Mijn eerste schrede op de weg naar het contact met de geestenwereld

(Aansporing tot onderzoek naar mededelingen van geesten – Mijn bezwaren – Mijn toestemming – De eerste bijeenkomst – Een verrassende mededeling )

Zo dacht ik dus na om dit te begrijpen; maar het was te moeilijk voor mijn begrip, totdat ik in verbinding kwam met God’s geestenwereld (Psalm 73: 16-17).

Het was in de nazomer van 1923. Ik was toen katholiek priester van een kleine plattelandsgemeente. Daarbij had ik de leiding van een liefda- digheidsvereniging, waarvan de zetel in een naburige stad was gevestigd. Twee maal per week ging ik naar dat bureau om de werkzaamheden te verzorgen.
Op zekere dag kwam er een man bij mij, die mij vroeg: ‘Hoe denkt u over het spiritisme?’ Nog voor ik kon antwoorden, vertelde hij mij van zijn ondervindingen. Hij woonde wekelijks met een kleine kring een soort godsdienstoefening bij. Men bad, las in de Heilige Schrift en besprak het gelezene. Onder de aanwezigen bevond zich ook een jongen van ongeveer 16 of 17 jaar. Hij kwam uit een eenvoudig gezin, had een middelmatige schoolopleiding genoten en was leerjongen in een partikulier bedrijf. Op die bijeenkomsten viel hij plotseling als dood voorover, werd echter direct weer, als door een onzichtbare kracht met rukken opgericht, zat dan met gesloten ogen en deed de aanwezigen wonderbaarIijke mededelingen. Ook beantwoordde hij de vragen, die men hem stelde, maar op zuiver materialistische vragen weigerde hij het antwoord. Aan het einde van zijn mededelingen viel hij weer voorover en dan kwam hij onmiddellijk tot zichzelf. Van wat er was gebeurd en wat hij had gesproken wist hij niets. De jongen was gezond en vrolijk en voelde geen nadeel, geen hoofdpijn, noch enig ander onbehagen na deze gebeurtenis.
De man besloot zijn mededelingen met de woorden: `Nu wilde ik van u weten, hoe u over deze zaak denkt. Maar voordat u uw oordeel geeft, verzoek ik u, zelf aan zo’n bijeenkomst deel te nemen, zodat u zich persoonlijk van de gebeurtenissen kunt overtuigen. Daarbij heeft u dan de gelegenheid, zelf aan de jongen vragen te stellen.’
Met grote aandacht had ik naar zijn verhaal geluisterd. Wat moest ik daarop antwoorden? Van het zogenaamde ‘spiritisme’ wist en begreep ik niets. Wel had ik er hier en daar in dagbladen iets over gelezen. Het waren berichten over ontmoetingen van media of dergelijke spiritistische bedriegerijen, dus over het algemeen niets gunstigs. En nu zou ik mij als ernstig mens, en zelfs als geestelijke, op dit gebied begeven en mij aan het gevaar blootstellen, mij belachelijk te maken? Dat kon ik niet. Wel vond ik het aanlokkelijk uit zuiver wetenschappelijk oogpunt, de zojuist gehoorde merkwaardige verschijnselen te onderzoeken, als ik dat alleen en in mijn studeerkamer had kunnen doen. Maar om naar vreemden te gaan en mij bloot te stellen aan kletspraatjes, dat wilde ik niet.
Daarom antwoordde ik mijn bezoeker oprecht, dat ik geen persoonlijke ervaring had omtrent het `spiritisme’, en over wat hij had ondervonden niet kon oordelen. Ook maakte ik ernstig bezwaar tegen zijn uitnodiging deel te nemen aan de samenkomst, zoals hij die beschreef. Ik moest rekening houden met mijn ‘zwarte rok’ en ervoor zorgen, niet openlijk als ‘spiritist’ te worden gebrandmerkt, want mijn deelneming aan deze zittingen zou ongetwijfeld spoedig algemeen bekend worden.
De man wilde mijn bezwaren niet aanvaarden en antwoordde: ‘Dit is een zeer gewichtige zaak, waarvan u als geestelijke en als iemand, die in het openbare leven staat, op de hoogte behoort te zijn. Naar mijn mening heeft u ten minste de plicht om te onderzoeken en zich na een diepgaand en onpartijdig onderzoek een oordeel te vormen. Men zal u wellicht telkens over deze dingen vragen stellen. En aan wie anders zullen wij leken om opheldering vragen dan aan de geestelijke leiders die, zoals wij vertrouwen, ons de volle waarheid zeggen? Doodzwijgen kunnen wij deze dingen toch niet meer. Ook in Duitsland neemt het aantal spiritistische kringen van dag tot dag toe. Men vindt ze zeker in elke grotere plaats. Ik weet wel, dat de kerken het spiritisme als bedrog of duivelswerk opzij trachten te schuiven, maar daarmee wordt de vraag niet opgelost.
Als u onaangenaamheden vreest, is deze angst ongegrond, uw deelname aan onze bijeenkomsten zal volstrekt geheim blijven. Want de enkele deelnemers zijn personen, die kunnen zwijgen en alles zullen vermijden wat u zou kunnen schaden. Dus u kunt gerust toestemmen.’
Tegen de waarheid van deze uiteenzetting kon ik weinig inbrengen. De man had gelijk. Wanneer wij geestelijken, die voorgeven de leraren en leiders van het volk te zijn, weigeren om een persoonlijk onderzoek in te stellen naar de waarheid van dergelijke verschijnselen, wie anders zou dit dan doen? Wie zou een grotere belangstelling kunnen hebben dan juist de geestelijken van alle godsdiensten? Want als het spiritisme zou bewijzen een bron van waarheid te zijn, is dit voor alle godsdienstige gemeenschappen van de diepste betekenis.
Na enige aarzeling verklaarde ik mij bereid, de volgende zondagavond aan de zitting deel te nemen.
De volgende dagen waren mijn gedachten steeds met dit geval bezig. Half en half speet het mij zeer de uitnodiging te hebben aangenomen, want de onaangenaamheden die daaruit konden voortvloeien schenen mij, hoe langer ik erover nadacht, steeds groter toe.
Met spanning wachtte ik op de volgende zondag.

Na afloop van de namiddagdienst ging ik stadswaarts. Op het kantoor van de liefdadigheidsvereniging wilde ik nog enige dringende zaken afdoen, voordat ik naar de bijeenkomst ging. In mijn zak had ik een papiertje met de vragen welke ik die avond aan de jongen wilde voorleggen. Deze konden slechts door langere uiteenzetting worden beantwoord. Zij waren ontsproten aan de godsdienstwetenschap.
Ik zelf was niet in staat ze te beantwoorden, en ik wilde alleen maar te weten komen welke uitleg de jongen daaraan zou geven.
Op het kantoor vond ik een brief van de man, die mij had uitgenodigd. Daarin deelde hij mij mede, dat de bijeenkomst niet bij hem thuis zou plaatsvinden, zoals was afgesproken, maar bij een andere familie, waarvan hij het adres opgaf. Zo was het bepaald.
Deze onverwachte verandering verbaasde mij. Ik werd wantrouwig. Wilde men misschien een spelletje met mij spelen? De familie, waar nu de bijeenkomst plaats zou vinden, kende ik zelfs niet van naam. Moest ik mij in een voor mij geheel vreemd gezin aan pijnlijke verrassingen blootstellen? Misschien was de hele opzet een val om mij erin te laten lopen. Mijn besluit was genomen: `Je gaat er niet heen.’
Opdat men niet tevergeefs op mij zou wachten zond ik door middel van een bode een briefje met de mededeling dat ik niet op de bijeenkomst zou komen.
Het duurde niet lang, of daar kwam hij zelf. Hij smeekte mij toch mee te gaan. Het verzoek tot verandering van de plaats van de bijeenkomst ging niet van hem uit, maar van een andere zijde, waaraan zij gevolg moesten geven. Misschien moest de reden daarin gezocht worden, dat in die andere woning de bijeenkomst minder opvallend kon plaats vinden dan in zijn eigen huis.
Zo ging ik dan toch met hem mee.
Het was half acht toen wij binnenkwamen. Ik werd door de familie vriendelijk begroet en merkte, dat men blij was met mijn komst. Daar de zitting pas om acht uur zou beginnen, had ik voldoende gelegenheid met de jongen te praten, die ook reeds aanwezig was. Door hem een aantal vragen te stellen probeerde ik te weten te komen, hoe het met zijn kennis stond, en ik ontdekte al gauw, dat hij zich in niets onderscheidde van andere middelmatig ontwikkelde jongens van zijn leeftijd.
Om acht uur begon de zitting met slechts enkele personen. Ik verwonderde mij erover, dat men het vertrek niet donker maakte, doch alles helder verlicht liet. Ik had verwacht, dat dergelijke bijeenkomsten steeds in het donker plaatsvonden.
Men begon met een kort gebed, dat door een der aanwezigen met grote eerbied werd uitgesproken. Inderdaad gaven de deelnemers de indruk zeer ernstig te zijn en in innerlijke bezinning verzonken.
Nauwelijks was het gebed geëindigd of de jongen viel met een plotselinge ruk en onder het luid uitstoten van zijn adern voorover, zodat ik ervan schrok. Hij zou zeker op de grond zijn gevallen, als de armleuning van de stoel, waarop hij zat, hem niet had tegengehouden. Het duurde slechts enkele seconden, waarna hij als door een onzichtbare hand geholpen met rukken overeind kwam en met gesloten ogen bleef zitten. Ik voelde mijn hart sneller kloppen in gespannen verwachting van de dingen die nu zouden komen.
‘God zij met u!’ – begon hij en wendde zich direct tot mij met de vraag: ‘Waarom ben je hierheen gekomen?’ Ik was verbaasd dat hij mij met het vertrouwelijke ‘je’ aansprak. Dat zou de jongen in normale toestand nooit hebben durven zeggen.

‘Ik ben gekomen om de waarheid te zoeken,’ antwoordde ik. – `Ik vernam, wat hier plaats vindt, en wilde zelf onderzoeken of het hier gaat om waarheid of bedrog.’
‘Geloof je in God?’ – vroeg hij verder, maar voegde er direct aan toe: `Ik weet, dat je in God gelooft, maar een andere vraag zou ik je willen stellen : `Waarom geloof je in God?’ –
Deze vraag kwam zo onverwacht, dat ik niet wist, wat ik moest ant- woorden. Ook voelde ik mij verward. In deze verwarring beantwoordde ik zijn vraag zo onbeholpen, dat ik zelf ontevreden was met mijn eigen antwoord.
`Van jou had ik een beter antwoord verwacht,’ zei hij rustig. Als een klinkende oorvijg werkten deze afkeurende woorden op mij. Ik was gekomen om hetgeen hier voorviel als bedrog te ontmaskeren en daar zat ik al na de eerste minuten als de beschaamde.
‘Op de vraag, die je zo onbevredigend hebt beantwoord, zullen wij later nog terugkomen,’ – zei hij op zachte toon. `En nu is het jouw beurt vragen aan mij te stellen. Ik zal ze je beantwoorden voor zover ik dat mag. Je hebt toch een lijst met vragen opgeschreven, waarop je van mij een antwoord wilt hebben. Neem het briefje met de vragen uit je zak!’
De aanwezigen zagen mij verbaasd aan, daar niemand van dit briefje wist. Mijn eerste vraag luidde : `Hoe komt het, dat het christendom op de hedendaagse mensheid bijna geen invloed meer schijnt uit te oefenen?’
Zonder een ogenblik te aarzelen of na te denken begon hij zijn uiteen- zetting. De door de aanwezigen tussendoor gestelde vragen en geuite tegenwerpingen tijdens zijn voordracht beantwoordde hij met verbazingwekkende eenvoud en helderheid. Volgens mijn stenografische aantekeningen zei hij het volgende:
`De leer van Christus is in de tot u gekomen oorkonden niet in haar gehele omvang en ook niet in haar oorspronkelijke zuiverheid en duidelijkheid behouden gebleven. Uit wat je het Nieuwe Testament noemt, zijn verschillende belangrijke stukken weggelaten. Zelfs gehele hoofdstukken werden eruit verwijderd. Wat je nog bezit zijn verminkte afschriften. De oorspronkelijke zijn je onbekend, zodat de verminkingen van de oertekst niet ontdekt kunnen worden. Zij, die hiervan de schuld zijn, zijn door God zwaar gestraft.’
Toen vroeg één der aanwezigen, wie het dan is geweest, die zich op deze wijze aan de Heilige Schrift heeft vergrepen.
‘Dat is jullie zaak niet’ – was zijn korte antwoord. ‘Het moet jullie genoeg zijn te weten, dat het is gebeurd en dat God de daders heeft gestraft. Wat heb je eraan de namen te horen? Jullie zoudt deze toch alleen gebruiken, om over hen te oordelen en je weet, dat je over je medemensen niet zult oordelen. God oordeelt! – dat is voldoende.’
‘Ook een brief van de apostel Paulus, aan alle christengemeenten gericht, is vernietigd. Daarin heeft hij die passages uit zijn vroegere brieven, die tot misverstanden hadden geleid, uitvoerig verklaard. Deze verhelderingen pasten echter niet bij vele onjuiste leerstellingen, die later in het Christendom waren ingeslopen.’
Hier onderbrak ik hem met de vraag, wanneer dan de eerste van de juiste leer afwijkende meningen in het christendom zijn ingedrongen. Hij antwoordde: `In geringe mate reeds in de eerste christelijke eeuw. Je weet toch, dat reeds ten tijde van de apostelen vele meningsverschillen in de christelijke gemeenten optraden. Later slopen er nog veel foutieve menselijke meningen en dogma’s in, die niet met Christus’ leer overeenstemden. Als je de volledige en onvervalste tekst van de leer van Christus had, zou er menige last van jullie schouders worden afgenomen, die er door mensen in naam van de godsdienst en van het christendom werd opgelegd. Menige leerstelling, die men jullie wil doen geloven, ofschoon zij volgens jullie verstand onaannemelijk is, zou vervallen, omdat zij als onwaar werd herkend en je zoudt weer kunnen ademen als vrije kinderen Gods. Zo voelen millioenen mensen, dat veel van wat het huidige christendom hun leert, niet juist kan zijn. Uit gewoonte hangen zij het weliswaar uiterlijk aan, maar een ware innerlijke overtuiging is er niet.’
`Velen belijden het hedendaagse christendom zelfs niet uiterlijk. In plaats van het onzuivere erin te verwerpen, schudden zij het gehele christendom en het geloof in God van zich af, omdat zij menen, dat het alles tezamen hangt. En dat is heel erg.’
‘Toch komt de tijd, waarin de leer van Christus in haar volle zuiverheid en waarheid weer aan de mensheid zal worden teruggegeven. Op welke wijze dit gebeurt behoeven jullie thans nog niet te weten.’
‘Maar ook hetgeen er van de oorkonden van het Nieuwe Testament is overgebleven heeft op vele plaatsen veranderingen ondergaan. De over- schrijvers veranderden woorden en zinsdelen, lieten op de ene plaats een woord weg en voegden op een andere een woord bij, waardoor de zin van de tekst veranderd werd al naar gelang het met hun doeleinden strookte. Meestal wilden zij voor de geloofsopvattingen van hun tijd ook in de bijbel een bewijsstuk scheppen en zij grepen naar het middel van de vervalsing. Zij waren zich soms niet eens bewust van het grote onrecht dat zij deden. Zij geloofden veeleer daarmee de godsdienst een dienst te bewijzen. Zo werd het volk misleid en velen voelen in hun diepste innerlijk niet op de juiste weg te zijn, al is het hun ook niet mogelijk, daaromtrent klaarheid te verkrijgen. De noodlottige gevolgen daarvan zijn, dat een zo ontworteld christendom geen vruchtbare werking meer kan uitoefenen, want iedere twijfel aan de waarheid belemmert haar uitwerking.’
`Mag ik vragen’ – zei ik beklemd – ‘mij een plaats in het Nieuwe Testament te noemen, waar door verandering of weglating van een woord de zin van de tekst opzettelijk werd vervalst?’
‘Het is nu wel niet het juiste ogenblik’ – antwoordde hij – ‘waarop ik op deze vervalsingen in het bijzonder wens in te gaan, want ik wilde dit later doen, als ik je de samenhang van de bijbel verklaar. Toch wil ik aan je verzoek voldoen door twee plaatsen aan te wijzen: één plaats waar een woord door een ander werd vervangen en één, waar een woord werd weggelaten.’
`Je kent de uitroep van de apostel Thomas volgens de woorden van de tegenwoordige bijbel: ‘Mijn Heer en mijn God!’ (Joh. 20:28)(in het origineel boek staat de fout job. 20:28) – In werkelijkheid gebruikte hij echter de uitdrukking, die de apostelen steeds tegenover Christus aanwendden: ‘Mijn Heer en Meester!’ Het woord ‘Meester’ heeft men later vervalst door het woord ‘God’. Tot welk doel dit geschiedde zal ik jullie bij een andere gelegenheid verklaren.’
‘Een plaats waar een woord werd weggelaten en waardoor de gehele betekenis werd veranderd zal je zeker bijzonder interesseren. Je bent katholiek priester. Je meent de macht te hebben zonden te vergeven. Welke plaats in het Nieuwe Testament neem je als bewijs dat aan de priesters zulk een macht werd overgedragen?’
Ik haalde de tekst aan: ‘Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven’ (Joh. 20:23). Hij verbeterde mij door die tekst woordelijk weer te geven: ‘Wanneer u de zonden van anderen vergeeft, worden zij hun vergeven.’ – en ging dan verder:
`Het woord, dat je met ‘hun’ vertaalt, betekent in het Grieks ook `zelf. Nu stond vóór dit woord `zelf in de oorspronkelijke tekst nog het woord `u’. Dat, wat je dus nu met ‘hun’ vertaalt, betekende in werkelijkheid `uzelf’. In de oorspronkelijke tekst luidde deze plaats dus woordelijk: ‘Wanneer u de zonden van anderen vergeeft, worden zij u zelf vergeven.’ Je begrijpt wel, wat voor misvorming van de betekenis er door het weglaten van het woord `u’ is ontstaan. Christus zegt op deze plaats niets anders dan wat Hij op vele andere plaatsen heeft uitgesproken, namelijk ‘Gij zult uw medemensen de fouten en

zonden die zij tegen u hebben begaan van harte vergeven, opdat gij van God voor uw eigen zonden vergeving ontvangt.’ `Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Vergiffenis schenken is het moeilijkste in je leven. Daarom krijg je daarvoor een bijzondere hulp van God. Christus zegt ook op dezelfde plaats: ‘Ontvangt een Heilige Geest!’ Wanneer gij van anderen de zonden vergeeft, worden zij aan jezelf vergeven. Als gij ze echter vasthoudt, namelijk in je hart, dan zullen ook de jouwe worden vastgehouden, namelijk door God. –
Heb je dat begrepen?’ –
Zeer terneergedrukt en nadenkend antwoordde ik met een zacht `ja’ en voegde er meteen aan toe: ‘Dan heeft het dus volgens uw opvatting geen waarde, dat ik als priester de biecht afneem, als ik geen vergiffenis kan schenken? Ik behoorde mij derhalve geheel van deze zaak terug te trekken.’
‘Dat hoeft niet’ -hernam hij. `Daar de tot je kerk behorende christenen menen, dat zij door aan de priesters te biechten vergeving van hun zonden krijgen, kun je deze bekentenis gerust aanhoren, zoals je ambt je dit voorschrijft. Het is toch niet verkeerd of door God verboden een mens zijn zonden te bekennen. Maar je moet niet geloven, dat je de zonden van de biechtelingen in plaats van God kunt vergeven.’
`Je taak kan alleen zijn, door onderricht, vermaning, door met hem te praten en hem innerlijk op te heffen, de zondige gezindheid uit het hart van de biechtende uit te bannen, zodat hij innerlijk veranderd naar huis gaat en in zijn daden zich een ander mens toont. Het biechten en vrijspreken uit sleur is niet alleen doelloos, maar een ontwijding van de gedachte van de verzoening met God.’
`Door je vragen er tussendoor ben ik van mijn onderwerp afgedwaald.
Ik wil daarmee nu verder gaan.’
`Al is ook veel van Christus’ leer in de tot jullie gekomen afschriften van de oude oorkonden opzettelijk weggelaten of door vervalsingen veranderd, toch blijft er nog zoveel over, wat juist is, dat de mensen bij navolging van dit juiste nader tot hun God zouden kunnen komen. Maar helaas kunnen zij het juiste niet van het onjuiste onderscheiden.’
`De grondslag van Christus’ leer is volgens zijn eigen woorden : `Heb God lief boven alles en je naasten als je zelf!’ `Wie dat opvolgt heeft de gehele christelijke wet vervuld. Alle andere waarheden zijn slechts aanvullingen van deze grondwaarheid en richtsnoeren voor haar uitvoering in het leven van ieder mens.’
`En nu kom ik tot de laatste, niet minder gewichtige reden, waardoor het christendom geen invloed meer schijnt uit te oefenen op de hedendaagse mensheid.’
‘Het volk ziet bij zijn geestelijke leiders niet de praktische navolging van hetgeen het christendom leert en wat zij zelf prediken. Dit geldt voor de geestelijken van alle christelijke godsdiensten. Er zijn uitzonderingen, maar die zijn naar verhouding zeldzaam. Waar zijn de geestelijken, die u naast Christus zoudt kunnen stellen zonder dat zij moesten blozen? Hoevelen zijn er die leed, armoede en gebrek met hun broeders en zusters delen? Hun gemeenteleden zijn toch hun broeders en zusters. Dienen zij deze, zoals Christus vermaant, – of is het niet veeleer een over hen heersen en hen uitbuiten? Doen zij iets voor niets? Laten velen zich zelfs niet voor het bidden betalen?’
`En wat overigens hun levenswandel betreft! Maar daarover wil ik nu niets zeggen. Over dit punt zal ik eens met je alleen spreken.’
Bij deze woorden wendde hij zieh tot mij en vervolgde:
`Je wilt morgen naar je familie reizen.Deze reis heeft geen haast. Blijf morgen nog hier en kom morgenavond om half acht weer hierheen. Dan spreken wij alleen met elkaar. Zeg daarom aan deze jongen, door wie ik spreek, zodra hij tot zichzelf komt dat hij morgenavond om half acht hier moet zijn.’
Hij eindigde de bijeenkomst, terwijl hij bad in een vreemde taal en de handen in zegenende houding ophief met de woorden: ‘Weest gezegend in de naam van God! – Goedenavond!’
Na deze groet viel de jongen voorover zoals bij het begin van de zitting, opende zijn ogen en keek verwonderd rond. Hij begreep niet, dat het al zo laat was. Van al het gebeurde wist hij niets. Hij zei, het gevoel te hebben als had hij lang en heerlijk geslapen. Hij voelde zich zeer opgefrist en goed.
Toen ik hem zei de volgende avond om half acht weer hier te zijn verklaarde hij, dat hem dat niet mogelijk was. Ze hadden morgen een belangrijk werk af te maken en het zou zeker negen uur worden, voordat hij weer thuis kon zijn. Dat was gisteren al zo door zijn baas geregeld.

Toch nam ik mij voor, mijn reis uit te stellen en de volgende avond op de aangegeven tijd hier weer aanwezig te zijn.
Toen ik na afloop van de zitting naar huis wandelde was het mij, alsof ik uit een zware droom ontwaakte. De maan goot haar zilveren schijn over de daken en de sterren schenen zo rustig in de heldere nacht. In mij sloegen echter de vlammen van mijn gedachten bergenhoog op. Ik was mij ervan bewust dat dit vuur reeds de boeken omgaf, waarop mijn geloofsgebouw tot nu toe rustte.
Wie sprak de waarheid? Het geloof waarvan ik priester was, of de stem, die door deze jongen had gesproken? Of was het misschien de jongen zelf, die dit alles tezamen flanste en voor ons komedie speelde?
De jongen uit zich zelf? – Neen, dat was uitgesloten. Dat te geloven was mij nog onmogelijker dan het hechten van geloof aan alle geloofsartikelen van de wereld tezamen. Nu had ik hier en daar wel eens iets gelezen over ‘helderziendheid, onderbewustzijn, gedachtenoverdracht’, maar ook daarmede kon ik in dit geval niets beginnen. Ik besloot rustig verder te onderzoeken. De zaak was te belangrijk voor me om ze eenvoudig opzij te schuiven. Er was geen ‘terug’ meer voor mij. Ik moest de volle waarheid weten. Misschien zou de volgende bijeenkomst mij reeds een stap verder brengen.