Tweede deel
De wetten voor het verkeer van de geesten met de materiele schepping

ALGEMENE OPMERKINGEN

Ik weet, dat alles, wat God heeft bepaald, eeuwig zal gelden. Men kan er niets aan toevoegen en er niets van afdoen. En God heeft dat zo gemaakt, dat men eerbied voor Hem hebbe. Prediker 3:14

Vanaf de eerste aanraking met de geestenwereld werd mij beloofd, dat mij de wetten zouden worden onderwezen, volgens welke het verkeer van de geesten met de materiële wereld, in het bijzonder met de mensen, tot stand komt.
Zou aan deze belofte worden voldaan, dan beduidde dit voor mij een nieuw, onweerlegbaar bewijs voor de waarheid van wat ik tot nu toe uit deze bron aan mededelingen had ontvangen. Persoonlijk wist ik van deze wetten niets af, nog veel minder de media, die op elk wetenschappelijk gebied onervaren waren, zodat zij uit zichzelf geen mededelingen daarover konden doen.
Aan de mij gedane belofte werd in veel volmaakter wijze voldaan dan ik had durven verwachten. Het onderricht, dat mij over de wetten van het geestenverkeer werd gegeven, was van een duidelijkheid en overtui- gingskracht, zoals alleen bij de zuivere waarheid is te vinden. Alle vragen, die ik stelde, werden mij uitvoerig tot in de kleinste bijzonderheden beantwoord. Nooit kon ik ook maar de minste tegenspraak ontdekken in hetgeen mij werd onderwezen. Alles greep in elkaar, zoals bij een fijn uurwerk. Mijn leermeester was dezelfde geest, die mij reeds bij mijn tweede bijeenkomst had beloofd mij van alle waarheden op de hoogte te stellen. Hij bediende zich daarvoor als instrument van dezelfde jongen als in het begin. Daar deze slechts een middelmatige schoolontwikkeling had, werden ook bij hem de woorden van de apostel Paulus waarheid ‘Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen; en wat de wereld voor laag en verachtelijk houdt, wat voor de wereld geen waarde heeft, dat heeft God uitverkoren om teniet te doen, wat in de ogen der wereld groot is. Want geen sterveling moet zich op zijn eigen daden voor God kunnen beroemen’ (N.T. Johannes Greber, 1 (Korintiërs)Corinthe 1:27-29).
‘Gij mensen’ -zo begon de geest zijn onderricht- `schijnt aan te nemen, dat alleen in de materiële wereld wetten heersen. Dat is een vergissing. God is een God van ordening en-van stelselmatigheid in de aardse zowel als in de geestelijke schepping. Hij zelf onderwerpt zich in alles aan de door Hem geschapen wetten en heft geen enkele daarvan op.’
‘Zo moeten ook wij geesten de door God gegeven natuurwetten in acht nemen, telkens als wij met de materiële wereld in verbinding treden. Dat geldt zowel voor de goede als voor de kwade geestenwereld.’

`De mens noemt alles een “wonder” wat hij niet met de hem bekende natuurwetten in overeenstemming kan brengen. Voor hem, die de krachten van de stoffelijke en de geestelijke wereld kent, bestaat er geen “wonder”. Want alles voltrekt zich volgens dezelfde onveranderlijke wetten, waarvan niet één de andere opheft of wijzigt.’
`Wanneer je een steen met de hand in de hoogte heft, wordt daarmee de voor de steen geldende wet van de zwaartekracht, zoals je het noemt, niet opgeheven, maar door de sterkere kracht van je hand overwonnen. Wordt echter een steen door een onzichtbare hand opgeheven, dan zou dat in je ogen een “wonder” zijn, daar je de kracht niet ziet en daardoor van mening zoudt zijn, dat de steen zich zelf opheft. En toch moet er in beide gevallen een kracht zijn, waardoor de steen wordt opgeheven. Of je de kracht ziet of niet, maakt voor het gebeuren zelf geen verschil. In beide gevallen wordt de zwaartekracht, die op de steen werkt, door een sterkere kracht overwonnen.’
‘Zelfs God kan als gevolg van de door Zijn almacht ingestelde wetten niet maken, dat een steen zich vanzelf opheft. Wel had Hij andere wetten voor de materie kunnen scheppen. Nadat Hij echter de nu bestaande wetten voor al het aardse gebeuren heeft vastgelegd, moet Hij ook bij de steen, wil deze worden opgeheven, een kracht in werking stellen, die groter is dan de zwaartekracht, welke op de steen werkt.’
‘Zo is het op elk gebied.’
‘Het is ook geen “wonder”, wanneer de geestenwereld met u mensen, in waarneembare verbinding treedt en met u spreekt. En wanneer ik door deze jongen met u spreek, voltrekt dat zich ook volgens vaststaande wetten, die ik moet nakomen, evenals een boze geest, die door deze jongen zou willen spreken.’
‘Kijk naar uw telefooninstallaties ! Hoeveel natuurwetten moeten daar in werking treden, vóórdat een gesprek tot stand komt. Er moet een krachtstroom voorhanden zijn, draden en andere inrichtingen moeten worden aangebracht, die voor de overbrenging van het gesproken woord noodzakelijk zijn en in overeenstemming zijn met de wetten van de elektriciteit en de akoestiek. Of nu een goed mens het spreekapparaat gebruikt of een misdadiger, beiden zijn aan dezelfde wetten van het spreken op afstand gebonden.’
‘Opdat je een goed begrip zult krijgen van wat je op het gebied van het verkeer met de geesten waarneemt, is het van belang voor je, de voornaamste wetten te leren kennen, die bij het verkeer van de geestenwereld met de materiële schepping gelden. Heb je deze begrepen, dan zal het meeste je duidelijk zijn, wat je op dit gebied tegenkomt en u, mensen, tot nu toe zo onverklaarbaar schijnt.’