andere reden dan het beleven van sensatie, toch blijft er bij zeer velen de indruk achter, dat er zo iets als een gene zijde moet bestaan. Al is dit ook geen groot resultaat, het is toch altijd nog beter dan dat zij in het geheel niet op een gene-zijde worden gewezen.’
‘Wat de mensheid zeer zeker nodig heeft, is een grondige verklaring over het bestaan van het geestenverkeer en over de manier waarop men met de goede geestenwereld in verbinding kan treden. En dat moet je levenstaak zijn. Voor dit doel ontvang je al dit onderwijs. Het is niet alleen voor jezelf, maar ook voor je medemensen bestemd. Je moet hun deze waarheden mededelen, zoals je dit zou doen aan je broers en zusters. Wanneer aan de mensen wordt verteld, op welke wijze zij de verbinding met de goede geestenwereld moeten zoeken, dan wordt elke spiritistische seance een verheffende godsdienstige bijeenkomst.’

`8. Uw geleerden rekenen ook degenen, die de gave hebben van “helderziendheid” en “helderhorendheid” tot de media. Dat is niet juist. Wel hebben de helderzienden, de helderhorenden en de helderaanvoelenden mediamieke krachten, maar werkelijke media zijn ze niet. Bij hen is het immers de eigen geest, die werkzaam is, die ziet en hoort, terwijl bij de eigenlijke “media” een vreemde geest werkzaam is en de eigen geest wordt uitgeschakeld.’
`De gaven van “helderziendheid” en “helderhorendheid” stellen de geest van de mens wel is waar in staat de geesten, die hem omringen, te zien en te horen, maar de helderziende is geen werktuig van deze geesten en behoort daarom niet tot de media. De geest van de helderziende, helderhorende, helderruikende, helderproevende of heldervoelende ontvangt deze vermogens uitsluitend, doordat hij in staat is zich in meerdere of mindere mate van zijn lichaam los te maken. De geest, die van het lichaam is losgemaakt en gedeeltelijk uit het lichaam is getreden, is daardoor niet meer aan de lichamelijke zintuigen gebonden. Hij bezit de krachten en eigenschappen van de lichaamloze geest. Hij ziet, hoort en voelt zoals de geesten van gene-zijde, afhankelijk van de losmaking van zijn lichaam en de fijnheid van het hem omringende od. De zuiverheid van het od speelt bij de “helderzienden” een grote rol, want door een vuil glas kan men niet duidelijk zien. Om dezelfde reden zijn ook de geesten van gene-zijde, elk naar de gesteldheid van hun odlichaam, zeer verschillend in hun geestelijke vermogens. De één ziet, hoort en voelt, wat de andere geesten niet kunnen waarnemen. Hetzelfde is het geval met de mensen, die zijn toegerust met de gaven van het helderzien, helderhoren en heldervoelen. Ook bij hen bestaan deze gaven in talloze graden, van de minst ontwikkelde tot de hoogste trap. De één voelt alleen de nabijheid aan van de hem omringende geesten en hun uitwerking. Maar de geesten zelf zien en horen zij niet. Weer anderen zien de geesten, maar horen ze niet. Nog weer anderen zien ze en horen ook hun woorden, en kunnen de afzonderlijke geesten naar hun wezen onderscheiden.’
`De vele vergissingen, die bij uw helderzienden in hun beweringen in sluipen, kunnen worden verklaard, doordat bij de meesten de gave zeer onvolkomen aanwezig is.’
`In het Oude en het Nieuwe Testament vindt u menige verwijzing naar helderziendheid. Van de aartsvader Jacob wordt verhaald: “Toen Jacob zijnsweegs ging ontmoetten hem “Engelen Gods”” Zodra Jacob ze zag zei hij : ‘Dit is het kamp Gods” (Genesis 32: 1-2).’
‘Toen in de tijd van David een engel Gods de pest als een strafgericht over het volk Israël bracht, zag David deze Engel. “De Engel des heren was echter juist bij de dorsvloer van Arauna de Jebusiet aangekomen. Toen nu David de engel zag, die het sterven onder het volk veroorzaakte, riep hij biddend tot de heer: Ach, ik ben het, ja, die heeft gezondigd, en ik heb verkeerd gehandeld. Maar deze kudde, wat heeft die voor schuld?” (2 Samuel 24, 16, 17).’

`De profeet Eliza had de gave van helderziendheid. Van hem verhaalt het boek der Koningen, dat hij helderziend waarnam, hoe zijn dienaar Gehazi de genezen hoofdman Naäman naliep en hem onder valse voorspiegelingen om geschenken voor Eliza vroeg. Toen hij deze voor eigen gebruik in zijn huis had verborgen en voor Eliza trad, vroeg deze hem: “Waar kom je vandaan, Gehazi?” – Hij antwoordde: “Ik ben helemaal niet uit geweest.” Toen sprak Eliza tot hem: “Ben ik niet in de geest met je geweest, toen iemand van zijn wagen af stapte om je te ontmoeten? Is het nu tijd om geld en kledingstukken aan te nemen en tuinen en wijnbergen, kleinvee en runderen, knechten en dienstmaagden te verwerven?” (2 Koningen 5:20-27).’
‘Eliza zag ook de toekomst van Hazaël vooruit door helderziendheid. Daarover verhaalde hetzelfde boek der Koningen: “Eliza staarde strak voor zich uit, was verbijsterd tot het uiterste, en barstte toen in tranen uit. Toen Hazaël hem nu vroeg: “Waarom weent mijn heer?” antwoordde hij : “Omdat ik weet, hoeveel kwaad je aan de Israëlieten zult doen. Hun vestingen zul je in brand steken, hun jongelingen met het zwaard doden, hun zuigelingen verpletteren en hun zwangere vrouwen het lichaam openrijten. Want God de Heer, heeft je aan mij getoond als koning over Syrië” (2 Koningen 8:11-14).’
‘Helderziend zagen de grote profeten zowel de tot hen gezonden geesten, als ook het lot van de mensheid, de volkeren en personen. Dit werd hun door de geestenwereld meestal in symbolen geopenbaard. Aan de “helderziendheid” was bij hen ook het “helderhoren” verbonden. Als voorbeeld daarvan moest je het boek Daniël eens nalezen en vooral de passages, waarin over de verschijning van de aartsengel Gabriël wordt verhaald: “Terwijl ik nog mijn gebed deed, kwam Gabriël, die ik eerst in een gezicht had gezien, in de gestalte van een mens snel op mij toe, omstreeks de tijd van het avondoffer. Hij wilde mij een verklaring geven en sprak mij aan met de woorden : “Daniël, nu ben ik gekomen om je een helder inzicht te geven. Toen je begon met bidden, werd een woord God’s geschonken, en ik ben gekomen om je het te verkondigen; want je bent een bijzonder geliefd man. Let nu dan op het woord, opdat je de openbaring goed begrijpt” (Daniël 9:21). “Op de vier en twintigste dag van de eerste maand bevond ik mij aan de oever van de Tigris en toen ik mijn ogen opsloeg en om mij heen keek, zag ik daar een mens staan, die in linnen was gekleed en een gordel van ofirgoud om de heupen droeg. Zijn lichaam was als chrysoliet, zijn gelaat lichtte als de schijn van de bliksem en zijn ogen brandden als vuurfakkels; zijn armen en benen fonkelden als gepolijst brons en als hij sprak klonk zijn stem als het razen van een volksmenigte. – Ik, Daniël, was de enige, die de verschijning zag, terwijl de mannen, die bij mij waren, de verschijning niet zagen; maar een grote schrik overviel hen, zodat zij de vlucht namen om zich te verbergen. Zo bleef ik dan alleen achter en zag die geweldige verschijning; maar alle kracht verdween uit mij; mijn gezicht verbleekte en werd onherkenbaar en ik werd volledig krachteloos. Toen hij dan luid begon te spreken en ik de klank van zijn woorden vernam, zonk ik onmachtig met mijn aangezicht ter aarde neer. En zie, een hand raakte mij aan en hielp mij, zodat ik mij sidderend op mijn knieën en handen oprichtte” (Daniel 10:4-10).’

“Deze beide passages uit het boek Daniël heb ik uitvoerig vermeld, omdat deze zeer leerzaam voor je zijn en de juistheid van veel van de lessen, die ik je tot nu toe heb gegeven, bevestigen. In de eerste plaats heb je hier het feit van het helderzien en helderhoren in de meest duidelijke vorm. Daniël ziet de geestgestalte, terwijl zijn begeleiders deze niet zien. Maar daar de begeleiders ook “mediamiek” waren, voelden zij de nabijheid van de geest en zijn geweldige odkracht, en zij vluchtten verschrikt. Hier is het door mij vermelde feit bevestigd, dat vele mensen wel is waar de geesten niet kunnen zien en horen, maar wel hun nabijheid aanvoelen. Bovendien is hier, als op zo veel andere plaatsen in de bijbel, het bewijs geleverd, dat de geesten een gedaante en geestelijke ledematen hebben gelijk aan die van een mens. Uiteindelijk voelde Daniël een hand, die hem aanpakte en oprichtte. Het was de hand van Gabriël, die hij met behulp van de odkracht van Daniël had gematerialiseerd. Want alleen met een gematerialiseerde hand kon Gabriël een mens oprichten. Het luide spreken van de geest en de belichaming van zijn hand vergde zoveel odkracht, dat Daniël krachteloos ter aarde zonk en Gabriël hem met zijn eigen geestelijke odkracht moest sterken. “Toen raakte hij, die er als een mens uitzag, mij nogmaals aan, en gaf mij nieuwe kracht” (Daniel 10 : 18).’
‘Uit het Nieuwe Testament zou ik slechts het “helderzien” van de apostel Paulus willen vermelden. In Troas zag Paulus ’s nachts plotseling een macedonische man voor zich staan, die hem verzocht: “Korn paar Macedonië en help ons!” (Handelingen 16:9). – Op een andere nacht kwam de Heer tot Paulus en zei: “Heb goede moed, Paulus! want zoals je in Jeruzalem van mij hebt getuigd, zo moet je ook in Rome voor mij getuige zijn” (Handel. 23:11). Bij een overtocht naar Italië zei Paulus tot de zeelieden op het schip: “Mannen, ik voorzie, dat onze vaart zal geschieden met gevaar en grote schade, niet alleen voor de lading en voor het schip, maar ook voor ons leven” (Handel. 27:9, 10-11). Ik heb je reeds gezegd, dat het zien van grote gebeurtenissen in de toekomst alleen mogelijk is, wanneer de geestenwereld deze in een beeld aan de helderziende toont. Dit vinden wij ook in dit geval bevestigd. Want toen de scheepslieden geen acht sloegen op de waarschuwing van Paulus en de reis waagden, geraakten zij in een storm, moesten een deel van de lading en ook het scheepstuig over boord werpen, en allen hadden elke hoop op redding opgegeven. “Toen stond Paulus op te midden van hun en zeide: “Gij mannen! u hadt naar mij moeten luisteren en niet van Kreta moeten afvaren; dan was ons dit ongeluk en deze schade bespaard gebleven. Doch zoals de feiten nu staan, roep ik u op, goedsmoeds te zijn; want geen van u zal het leven verliezen; alleen het schip is verloren. Want in deze nacht is mij een engel Gods verschenen, aan wie ik toebehoor en die ik ook dien, en hij zei tot mij: “Vrees niet, Paulus! Je moet voor de keizer treden; en zie, God heeft je het leven van al je reisgenoten geschonken. Daarom, zijt goedmoeds, mannen ! Want ik heb het vaste vertrouwen in God, dat het alzo zal geschieden, zoals het mij is getoond. Doch wij moeten op een of ander eiland stranden” (Handel. 27:21-27)’
‘Aan de Korinthiërs schrijft Paulus: “lk, die met het lichaam wel afwezig, maar met mijn geest bij u tegenwoordig ben, heb over deze mens, die zo verkeerd gehandeld heeft, alreeds recht gesproken, alsof ik bij u was” (1 Korinthe 5:3).’
“Evenzo schrijft hij aan de Kolossensen: “Want al ben ik lichamelijk ver weg, toch is mijn geest bij u tegenwoordig, en ik zie met vreugde uw vastbesloten houding en het vaste bolwerk van uw geloof ‘ (Kol. 2:5).’
‘Uit de beide laatst aangehaalde passages blijkt, dat de geest van Paulus uittrad en aanwezig was bij de gebeurtenissen, die op grote afstand plaats vonden.’