Deze mensen spotten met alles, wat zij niet kennen (Judith 1: 10).

Is er voor de mensen een voortleven na de dood? Is er een ‘gene zijde’? Bestaat er een geestenwereld, waarin ook de geesten van de gestorvenen worden opgenomen? En hoe moeten wij ons het bestaan in die andere wereld voorstellen? Welk lot wacht ons daar?
Of – is achter de kerkhofmuur alles afgelopen? Wordt daar met het lichaam ook de geest begraven en blijft er niets over van al het hopen en vrezen van de mens, van zijn strijd en zorgen, zijn vreugden en lijden, zijn goede en slechte daden, dan de doodskop of een handvol as?
Steeds weer dringen deze vragen zich aan ons op. In de stille uren van ernstige ziekte drukken zij zwaar op het vermoeide mensenhart. Aan elk sterfbed, waaraan wij staan, achter elke lijkkist, die wij volgen, trekken zij aan onze geest voorbij. Bij elke grafheuvel komen zij naar boven, op elke grafsteen staan zij diep ingebeiteld.
Wie lost dat grote raadsel van `gene zijde’ voor ons op? Tot wie moeten wij ons met onze twijfel wenden om de onfeilbare waarheid te vernemen? Moeten wij dit aan de verschillende godsdiensten en hun dienaren vragen? Zij leren ons wel het geloof in een ‘gene zijde’ en het voortleven van de menselijke geest. Maar zij brengen hun leer een zware slag toe door het voortleven van de geest van het dier te ontkennen. Want als er geen hiernamaals voor het dier is, op welke grond zou dan de mens voortleven? Mens en dier hebben toch hetzelfde levenslot. Zij worden op gelijke wijze voortgebracht, op dezelfde wijze geboren. Vreugde en smart, recht en onrecht zijn beiden gelijk beschoren, en de een sterft gelijk de ander. De bijbel bevestigt dit ook met de woorden: ‘Het lot van de mensen en het lot van de dieren is hetzelfde. De een sterft evenals de ander. Zij allen hebben dezelfde adem. Een voorrang van de mensen boven de dieren is er niet. Zij gaan allen naar dezelfde plaats. Alles is uit de stof ontstaan en alles keert tot de stof terug. Wie weet dan van de levensadem van de mens, of hij opvaart naar boven, of van levensadem van het dier, of hij neerwaarts vaart naar de aarde?’ (Prediker 3:19-21).
Daarbij komt, dat de kerken onderling elkaar over de belangrijkste vragen over de religie tegenspreken. Van hen kunnen wij dus geen betrouwbaar antwoord verwachten. Feilbare mensen kunnen in deze dingen geen betrouwbare gids zijn.
Hier is slechts één weg tot de waarheid: als er een hiernamaals is en daar een geestenwereld bestaat, dan kan ons het bewijs daarvoor slechts worden geleverd, wanneer de geesten zelf tot ons komen en ons onderwijzen. Want zij alleen kunnen ons omtrent de grote vragen over het voortleven inlichten. Zolang dus deze geestenbrug naar ons niet wordt geslagen, zolang blijven wij

in de duisternis van het onzekere en in de smart van de knagende twijfel.
Maar de mensheid van heden lacht, als iemand ook maar spreekt over de mogelijkheid van het verkeer van de geesten met de mensenwereld. Zij lacht en spot, zoals zij steeds heeft gedaan over alles, wat met de volksmening van haar tijd in tegenspraak was.
Toen Galileï verkondigde, dat de aarde draaide en de zon stilstond, werd hij door zijn tijdgenoten voor krankzinnig gehouden. De kerk beschouwde hem als een ketter en sloot hem buiten haar gemeenschap. Hij werd gevangen gezet en kon aan zijn lijden en vervolgingen slechts een einde maken door zijn leer te herroepen.
Toen de eerste telefoon getoond werd in de akademie der wetenschappen te Parijs verklaarde één van de meest geziene professoren van deze hogeschool de zaak voor bedrog en buiksprekerij.
Alle verkondigers van een nieuwe waarheid is het zo vergaan. Zij werden door de openbare mening van hun tijd uitgelachen, gehoond, met vuil geworpen, verbrand of gekruisigd.
Zo lacht men in onze tijd een ieder uit, die de mensheid tracht te bewijzen, dat er een geestenwereld bestaat, die voor ons mensen niet is afgesloten, maar waarmee wij in verbinding kunnen komen, indien wij deze op de juiste wijze zoeken en de voorwaarden nakomen, waaraan voor zo’n verbinding moet worden voldaan; want niet alleen in de stoffelijke wereld heersen eeuwig geldende wetten, maar ook in de geestenwereld.

Men heeft de leer van het verkeer van de geestenwereld met de mensen de naam van ‘spiritisme’ gegeven. Dit woord staat tegenwoordig bij de grote massa in een kwade reuk, ofschoon de meesten niet weten, wat het betekent. Het `spiritisme’ wordt beschouwd als een belachelijke fantasie van overspannen mensen. Men lacht om de `spiritistische dwazen’. `Doch deze mensen spotten met alles, wat zij niet kennen !’ (Judith 1 : 10).
De kerken staan in hun strijd tegen het spiritisme in de eerste rij. Daarover moet men zich weliswaar zeer verwonderen, want juist de kerken leren, dat haar religieuse waarheden door verkeer met de geesten zijn ontvangen. Jodendom en christendom staan met hun oorkonden van het Oude en Nieuwe Testament geheel op de grondslagen van het spiritisme. De bijbel is wel het belangrijkste spiritistische boek, want haar hoofdinhoud berust op de boodschappen van ‘gene zijde’ aan deze wereld. Wij ziep daarin op pagina na pagina de geestenwereld in contact staan met de mensen.
De kerken kunnen dus het verkeer met de geesten, waarvan de bijbel spreekt, niet ontkennen, als zij de tak niet willen afzagen, waarop zij zelf zitten. Hun strijd tegen het spiritisme denken zij te rechtvaardigen door de bewering dat in de bijbel het verkeer van de mensen met de geestenwereld verboden zou zijn, want daarin staat: ‘Gij zult niet aan de doden vragen.’
Wat verstaat de bijbel echter onder ‘het vragen aan de doden’? Waar de bijbel van de ‘doden’ spreekt, bedoelt zij niet de door de aardse dood van het lichaam gescheiden geesten, maar de geestelijk doden. `De dood’ is volgens de Heilige Schrift de afdwaling van de geest van God. De ‘doden’ zijn de door ongeloof en afvalligheid van God gescheidenen. Het zijn de geesten der duisternis. Het ‘rijk der doden’ is het rijk van Lucifer, het rijk van de tegenstanders van God, het rijk van de leugen en van het onheil.
Volgens de bijbel is er een rijk der ‘doden’ en een rijk der ‘levenden’. De mensen hebben de mogelijkheid om zich met de geesten van beide rijken aan gene zijde in verbinding te stellen. Zij kunnen inlichtingen ontvangen van- de ‘geestelijk doden’; dat is een vragen aan het boze, of, zoals de bijbel het uitdrukt: een vragen aan de doden; òf zij wenden zich tot de ‘levenden’ aan gene zijde, – dat is een vragen aan de goede geestenwereld, of, zoals de bijbel het noemt: Een vragen aan God.
Het om raad vragen aan de ‘doden’ zijnde de van God afgevallen geestenwereld, zou de grootste belediging van God zijn. Het zou afgoden- dienst zijn, want deze bestond immers uit de verbinding met de kwade geesten.
De dodenbezweerders uit de oude tijd stonden algemeen bekend als mensen, die zich bewust en opzettelijk met de machten der duisternis – de demonen – in verbinding stelden. Vandaar God’s strenge gebod in het Oude Testament, de ‘dodenbezweerders’ uit te roeien uit het midden van het volk.
Er is dus slechts een bepaalde wijze van geestenverkeer, die aan de mensen volgens de bijbel wordt verboden, namelijk het verkeer met de boze geesten. Inplaats hiervan moet de mensheid de gemeenschap met God en dus met de goede geestenwereld zoeken. Indien echter iemand tot u zegt: `U moet de ‘dodenbezweerders’ vragen,’ antwoordt dan: ‘Moet een volk niet aan zijn God vragen? Moet het in plaats van aan delevenden aan de doden vragen?’ (Jesaja 8: 19). – `Over de komende dingen vraagt Mij’ (Jesaja 45: 10
De oproep om God te raadplegen werd door de gelovigen van alle tijden trouw nagekomen. Bij de Israeliëten was het vragen aan God een dagelijks gebeuren. `Al wie God wilde vragen, ging naar de Tent der Openbaring’ (Exodus 33:7). God antwoordde op de meest verschillende wijzen. Zijn geestelijke boodschappers stonden met de gelovige mensen steeds in verbinding. Wij komen ze overal tegen in de berichten van het Oude en Nieuwe Testament.
Wanneer wij ons als gelovige dienaren van God of op zijn minst als eerlijke naar waarheid zoekenden met de goede geestenwereld in verbinding trachten te stellen, doen wij daarmee dus niets verkeerds, doch gehoorzamen wij aan een van God’s geboden. Het is een belangrijk gebod, want de verbinding met de goede geestenwereld is de enige weg, welke leidt tot de waarheid. Een andere weg is er niet.
Daarom worden in de gehele Heilige Schrift de waarheidzoekers nooit verwezen naar hun medemensen om de waarheid te verkrijgen, maar steeds naar God en zijn geesten; ook in het Nieuwe Testament. Christus had bij zijn verscheiden van deze aarde zijn volgelingen nog veel te zeggen, wat zij toen nog niet begrepen. Zij zouden daarover later opheldering krijgen, niet door mensen, doch door geesten, die de Vader hun zou zenden als boodschappers van de waarheid. En deze mededelingen van de geesten zouden zij met hun menselijke zintuigen kunnen waarnemen. ‘Gij zult de geesten Gods zien opstijgen en nederdalen’ (Johannes 1:51).

Het opgaan en nederdalen van de boodschappers van God beleefden de eerste christenen tijdens hun samenkomsten. De apostel Paulus roept daarom de christenen toe: ‘Streeft naar verbinding met geesten’ (1 Kor. 14: 12).
Het is fundamenteel voor het religieuse leven van de mensheid, dat ieder de waarheid omtrent de grote vragen betreffende het leven en het hiernamaals niet moet zoeken bij mensen en hun verklaringen, maar door onmiddellijke verbinding met God’s geestenwereld als de bron van waarheid. Zo leert God het ons in het Oude en Christus in het Nieuwe Testament. Zo leerden de apostelen het en daarnaar handelde het volk Gods in het Oude Verbond en de christenen in de eerste eeuwen.
In later tijden heeft men deze grondwaarheid verwaarloosd. Dwalende mensen traden op als waarheidsverkondigers van God en zijn geestelijke boodschappers. Het woord van God werd, om een woord van Paulus te gebruiken, ‘bedrijf’. Men leerde de religie door menselijk onderwijs, zoals elke aardse wetenschap. En zo is het gebleven tot op de huidige dag.
De geestelijke leiders van het volk werden de onbeperkte heersers in alle godsdienstige zaken en kregen op deze manier ook steeds grotere wereldlijke macht. Steeds talrijker werden de menselijke verordeningen, die men in naam van de religie op de schouders van de gelovigen legde. De vroegere vrijheid van de kinderen Gods werd door religieuze knechting vervangen.
Wie zich verzette en volgens eigen overtuiging wilde leven, boette dit met de dood. Het bloed van millioenen heeft gevloeid in naam van de religie.
De echte oorkonden van het Nieuwe Testament verdwenen. De ver- vaardigde afschriften stemmen op belangrijke punten niet met de oor- spronkelijke tekst overeen. Men greep naar het middel van de vervalsing om voor de in de loop der tijden in zwang gekomen menselijke meningen en opvattingen bewijsplaatsen in de bijbel te scheppen.
Hier herhaalde zich hetzelfde als waarover God reeds in het Oude Verbond door de profeten de bittere klacht liet uitroepen: ‘Hoe kunt gij zeggen: wij zijn wijs, wij zijn in het bezit van de goddelijke wet? – Jawel! Tot een leugen heeft de valse pen van de overschrijvers deze verdraaid. De wijzen moeten daardoor beschaamd staan en ontsteld, want zij hebben zichzelf gevangen. Zij hebben God’s woord verworpen. Welke wijsheid bezitten zij dan nog?’ (Jeremia 8:8-9).
Ook het hedendaagse wetenschappelijke onderzoek heeft geleerd, dat de vervalsingen als een verwoestende ziekte door alle geschriften uit de oude tijd heeft gewoed. De bijbel, de kerkvaders, de geschriften van joodse en heidense schrijvers werden vervalst ten behoeve van religieuse opvattingen, welke in de tijd van de vervalsers bestonden.
Dit alles gebeurde buiten de gezichtskring van het gewone volk. Dit nam zonder meer de zogenaamde religieuse ‘waarheden’ en uitleggingen aan, die het door zijn geestelijke leiders kreeg aangeboden, en bracht ze over op hun kinderen en kleinkinderen. Ook thans is het nog precies zo. De godsdienst is een erfstuk, dat iedereen van zijn ouders en leermeesters heeft ontvangen, zonder zich omtrent de innerlijke waarheid ervan een eigen oordeel te vormen. Daartoe zouden de meesten ook niet in staat zijn. Daarom zouden zij, die thans christenen zijn, met dezelfde overtuiging de joodse of mohammedaanse godsdienst kunnen aanhangen, als hun ouders joden of mohammedanen waren geweest.
Zo was het echter niet in de tijden, waarin de mensen met de goede geestenwereld in verbinding stonden. Toen konden zij vragen : ‘Wat is waarheid?’ – en zij kregen antwoord. Daarom spoorde ook Paulus de eerste christenen aan God vragen te stellen, als zij in enig opzicht een andere mening hadden dan hij. `En wanneer gij ergens een andere mening over hebt, dan zal God u daarover opheldering geven’ (Philippenzen 3 : 15).
Zo’n verwijzing naar de enige weg om tot de waarheid te komen, die de grootste christelijke apostel hier geeft, zou in latere eeuwen onmogelijk zijn geweest. Als iemand niet geloofde, wat zijn ‘kerk’ hem leerde, of trachtte, op de wijze van het Israelietische volk of de eerste christenen door vragen aan God de waarheid te verkrijgen, dan werd hij door de kerkelijke ban getroffen, en vaak eindigde hij op de brandstapel. Thans zijn weliswaar de brandstapels gedoofd, omdat de ‘kerk’ de uiterlijke macht ontbreekt ze aan te steken; maar de kerkelijke ban is gebleven en deze zou de grootste kerkvaders uit de eerste eeuwen treffen, als zij thans leefden en dat leerden, wat zij toen als waarheid aan het christelijke volk verkondigden.
De verbinding met de geestenwereld van God heeft men verbroken en daardoor de weg tot de waarheid versperd. Uit menselijke opvattingen en menselijke bepalingen heeft men religiegebouwen opgetrokken en men eist van de mensheid daarin plaats te nemen. Honderden kerkgenootschappen beweren waarheidsbemiddelaars te zijn. De ene verbrandt, wat de andere aanbidt en wat door de ene als zuivere waarheid wordt verkondigd, wordt door de andere als afschuwelijke ketterij verdoemd.
Uit deze toestand van dwaling kan de mensheid alleen dän worden bevrijd, als God thans wederom zijn geesten als waarheidsboden zendt, zoals Hij het vroeger duizenden jaren lang heeft gedaan.
Niet aan de `doden’, niet aan het `rijk der duisternis’ moeten wij vragen, ook niet aan dwalende mensen, – maar aan God. Hij is dezelfde God, voorheen en thans. Voor Hem geldt geen aanzien des persoons. De heden- daagse mensen heeft Hij even lief als de mensen uit vroegere tijden. En zoals Hij zich vroeger door zijn geestelijke boden aan de mensheid heeft geopenbaard, zo ook thans.
De ‘kerken’ zullen zeker deze weg tot de waarheid met alle middelen bestrijden. Zij moeten dit doen, omdat zij strijden voor het eigen bestaan. Zij beschouwen zichzelf als de onfeilbare vertolkers van de waarheid. Ieder heeft een gekroonde of ongekroonde paus. Men zou de door God’s boden gegeven lessen als een voor het voortbestaan van de kerk nadelige en gevaarlijke mededinging ondervinden. Want de vrees bestaat, dat de door God’s geesten verkondigde waarheden niet overeenstemmen met die van de kerk.
Er is toch maar één waarheid. òf één van de vele geloven heeft de waarheid – en alle andere dwalen – òf geen van alle bezit de waarheid. Tenslotte geldt voor alle godsdiensten zonder uitzondering het woord uit Goethe’s Faust: `In bonte schildering weinig klaarheid, veel dwaling en een vonkje waarheid.’

Vijf en twintig jaar was ik katholiek priester. Ik hield mijn godsdienst voor de juiste. Het was immers het geloof van mijn ouders, leraren en zielverzorgers. Al waren de bewijzen voor de juistheid ervan niet zo, dat zij mijn denken bevredigden, toch had ik geen reden om af te wijzen, wat al mijn religiegenoten als waarheid aannamen. Bovendien zou reeds iedere vrijwillige twijfel aan een geloofswaarheid volgens de leer van mijn kerk een doodzonde zijn geweest.
Van de mogelijkheid van een verbinding met de geestenwereld was mij niets bekend. Het ‘spiritisme’ kende ik alleen uit kranten. Ik hield het voor bedrog en zelfmisleiding.
Toen kwam de dag waarop ik ongewild de eerste schrede zette op de weg naar verbinding met de geestenwereld. Ik beleefde dingen, die mijn innerlijk tot in de diepste diepten schokten.
Na deze eerste stap kon en mocht ik niet blijven stilstaan. Ik moest verder, moest klaarheid krijgen. Voorzichtig onderzoekend ging ik verder met het woord van de apostel Paulus voor ogen : ‘Beproeft alle berichten van geesten en behoudt slechts het goede’ (1. Thess. 5 : 21).
Ik wilde alleen het goede. Ik wilde de waarheid weten. Ik was bereid, deze aan te nemen, zelfs ten koste van de zwaarste offers. Ik wist, dat God een oprecht en onbaatzuchtig zoeker niet in de steek laat, en dat hij, naar het woord van Christus, een deemoedig biddende geen stenen voor brood zal geven.
Ook de ernstige gevolgen van mijn stap stonden mij helder voor ogen. Mijn ambt als geestelijke, mijn gehele materiale bestaan, mijn aardse toekomst zag ik vernietigd, als ik verder ging. Smaad, vervolging en lijden in overgrote mate zouden mijn lot zijn.
Doch de waarheid was mij meer waard.
Ik vond de waarheid op de ingeslagen weg. Zij maakte mij innerlijk vrij en blij. De uiterlijke kwellingen, daaraan verbonden, welke tot heden voortduren, konden mijn innerlijke vrede niet verstoren.
In dit boek beschrijf ik nu de weg, welke mij met de geestenwereld in verbinding bracht en mij de waarheid onthulde. Ik schreef het uit Iiefde voor mijn medemensen, ongeacht tot welke geloofsgemeenschap zij behoren, of welke wereldbeschouwing zij huldigen.
Dit boek is bestemd voor iedere waarheidzoekende mens. Het bedoelt een wegwijzer te zijn voor allen, die een verbinding met de goede geestenwereld zoeken, om zo tot de waarheid en tot God te komen.
Boeken, welke bij aardse reizen als ‘gids’ moeten dienen, zijn door iemand geschreven, die de weg zelf is gegaan, die in de gids zijn beschreven. Zulke boeken zijn niet bestemd voor hen, die thuis blijven, maar voor hen, die het onbekende willen leren kennen.
Zo’n ‘gids’ wil mijn boek zijn. Het wil de weg wijzen naar de brug, waarover de geestenboden uit het hiernamaals ons tegemoettreden. Wie aan de hand van dit boek over deze geestenbrug gaat, zal alles bevestigd vinden, wat erin is beschreven.
Ik verwacht van niemand, dat hij de inhoud van mijn boek zonder onderzoek als waarheid zal aannemen.

    Hij zou dan zijn overtuiging over de belangrijkste vragen van zijn leven doen steunen op de getuigenis van een feilbaar mens. Dat mag hij niet. Want mijn bewering, dat ik de hier neergelegde waarheden niet uit mij zelf en uit mijn eigen denken heb geschreven, maar door verbinding met de goede geestenwereld van gene zijde heb ontvangen, zou toch mijnerzijds een opzettelijke misleiding of een zelfbedrog kunnen zijn.
Ik kan als zwak, dwalend en zondig mens op geen grotere geloofwaar- digheid aanspraak maken dan ieder ander van mijn medemensen. Ik verlang dus niet, dat men mij blindelings gelooft. Alleen een ding vraag ik: dat men de waarheid die mij deelachtig is geworden langs dezelfde weg onderzoekt als waarlangs ik haar heb gevonden. Deze weg heb ik nauwkeurig beschreven, zodat niemand hem kan missen. De geleerde en de ontwikkelde, de rijke en de arme, allen kunnen hem bewandelen. Geen voorbereiding en bijzondere scholing zijn daarvoor nodig. Het kost niets. Slechts een ding moeten zij bezitten : de wil tot de waarheid. Zij moeten bereid zijn de waarheid aan te nemen, zodra deze zich aan hen op overtuigende wijze openbaart en hun leven daarnaar in te richten. Dit boek is niet geschreven voor hen, die deze woorden niet willen aanvaarden. Voor hen bestaat er in het geheel geen weg, die naar de waarheid voert, want God openbaart zijn waarheid slechts aan hen, die van goeden wille zijn.
Zij, aan wie de wil tot waarheid ontbreekt, en de weg, die ik hun wijs niet onderzoekend willen bewandelen, hebben echter ook geen recht, een oordeel over mijn boek uit te spreken. Want als een scheikundige aan de wereld verkondigt, dat hij een mogelijkheid heeft gevonden langs chemische weg goud te maken, en die weg nauwkeurig aanwijst, dan kan redelijkerwijze alleen hij over de verklaringen van de chemicus een oordeel vellen, die de door hem beschreven proeven zelf heeft genomen en daarbij alles nauwkeurig heeft opgevolgd wat de scheikundige heeft aangegeven.
Ik heb de zekerheid, dat dit boek de waarheid bevat, ‘want ik weet, wie ik heb geloofd’ (2 Tim 1 : 2).
Ik behoef niet bang te zijn dat zij die mijn weg volgen, ergens iets zullen vinden, dat in tegenspraak is met wat ik vond. Allen, die tot heden mijn raad volgden en verbinding met de goede geestenwereld zochten, hebben hetzelfde gevonden als ik.
Desondanks zal mijn boek talrijke en verbitterde tegenstanders ontmoeten. Niet zozeer bij de grote massa van het volk, doch veeleer in die kringen, waarin het aanvaarden van de waarheid zware aardse offers zou vergen. Het zijn de geestelijken van de afzonderlijke godsdienstgemeenschappen. De geloofsbelijdenis, die zij tot nu toe aan hun gelovigen hebben gepredikt, verzekerde hun tegelijkertijd hun levensonderhoud. Moeten zij tengevolge van een verandering in hun inzicht in de waarheid ook een verandering in de belijdenis van de gelovigen invoeren, dan houden zij op, geestelijken van hun tegenwoordige godsdienst- gemeenschap te zijn. Zij verliezen hun tot nu toe door hun ambt verzekerde dagelijkse brood. Een levenspositie prijsgeven, arm en vijandig behandeld worden en een onzekere aardse toekomst tegemoet gaan is een van de grootste offers, die een mens kan brengen. Niet velen brengen het.
Liever doen zij afstand van de waarheid.
Daarom begaven ook de joodse priesters zich in zo’n verbitterde strijd tegen Christus en zijn leer. Zij vreesden voor hun bestaan. Zij onderzochten niet vooraf de door Christus verkondigde waarheden op hun juistheid, maar slingerden hun dodelijke haat naar hem, die door zijn leer het volk afkerig van hen maakte en hen daardoor van hun invloed op de massa dreigde te beroven. Daarom moest Hij sterven. En de vloek, de verbitterde tegenstander van de waarheid, de waarheidszoekers en de waarheidverkondigers te zijn, rust tot heden op het priesterdom van alle godsdiensten. Met vuur en zwaard heeft het millioenen mensen vermoord onder de uiterlijke schijn van strijd tegen de ketterij, zoals ook het joodse priesterdom zich bij Christus achter de aanklacht verschool ‘Hij heeft God gelasterd’. De ware reden echter was zowel toen als in de latere tijden de vrees voor het verlies of de beperking van aardse invloed, wereldse eer, ambten en inkomsten. Natuurlijk waren en zijn er uitzonderingen, thans wellicht meer dan vroeger. Maar deze Nicode- muszielen kunnen het doodsoordeel van de huidige geestelijke leiders over de waarheid evenmin verhinderen als de eerste Nicodemus dit kon.
Het hedendaagse priesterdom zal daarom niet alleen mijn boek afwijzen, maar ook weigeren de inhoud op de wijze zoals het boek aangeeft op zijn juistheid te onderzoeken. En toch is het een weg, die iedereen met een goed geweten kan volgen. Of is het misschien iets verwerpelijks als iemand, hetzij geestelijke of leek, alleen of met anderen een persoonlijke godsdienstoefening in zijn huis houdt, zich daarbij met gezang en gebed tot God wendt en van hem de vervulling van Christus’ belofte afsmeekt: `Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal uw Vader vanuit de hemel een heilige geest zenden aan degenen, die hem daarom vragen’ (Luc. 11:13).
Is het misschien een zonde tijdens zulk een godsdienstige bijeenkomst de waarheid van de heilige geschriften door te lezen, ze met anderen te bespreken en om te bidden om het juiste inzicht? Is het een zonde als geestelijke gemeenschap elkaar op de wijze van de eerste christenen de handen te reiken en in innerlijke aandacht zijn geest op het hogere te richten, aards falen betreurend, en elkaar vergevend, en God om hulp en om de geest der waarheid te bidden, die Christus toch zijn volgelingen heeft beloofd? Is er ergens iemand, die dit niet met een goed geweten zou kunnen meemaken?
Meer verlang ik niet. Een andere weg ging ook ik niet, toen mij deelachtig werd wat in mijn boek wordt besproken. Geen bijzondere voorrechten werden mij verleend. Ik ontving alleen wat iedereen ontvangt, die het oprecht zoekt. Velen zullen langs deze weg misschien nog veel meer ontvangen dan ik.
Het feit, dat de dingen, die ons langs deze weg gebracht worden, ons zo ongelooflijk voorkomen is geen reden de aangegeven weg niet te betreden. Want God stelt ons toch uitdrukkelijk het ongelooflijke in het vooruitzicht, met de woorden : `Vraag mij en ik zal je antwoorden en je bekend maken met grote en ongelooflijke dingen, waarvan je tot nu toe niets hebt geweten’ (Jer. 33:3)

Pasen 1932                                                                                         De schrijver