Gij behoort toch tot degenen, die de geestelijke zalving van de waarheid van de heilige ontvangen en daardoor in de gehele waarheid zijn ingewijd (1 Joh. 2-20).

Zonder aandacht te schenken aan de gevolgen besloot ik, in mijn parochie enige personen uit te zoeken om met hen bijeenkomsten te houden, zoals ik ze in de naburige stad zelf had meegemaakt. Wie ik daarvoor zou uitzoeken, wist ik niet. Er was mij toch gezegd, dat alles in orde zou komen, zodra ik daartoe bereid zou zijn. En zo gebeurde het ook. Ik behoefde de personen niet te zoeken, want zij werden zonder mijn toedoen op een zeer merkwaardige wijze naar mij toegezonden.
Er was in mijn gemeente een invalide vrouw, die gedeeltelijk verlamd was. Ik bezocht haar enige malen per week. Een zuster van haar was in mijn gemeente getrouwd en had vier kinderen tussen 20 en 28 jaar: drie zonen en een dochter.
Toen ik op een avond bij de invalide vrouw zat te praten, kwam een van de zoons van haar zuster vragen, of zijn moeder daar was. Er werd hem gezegd, dat zijn moeder hier was geweest, maar weer was weggegaan om een paar boodschappen te doen. Zij zou over een paar minuten weer terugkomen. De jongen ging zitten om op zijn moeder te wachten. Vrij spoedig kwam deze terug en bijna tegelijk met haar kwamen de beide andere zoons, die hun broer kwamen afhalen, want zij hadden met kameraden afgesproken, die avond naar een bepaalde familie te gaan. Enige minuten later kwam ook de dochter binnen. Ze was verpleegster en kwam mij vragen, of er bij een van de zieken ’s nachts gewaakt moest worden.
Wij waren toen dus met ons zevenen. Opeens bracht één van de zoons het gesprek op mijn preek van de vorige zondag. Ik had daarin een hoofdstuk uit de bijbel aangehaald, dat hun geheel onbekend was. Nu verklaarde ik aan de om mij heen zittenden uitvoerig die gedeelten van de Heilige Schrift. Allen luisterden met grote aandacht. Toen ik uitgesproken was, merkte een van de zoons op, dat hij het prettig zou vinden, wanneer hij vaker in de gelegenheid gesteld zou worden op deze wijze over vele dingen uit de bijbel opheldering te krijgen.
Ik verklaarde mij gaarne bereid, hier bij hun zieke tante vaker met hen bijeen te komen om vragen te beantwoorden, die zij mij zouden stellen. Op dezelfde manier waren ook de eerste christenen in hun huizen bijeengekomen ter bespreking van godsdienstonderwerpen. Met vreugde stemden de aanwezigen met mijn voorstel in en wij stelden meteen de avonden voor deze bijeenkomsten vast.
Verschillende avonden waren wij al bijeen geweest, zonder dat er iets bijzonders was gebeurd. Wij begonnen steeds met een gebed. Dan wijdden wij, terwijl wij elkander de handen reikten, enige minuten zwijgend aan de innerlijke gedachte. Hierop volgde een lezing uit de Heilige Schrift met verklaring en bespreking van het gelezene, en de beantwoording van de door de aanwezigen gestelde vragen. Ook overlegden wij tezamen, hoe wij in de noden van de armen in onze naaste en verdere omgeving konden voorzien.
Ik was zeer getroffen door de diepe ernst, waarmee vooral de drie broers de zaak opnamen. Daarbij viel niet alleen mij, maar ook de moeder iets merkwaardigs op: de gelaatsuitdrukking van de drie jongens veranderde en werd veel edeler en mooier. Zelfs vreemden viel dit op. Ook bekende één van de drie, dat hij niet begreep, wat er innerlijk met hem gebeurde. Want als hij op het land werkte, maande een innerlijke stem hem voortdurend aan om God te loven en te prijzen en hem te danken. Vroeger waren zulke gedachten nooit bij hem opgekomen. En wanneer hij nu met zijn driftig temperament aan een opwelling van toorn toegaf, dan voelde hij zich op hetzelfde ogenblik zo bezwaard, dat hij direct zijn arbeid moest staken om God voor de begane fout vergiffenis te vragen. Eerst daarna kon hij weer blijmoedig verder werken. Voorheen had hij die fout wel dozijnen keren per dag begaan, zonder zich daardoor innerlijk bezwaard te voelen.
Datzelfde gevoel had ook ik sinds de dag, dat ik de eerste bijeenkomst had bijgewoond in de naburige stad. Fouten en nalatigheden, waarop ik vroeger geen acht sloeg, brandden als vuren in mijn ziel.
Tijdens onze vierde bijeenkomst had ik een tekst uit de bijbel verklaard. Mijn uitleg was dezelfde, zoals die tegenwoordig door alle bijbeluitleggers wordt gegeven. Een andere kende ik niet. Nog had ik mijn uitleg niet beëindigd, toen een van de jongens in een voor mij onverklaarbare opwinding verviel. Met merkwaardig glanzende ogen zag hij mij aan, en ik merkte op, dat hij zich innerlijk tegen iets wilde verweren. Plotseling zich tot mij wendend met een bevende stem, terwijl een siddering door z’n leden voer, zei hij:
`Ik kan niet anders. Ik moet u mededelen, dat uw verklaring onjuist is. Ik word gedwongen, de juiste uitleg te geven.’
En toen sprak hij de zinnen uit, die hem als de uitleg van de bijbeltekst innerlijk werden ingegeven. Ze waren zo duidelijk en overtuigend, dat noch bij mij, noch bij de andere deelnemers enige twijfel aan de juistheid mogelijk was.
Wij waren nog niet bekomen van onze verbazing, toen dezelfde jongen uitriep: ‘Ik moet schrijven.’
‘Wat wil je dan schrijven?’ – vroeg ik.
‘Dat weet ik niet, maar een onweerstaanbare drang dwingt mij ertoe.
– Geef mij papier en potlood!’
Wij gaven hem beide en dadelijk schreef hij met grote snelheid een folio- blad vol. Alle letters zaten aan elkaar vast, zodat de woorden en zinnen niet van elkaar gescheiden waren. Als ondertekening stond onder het geschrevene het woord: ‘Celsior’.
Het stuk bevatte een voor ons belangrijke inlichting.
De jongen vroeg mij, wat het woord ‘Celsior’ betekende. Ik zei hem, dat het een latijns woord was en zoveel betekende als: `de hogere’ of ‘een hogere’.
Nu wilde ik van de jongen weten, welke gewaarwordingen hij bij het zojuist beleefde had gehad. Hij antwoordde, dat hij de juiste woorden niet kon vinden om dat uit te drukken. Hij had onder invloed van een macht gestaan, die zo groot was, dat hij zich daartegen niet kon verzetten. Hij had zich met alle kracht verweerd, toen hij mij moest zeggen, dat mijn bijbelverklaring onjuist was, want hijzelf was er vanzelfsprekend van overtuigd, dat mijn uitleg wel juist was. Maar hij werd gedwongen te spreken. Het was, alsof zijn eigen gedachten verdrongen werden en door andere vervangen. Hij was zich ervan bewust, geschreven te hebben, alsook van de inhoud van iedere zin, maar alleen gedurende het uitspreken of schrijven van de zin. Was deze ten einde, dan viel de herinnering weg, daar de volgende zin zijn geest volkomen in beslag nam en hij gedwongen werd, deze in woorden uit te spreken of neer te schrijven, zoals die hem werden ingegeven. Hij had bij het schrijven geen acht kunnen slaan op de letters, de spelling, komma’s of punten. Na beëindiging van zijn bijbeluitleg en het geschrevene herinnerde hij zich niets meer van de inhoud, zodat het hem onmogelijk was, het gesprokene en geschrevene te herhalen.
We zaten nog te praten over het gebeurde, toen een van zijn broers zei, dat hij niet meer aan de samenkomsten kon deelnemen, omdat hij zijn hoofd niet stil kon houden. Het werd tegen zijn wil in heen en weer gedraaid. Hij deed zijn best er tegenin te gaan, maar zonder resultaat.
Ook ik had dat heen en weer bewegen van zijn hoofd opgemerkt, evenals zijn moeder. Zij keek mij angstig vragend aan. Ik stelde haar en de jonge man gerust door te zeggen, dat zij geen angst behoefden te hebben, want wat wij deden kon niets verkeerds zijn. Wel begrepen wij nog niet wat hier gebeurde, maar het zou ons zonder twijfel spoedig duidelijk worden. Dergelijke verschijnselen hadden zich ook voorgedaan tijdens de bijeenkomsten van de eerste christenen. Als bewijs daarvan las ik hun het 14e hoofdstuk van de eerste brief aan de Korinthiërs voor en verklaarde ik deze zo goed als ik het toen kon.
Voor mij waren de gebeurtenissen van die avond even nieuw als voor de andere deelnemers. Op de bijeenkomsten met de jongen in de stad had ik toch slechts meegemaakt, dat een geest door een volkomen bewusteloos mens sprak. Dat een geest een mens ook bij volle bewustzijn als werktuig kon gebruiken en hem zelfs kon Taten spreken en schrijven, daar had ook ik nog geen ervaring mee. Geheel onduidelijk was het voor mij, wat er gebeurde met de jongen, wiens hoofd heen en weer werd bewogen.
Daarom verheugde het mij, de volgende zondag op de bijeenkomst in de stad om opheldering te kunnen vragen. Daar werd mij het volgende gezegd:
`Maak je niet ongerust, als je niet direct op alle punten de volle waarheid te horen krijgt. Daarvoor is dit onderwerp nog veel te nieuw voor je en er ontbreken je in menig opzicht de juiste begrippen. Maar langzamerhand zal alles je duidelijk worden. – Het gaat net zo met jullie menselijke uitvindingen en ontdekkingen. In het begin houdt men de ontdekte waarheid voor onmogelijk en de ontdekker voor geestelijk niet normaal. Jaren later wordt dezelfde ontdekking algemeen erkend en als iets vanzelfsprekends beschouwd. Wie kon zich honderd jaar geleden een voorstelling vormen van de moderne vliegtuigen, van telefoon of telegraaf of zelfs van de radio? Als iemand toen gezegd zou hebben, dat er een tijd zou komen, dat men door de lucht zou vliegen, zou kunnen spreken met mensen op verwijderde plaatsen en in eigen huis naar een concert kon luisteren, dat vele honderden uren ver weg werd gegeven, dan had men hem niet ernstig genomen. En juist uw geleerden zouden zich het meest tegen deze mogelijkheden hebben gekant.’
`Nu is je gezegd, en je beleeft het zelf, dat de geestenwereld met de mensen in verbinding kan treden, zodra de nodige voorwaarden zijn vervuld. De grote massa gelooft dit niet en houdt het voor onmogelijk precies zoals zij vroeger veel voor onmogelijk heeft gehouden, wat heden werkelijkheid is.’
‘Ook jullie geleerden willen niet toegeven, dat de geestenwereld op een door de zintuigen waarneembare wijze in je leven kan ingrijpen. En toch voltrekken zich ook in jullie tijd duizenden gebeurtenissen, die door de geleerden als onweerlegbare feiten erkend kunnen worden en wel als feiten, die alleen door het ingrijpen van de geestenwereld te verklaren zijn. Uw geleerden zoeken echter andere oorzaken voor dergelijke gebeurtenissen en verwachten van jullie, het onzinnigste en ongelooflijkste te geloven om die feiten ‘menselijk’ te verklaren, alleen opdat zij niet worden gedwongen om het bestaan van een geestenwereld en een `gene zijde’ aan te nemen. De één doet het, omdat hij een voortleven na de dood ontkent; de ander, omdat hij nog niet de moed opbrengt, als wetenschapsmens het ingrijpen van geesten te erkennen, ofschoon hij er innerlijk van overtuigd is. Zij vrezen, dat hun wetenschappelijke naam eronder zou kunnen lijden.’
‘Maar de tijd zal komen, dat ook jullie wetenschap moet erkennen, dat de geestenwereld, zowel de goede als de verkeerde, in je leven en je lot op veelvuldige wijze zichtbaar en voelbaar ingrijpt.’
‘Daarom mag je je er niet over verwonderen, als je in deze tijd niet voor normaal wordt gehouden, zodra je zegt met een geest te hebben gesproken.’
Ik verwonder mij er zeer over, dat in deze tijd ook jullie godsdienstige gemeenschappen het geloof aan het ingrijpen van de geestenwereld en zijn verkeer met de mensen afwijzen, of, als zij het toegeven, beweren, dat het alleen de verkeerde geestenwereld is, die zich thans openbaart.’
‘Zo’n houding is dwaas, want als thans geen geesten tot jullie kunnen komen, dan was het ook in vroegere tijden niet mogelijk. Dan kunnen ook alle bijbelse verhalen over geestenverkeer naar het rijk der fabelen worden verwezen. Zijn het evenwel alleen kwade geesten, die zich thans melden, dan waren het ook vroeger alleen kwade geesten. Daarmee zouden alle geloven, die op het Oude en Nieuwe Testament zijn gegrond, ineenstorten, want zij beweren toch door geesten hun religieuze waarheden en wetten te hebben ontvangen. Waren het vroeger echter goede geesten, die tot de mensen kwamen, dan is er geen reden te bedenken, waarom zij heden niet meer zouden komen. Het is dezelfde God, die vroeger de goede geesten zond en die ze thans zendt. Zoals Hij toen de mensheid op de goede weg wilde brengen, zo ook nu. Of denkt men soms, dat men tegenwoordig geen onderwijs en leiding van de geesten Gods meer nodig heeft? Meent men misschien, betere en verstandiger mensen te zijn dan die uit oude tijden, en in het bezit van de volle waarheid?’

‘Wat je in je parochie hebt beleefd, is een bevestiging van hetgeen je van mij verneemt. Je zult nog veel meer beleven. Heb geen angst voor de jongen, die zijn hoofd niet meer stil kan houden. Aan hem wordt gewerkt en je zult met eigen ogen zien, op welke manier de verschillende ‘media’ worden gevormd.’
‘Het woord ‘medium’ betekent `werktuig’. Media zijn dus mensen, die door de geestenwereld als werktuig worden gebruikt om verkeer met de mensenwereld mogelijk te maken. Ook dieren kunnen media zijn, maar deze laten wij voorlopig buiten beschouwing.’
`Als mensen als werktuig van de geestenwereld zullen dienen, hebben zij daarvoor een ontwikkeling nodig, die van de geestenwereld uitgaat. Zij is van kortere of langere duur, afhankelijk van de personen, en vóór alles van de doeleinden, waarvoor zij zullen worden gebruikt.’
‘Over de verschillende soorten media en de bijzonderheden van hun ontwikkeling zal ik je uitvoerig onderwijzen, zodra de tijd dáár is. Vandaag vertel ik je daarover slechts zoveel als nodig is om de gebeurtenissen in de volgende bijeenkomsten in je parochie te kunnen begrijpen.
‘Daar heb je thans twee soorten ‘media’, waaraan door de geestenwereld wordt gewerkt. De één is een zogenaamd ‘inspiratie-medium’. Hem worden door een geest met zo’n kracht bepaalde gedachten ingegeven, dat zijn eigen gedachten verdrongen worden en hij geheel onder de macht van die geest staat. Van hem ontvangt hij niet alleen de gedachten maar hij wordt door hem ook gedwongen, òf ze uit te spreken, òf ze neer te schrijven. Daarbij behoudt het medium zijn volle bewustzijn. – Dit inspiratie-medium moet nog verder worden gevormd om zijn opnemingsvermogen voor de ingevingen van de geestenwereld te vervolmaken. Er moet nog veel, dat als een belemmering in de weg staat, van hem weggenomen worden. Wat dat is, begrijp je nu nog niet, maar later zal het je duidelijk worden.’
‘Het andere medium, dat nog niet werkzaam is, bevindt zich in het eerste stadium van de ontwikkeling. Het is de jongen, die zijn hoofd tijdens de laatste samenkomst niet stil kon houden en daardoor angstig werd. Hij wordt een ‘sprekend medium’. Zijn eigen geest wordt dan uit zijn lichaam verdrongen en een andere geest neemt bezit van hem en spreekt door hem. Men noemt deze toestand ‘trance’. Er zijn verschillende graden van trance, al naarmate de geest van het medium slechts ten dele of geheel van zijn lichaam is gescheiden.’
‘Hoe het losmaken van de geest uit het lichaam van het medium geschiedt, is voor jullie moeilijk te begrijpen. Maar op een andere keer wordt het je uitvoerig verklaard.’
`De vorming van een ‘volle-trance’ – of ‘diep-trance’ medium is niet prettig om aan te zien. Maar ze is noodzakelijk en voltrekt zich volgens eeuwige wetten.’
‘Opdat de moeder bij het zien daarvan zich niet onnodig angstig maakt is het beter, dat zij voorlopig de samenkomsten niet bijwoont.’
`De ontwikkeling van de media is een gewichtige en heilige zaak. Je moet daarom tijdens de bijeenkomsten veel voor de media bidden en God om kracht en bijstand vragen, opdat alles naar God’s wil geschiedt en de media bruikbare werktuigen van het goede worden en God trouw blijven.’
`Deze mededelingen had je vandaag nodig, zodat je het verloop van de ontwikkeling van de media enigszins begrijpt en je je niet ongerust maakt over wat je met hen beleeft.’
Wat mij over de ontwikkeling van de media in mijn gemeente werd medegedeeld, werd op alle punten bevestigd. De jongen, die als `inspiratie- medium’ werd aangeduid, ontwikkelde zich snel. Hem werden uitvoerige mededelingen over de belangrijkste waarheden ingegeven en deze werden door hem neergeschreven. Zij bevatten iets voor mij geheel nieuws en waren grotendeels in tegenspraak met wat de jongen zelf tot nu toe had geloofd en wat ook ik als de waarheid had gepredikt. Van onderbewustzijn of gedachtenoverdracht, waarmee velen dergelijke verschijnselen trachten te verklaren, kon dus in dit geval geen sprake zijn. Gedachtenoverdracht was ook daarom reeds uitgesloten, omdat het inspiratiemedium alles van nu af aan niet in de samenkomsten opschreef, maar thuis, zonder bijzijn van iemand anders. De jongen zette zich nooit uit eigen beweging tot schrijven, maar dezelfde onweerstaanbare macht, waardoor hij voor de eerste maal in de bijeenkomst was gegrepen, dwong hem er iedere keer toe en bepaalde ook het tijdstip ervoor. Zo werd hij eens in de vroegste morgenuren, toen niemand eraan dacht om al op te staan, plotseling gewekt en aangemaand om op te staan en te gaan schrijven. Hij gaf hieraan geen gehoor, omdat hij het daarvoor nog te vroeg vond. Toen voelde hij, hoe hij met geweld het bed uit werd getrokken en op de grond werd gelegd. Door angst aangegrepen sprong hij op en zette zich tot schrijven. Hij schreef een wonderbare verhandeling over `De verlossing’, welke in niets overeenstemde met wat hij als katholiek daarover wist en wat ook nergens op enigerlei wijze te vinden is. Op dezelfde manier schreef hij, de eenvoudige dorpsjongen, een verhandeling over `de Heilige Schrift’, die geheel nieuwe waarheden bevatte. Niet alleen naar inhoud, maar ook naar zinsvorming waren deze geschriften zó, dat de jongen dit nooit uit zichzelf tot stand had kunnen brengen. Hij schreef de volgende verhandelingen in proza : `De vergeestelijking der ziel’ – `De Genade Gods’ – ‘Wat heeft uw verlosser voor u gedaan?’ – `Lente, zomer, herfst en winter’ – `De oogst’ – `De nacht’ – ‘Bidt tot de Heer’-‘De Heilige Schrift’ – `Kinderliefde’ – `De dood van de sterfelijke’ -.
Zoals alle geschriften in proza alleen de waarheden van God tot onderwerp hadden, zo ook zijn gedichten: `Der heiden roep’ – `De taal der schepping’ – `Heil en hosanna’ – ‘Op God’s wegen’ – ‘God’s herder en zijn kudde’ – `De sterkere’ – ‘Zo wandelt uw schepper’.
De vorming van zijn broer tot sprekend medium vergde meer tijd. De daarbij optredende lichamelijke verschijnselen waren vaak zeer beangstigend om aan te zien. Ik was daarom blij, dat ik daarover reeds eerder was ingelicht; anders zou ik nauwelijks de moed hebben gehad tot het einde vol te houden. De moeder van de jongen had ik gevraagd tot nader order niet meer op de bijeenkomsten te komen.
Nadat zijn vorming was voltooid, viel hij op dezelfde wijze in de ‘trance’- toestand, zoals ik dit voor het eerst bij het sprekende medium in de stad had gezien. De geest, die voor de eerste keer door hem sprak, kwam met de groet: ‘God zij met ons.’ Toen zwoer hij bij God, dat hij een goede geest van God was, en noemde zijn naam.
Door deze geest ontving ik een schat van aanwijzingen en lessen, welke alle overeenstemden met dat wat ik van het ‘inspiratie-medium’ in mijn parochie en vooral door het medium in de stad had vernomen.
Twee dingen vielen mij daarbij op.
Ten eerste kon ik een onderscheid in rang vaststellen tussen de geest, die door het sprekende medium in mijn parochie sprak, en de geest, die zich van het medium in de stad bediende. Want menigmaal, wanneer ik een zeer belangrijke vraag tot de door het medium in mijn parochie sprekende geest richtte, wees hij de beantwoording af met de opmerking: ‘Daartoe heb ik geen opdracht. Vraag ‘hem’!’ – Bij het woord `hem’ boog hij diep; met `hem’ bedoelde hij de geest die sprak door de jongen in de stad. De eerste maal, dat hij mij naar hem verwees, vroeg ik, of hij deze geest kende. `Ik ken `hem” – antwoordde hij kort. Daarbij boog hij weer zeer diep. In het begin begreep ik niet, waarom de geest, sprekende door mijn boerenjongen, de vragen niet evengoed mocht beantwoorden als de geest, die de jongen in de stad als medium gebruikte. Op zekere dag vroeg ik deze hiernaar. Hij deelde mij mede, dat het in de geestenwereld net zo gaat als bij ons mensen. Als een bode met een bepaalde opdracht tot iemand wordt gezonden, heeft hij alléén dàt te doen, wat hem is opgedragen. Anders niets. Zo had hijzelf als gevolmachtigde van God, het recht, mij elke vraag, die ik hem stelde, te beantwoorden, als hij de beantwoording noodzakelijk of nuttig achtte. Een zo verstrekkende opdracht had evenwel niet de geest, die door het sprekende medium in mijn parochie sprak. Deze had daarom de plicht om mij met alle vragen, welke hij niet mocht beantwoorden, naar hem te verwijzen. Want van die geest was hij de ondergeschikte (noot v.d. vertaler: de geest door de boerenjongen was dus ondergeschikt aan die door de stadsjongen.).
Nog een ander verschil viel mij op. Door het medium in de stad sprak steeds dezelfde geest, terwijl in het sprekende medium in mijn parochie ook andere geesten intraden. In ieder geval bleef de door het eerste medium sprekende hoge geest steeds de leider. Hij kwam altijd met de groet: ‘God zij met ons!’ en was door zijn zachte stem en eigenaardige manier van uitdrukken steeds te herkennen. – Ook kwam hij altijd als eerste op de bijeenkomsten in mijn parochie.
Op een dag vroeg ik hem, hoe het te verklaren was, dat door het medium in de stad altijd slechts een en dezelfde geest sprak, terwijl het nu door hem gebruikte medium ook voor andere geesten als werktuig diende. Daarop gaf hij mij het volgende antwoord: ‘Aan de geest die door het medium in de stad spreekt, werd ter vervulling van een bepaalde taak dàt medium toegewezen voor alléén-gebruik. Daarom worden andere geesten bij dat medium niet toegelaten. Het medium, waardoor ik nu spreek, is weliswaar ook voor mij ontwikkeld, maar het is God’s wil, dat ook nog andere geesten, goede en kwade, hoge en lage, in dit medium zullen intreden en zich openbaren. Daardoor moet je de gelegenheid worden gegeven, de verschillende soorten van geesten te leren kennen. Uit hetgeen zij zeggen en doen, moet je de toestand beoordelen, waarin zij zich aan `gene zijde’ bevinden. Vóór alles moet je een denkbeeld krijgen van de weg, die de lage geesten hebben af te leggen om tot vervolmaking te komen. Zulk een persoonlijk kennisnemen van de geestenwereld door haar optreden in de media is van het grootste belang voor je en vergroot je kennis op dit gebied op veel vollediger wijze dan door mondeling onderricht. Toch kunnen de geesten, die zich door dit medium openbaren niet naar eigen goeddunken komen en gaan. Zij staan onder een contrôlegeest, die bepaalt, welke geesten in het medium treden en hoe lang zij daarin mogen blijven. Bij alle media, die als werktuig van het goede dienen, bestaat zulk een contrôle, evenals bij alle samenkomsten, waar het geestenverkeer plaats heeft, zoals God het wil. Waar deze contrôle ontbreekt, beleef je niets moois en goeds, want de goede en hoge geesten komen daar niet. Zij treden slechts dáár op, waar alles zich op de door God bepaalde wijze voltrekt, en een van God’s geesten orde houdt. Bij de meeste huidige spiritistische bijeenkomsten ontbreekt deze contrôle en daardoor zijn deze de speelplaats van de lage geestenwereld.
In het begin zal ik je vooraf zeggen, welke geesten in het medium komen en hoe je je tegenover hen hebt te gedragen. Later zul je ze zelf kunnen onderscheiden en weten, wat je in elk op zich zelf staand geval moet doen.’
En zo gebeurde het.
Zeer groot was het aantal geesten, dat zich van het sprekende medium in mijn parochie bediende.
Er kwamen hoge geesten, die met woorden van lof en God prijzend, intraden, ons belangrijke lessen gaven en dan God’s zegen uitsprekend, afscheid namen.
Zwaar lijdende geesten meldden zich, die vaak in hartverscheurende woorden om hulp smeekten en ons vroegen, met hen te bidden. Vaak spraken zij in een vreemde taal, die wij niet verstonden. Zij toonden zich er zeer ongelukkig over, dat zij zich niet aan ons verstaanbaar konden maken en gingen ongetroost weer heen.
Dan kwamen lage geesten, die zich zelf en hun lot vervloekten en de schandelijkste beschimpingen tegen ons uitten, en al het hoge en heilige hoonden. Als wij hen vroegen, met ons tot God te bidden, wezen zij dit af met uitdrukkingen van spot of haat. Drongen wij erop aan, dat zij de naam van God zouden uitspreken, dan traden zij dadelijk uit het medium.
Zeer talrijk waren de geesten, die zelfs niet wisten, dat zij door de dood van hun aardse lichaam waren gescheiden. Zij geloofden nog op de aarde te zijn en de werkzaamheden te verrichten, die zij als mensen ook deden. Dat waren de z.g. ‘aardgebonden geesten’.
Het gruwelijkste, dat wij meemaakten, was het optreden van de geesten van misdadigers. Zij zagen zich zelf steeds op de plaats van hun misdaden en beleefden steeds opnieuw de taferelen, die zich bij het begaan van hun misdrijf hadden afgespeeld. Het was als een film die zich steeds herhaalde. – De geest van de moordenaar was voortdurend bezig met de voorbereiding en uitvoering van de moord in alle bijzonderheden, en bracht de gedachten en

gevoelens uit die verschrikkelijke uren tot uitdrukking in woorden, die ons deden rillen; hij zag zijn slachtoffer vóór zich, dat hem steeds aanstaarde en hem door die blik tot vertwijfeling bracht.
Hetzelfde overkwam de geesten van woekeraars of dergelijke boosdoeners, die eens hun medemensen in nood en ongeluk hadden gestort. Waarheen zij zich ook wendden, overal stonden de gestalten van hun slachtoffers vóór hen.
De geest van de zelfmoordenaar beleefde onophoudelijk de gevoelens, de uitbarstingen van vertwijfeling en de gebeurtenissen, die bij zijn zelfmoord waren opgetreden. Geen toneelspeler ter wereld vermag zijn rol zo waarheidsgetrouw te spelen als deze geesten die het beleven van de donkerste uren uit hun aards bestaan uitbeeldden door het lichaam van het in deze dingen zo onervaren, onwetende en onschuldige medium. Vaak beefden wij over alle leden bij het aanzien en aanhoren van hetgeen zich vóór onze ogen afspeelde.
Nu en dan kwamen er ook zogenaamde `fopgeesten’, die ons met hun grappen en leugens trachtten te vermaken. Daar wij op hun aanwezigheid geen prijs stelden, moesten zij zo snel als zij gekomen waren weer verdwijnen.

Het optreden van deze verschillende soorten geesten en wat zich daarbij voordeed had een diepe betekenis.
Van de hoge geesten kregen wij waardevol onderricht, vaak ook ernstige terechtwijzingen en berispingen, zodat niet zelden de een of andere deelnemer de tranen in de ogen schoten. Meer dan eens werden de geheimste gedachten van de aanwezigen geopenbaard, doch steeds zó, dat niemand tegenover de anderen beschaamd werd gemaakt. Het is inderdaad een kenmerk van de goede geestenwereld, dat zij de terechtwijzingen nooit in kwetsende vorm geeft, maar na de verwijzing naar de fouten van de mens, steeds woorden van troost, opwekking en liefde laat volgen. Deze geesten breken nimmer het geknakte riet en doven geen gloeiend vonkje. Met zachte hand behandelen zij de wonden in de harten van hen, die aan hun zorg zijn toevertrouwd.
Vermaningen en raadgevingen in één en hetzelfde geval herhaalden zij niet vaak. Wordt datgene, dat zij zeggen niet opgevolgd, dan wordt men er misschien nog wel eens opmerkzaam op gemaakt; daarna niet meer of alleen in de zeldzaamste gevallen. Geeft iemand zich echter de moeite, de raad of de vermaning op te volgen, dan komen zij telkens weer daarop terug en helpen hem door onderricht en liefdevolle opwekking zó lang, tot hij zijn doel heeft bereikt. Als iemand werkelijk toont, van goede wil te zijn, dan kent hun liefde en erbarmen, ook in de gevallen, waarin iemand steeds weer uit menselijke zwakheid struikelt, geen grenzen. Doet iemand echter in het geheel geen poging uit te voeren, wat hem is gezegd door een van de godsboden, en vraagt hij dan later raad in een andere zaak, dan komt gewoonlijk dit antwoord : ‘Waarom vraag je mij om raad? Je doet immers toch niet, wat ik je zeg.’

Maar ook het optreden van de laagste geesten strekte ons tot lering. Nooit zal ik die avond vergeten, waarop in een sprekend medium de geesten van drie zelfmoordenaars, kort na elkaar intraden, en wij het gruwelijkste beleefden, dat mensen op dit gebied voor ogen kan komen. Toen de laatste van de drie geesten was uitgetreden, en wij nog zaten te beven, kwam de leidende geest – ook `leider’ genoemd – in het zelfde medium en sprak tot ons: ‘Het heeft een diepe grond, dat u vanavond dit verschrikkelijke werd getoond. In de eerste plaats moest u zien, welke `rust’ vele mensen na hun aardse dood genieten. Aan het graf van de mensen pleegt men zo vaak te zeggen: `nu heeft hij rust!’ Vanavond heeft u deze ‘rust’ gezien. U kunt totaal niet vermoeden hoeveel lijden deze ongelukkige geesten hebben te doorstaan, vóór dat zij tot het besef van hun toestand komen en zich tot God wenden. U mocht de drie geesten niet inlichten; zij zijn het nog niet waard. Zij moeten eerst door lijden rijp worden voor zulk een onderricht.Vandaag zou dit doelloos zijn geweest. Maar de toestand van deze geesten is u ook nog om een andere reden getoond.’
En toen verhief hij met plechtige ernst zijn stem en zeide: ‘Een van u is heden met zelfmoordgedachten behept en was reeds van plan, de voorbereidingen daarvoor te treffen.’
Opeens gaf een der aanwezigen een heftige gil en riep: ‘Ik ben het! O God, ik ben het!’ `Ja, je bent het’ zei hij toen op zachte toon. `Je dacht je aan de moeilijkheden die je al jaren lang te dragen hebt, door zelfmoord te onttrekken, om zo rust te vinden. Je hebt nu dus de ‘rust’ gezien, die je op deze wijze te wachten staat. Je zult nu wel voorgoed van zelfmoordgedachten zijn genezen. Deze avond bracht je zo een grote weldaad.’

Mijn bijzondere aandacht richtte ik erop te constateren of dat, wat mij door de media werd medegedeeld of voorspeld, werkelijkheid werd. Want als dat, wat wij op zijn juistheid konden nagaan, waarheid was, dan hadden wij geen reden aan de waarheid te twijfelen van wat niet aan een volgende proef onderworpen kon worden.
Uit de vele aantekeningen die ik over mededelingen van de geesten heb gemaakt, wil ik er enige aanhalen, die ieder onbevooroordeelde moeten overtuigen.

1. Een rondgang met een medium door de kerk van mijn parochie. Op een dag kreeg ik bezoek van het medium uit de stad. Wij zaten in mijn werkkamer en spraken over gewone dingen. Mijn huishoudster was in de keuken bezig en kwam nu en dan de kamer binnen. Op een ogenblik, dat wij weer alleen waren, viel de jongen plotseling in ‘trance’ en de geest wendde zich tot mij met de volgende woorden : `Je huishoudster is zoeven de tuin in gegaan om daar te werken en die tijd wil ik benutten om met je te praten. Wil je mij je kerk laten zien?’ Dat mijn huishoudster de tuin was ingegaan om daar te werken, konden nóch ik nóch de jongen als mens weten, want de tuin lag achter de pastorie en men kwam vanuit de keuken in de tuin door het achterste deel van de vestibule, waar een deur naar de tuin was. Wij beiden zaten in een kamer aan de tegenovergestelde kant en konden noch zien, noch horen, wat in de keuken of in de tuin gebeurde.
Op het verzoek, hem de kerk te tonen, stond ik op. De jongen volgde mij in zijn trance-toestand met onvaste schreden en gesloten ogen. De kerk lag dicht bij de pastorie. Men behoefde niet over straat te gaan om erin te komen. Door een zijdeur kon men vanuit de voortuin de kerk ingaan. Binnengetreden zei hij : ‘Het altaar staat boven een geraamte, dat in de grond begraven ligt. Ook onder de vloer van het schip bevinden zich een aantal geraamten. Hier was vroeger een kerkhof.’
Ik zei hiervan niets te weten. Ook hield ik dit voor onmogelijk, want de kerk stond op een heuveltje en erom heen was geen ruimte voor graven. – `Vraag het eens aan de oudsten van je parochie,’ zei hij – ‘zij kunnen je wellicht daarover inlichten.’
Daarna wendde hij de gesloten ogen naar het koor met de woorden: `Je weet, dat ik geen raad pleeg te geven inzake zuiver materiële dingen. Maar vandaag zou ik daarop een uitzondering willen maken. Je hebt een orgel gekocht. Zeg aan je organist, dat hij iedere keer, nadat hij het orgel heeft bespeeld, de registers weer geheel in het orgel terugdrukt. Drie registers zijn nu nog half uitgetrokken. Daardoor komt er stof en vocht in de orgelpijpen, waardoor langzamerhand de tonen onzuiver worden. Zuiver en mooi orgelspel draagt bij ter opluistering van de dienst en daardoor tot de verering van God. Daarom zeg ik je dit.’
Het klavier van het orgel was afgesloten, zodat men noch de toetsen, noch de registers kon ziep, zelfs niet als je er vlak voor stond en zeker niet vanaf het altaar, waarbij wij op dat ogenblik stonden. Op die afstand hadden wij het zelfs niet kunnen zien, al had het orgel opengestaan. De sleutel van het orgel hing in de kast van de sacristie.
Toen gingen wij naar een zij-altaar. Het altaarbeeld stelt de dood van de heilige Jozef voor. Jezus en Maria staan aan zijn sterfbed. `Deze voorstelling is niet juist’ -zei hij – `Jezus was niet aanwezig bij Jozef’s sterven.’
Nu gingen wij langs de verschillende schilderijen van de Kruisweg. Bij de afbeelding waarop Veronica de zweetdoek met de aftekening van het bloedige gelaat van Jezus terugontvangt, vroeg ik hem, of deze gebeurtenis slechts een legende of werkelijkheid was. ‘Het is werkelijkheid en geen legende,’- antwoordde hij.
Bij de afbeelding van de kruisiging van Christus vroeg hij mij plotseling: ‘Wat denk je, dat bij de kruisiging de grootste smart heeft veroorzaakt?’ Ik antwoordde: `De nageling aan het kruishout.’ – ‘Neen’ antwoordde hij – ‘niet de nageling, maar de dorst. De nagels werden met een zware slag door de brute beulsknechten door handen en voeten geslagen en veroorzaakten een verdoving, die in het begin niet bijzonder pijnlijk was, zoals uw gewonden in de oorlog de zware kwetsuren door kogels of granaatscherven in het eerste ogenblik nauwelijks voelden. Maar de dorst door het bloedverlies is het ergst, ook bij uw gewonden. Dit kan de mensen waanzinnig maken, geen lichamelijk lijden is te vergelijken met dit versmachten van dorst.’
Toen wij verder gingen kwamen wij bij een zijkapel. Daarin stond een oud houten Mariabeeld, dat in vroeger eeuwen in een klooster had gestaan, waarvan de ruïnes zich nog in de nabijheid bevonden. – ‘Dit beeld’ – zei hij – `werd reeds lang gezocht door de lijdende geesten, die beneden in het dal bij de kloosterruines zijn verbannen.’ –
Geheel verbaasd vroeg ik: ‘Waarom zoeken dan die geesten al zo lang naar dit Mariabeeld? Het is hier toch gemakkelijk te vinden. En bovendien, welk nut kan het beeld aan die lijdende geesten brengen?’
‘Begrijp je dat niet? Nu, dan zal ik het je uitleggen. Kijk, de geesten, die tot straf voor hun daden aan een bepaalde plaats zijn gebonden, mogen niet buiten de voor hen bepaalde ‘bankring’ komen. Daardoor kunnen de in dat dal bij de kloosterruines verbannen geesten niet naar deze kerk komen. Zij kunnen naar het Mariabeeld dus alleen zoeken binnen hun Bankring. En daarin vinden zij het niet. – Als je verder vraagt hoe dat Mariabeeld hen dan zou kunnen helpen, dan is de waarheid, dat het beeld zelf hun geen hulp kan brengen. Maar iets anders, dat met het beeld samenhing, bracht hun vroeger verlichting. Toen namelijk het beeld nog in het klooster stond, kwamen er veel mensen om ervoor te bidden. Hierbij bad men tevens voor de `arme zielen’, zoals jullie de lijdende geesten noemt. Het gebed kan weliswaar niets van hun schuld en straf wegnemen, maar zij hoorden het bidden, en hun gedachten werden eveneens naar God geleid. Daardoor werd hun toestand verlicht. Sinds het beeld daar is weggenomen, komt niemand er meer bidden en de geesten missen de weldaad, die eens het gebed hun bracht. Zij weten, dat het bidden samenhing met de aanwezigheid van het Mariabeeld. Daarom trachten zij, het beeld weer daarheen te krijgen.’
Thans kwamen wij bij de trap, die naar het orgelkoor leidde. Ik had nu wel graag geweten hoe het met die halfuitgetrokken orgelregisters stond, maar nog een andere gedachte hield mij op dat ogenblik bezig. Ik vroeg mij namelijk af òf hij wel kon orgelspelen. Dat de jongen dat niet kon, wist ik. Ik bedacht alleen : Zal de vreemde geest zoveel macht over het lichaam van de jongen hebben, dat hij zijn vingers en voeten zo snel kan bewegen, als voor orgelspel nodig is? – Slechts aarzelend vroeg ik daarom, of hij het orgel wilde bespelen. – ‘Gaarne, als het je genoegen doet,’ – was het antwoord. Snel haalde ik uit de sacristie de sleutel en wij bestegen de trap, die naar het orgelkoor leidde. Ik opende het klavier en keek direct naar de registers. Inderdaad! Er waren drie registers half uitgetrokken. Opnieuw verzocht hij mij, de organist daarop te wijzen.
Toen zette hij zich aan het orgel, trok registers uit en begon te spelen.
Eerst zacht en langzaam in lieflijke akkoorden. Daarna iets sterker – en hoe langer hij speelde, des te meer zwollen de tonen aan, en op het hoogtepunt van zijn spel was het een golven en bruisen en stormen met alle registers uitgetrokken, als een orkaan, die bomen ontwortelt. Daarna een langzamerhand afnemen en tot slot een wonderbaar zacht en vredig wegsterven. Zonder twijfel zat hier een meester aan het orgel.
Na het beëindigen van het spel drukte hij alle registers in en stond op. Ik sloot het orgel weer. Toen kwam hij vóór mij staan en vroeg mij : ‘Weet je, wat ik zoëven op het orgel heb gespeeld?’ – ‘Neen’ antwoordde ik. -‘Je eigen leven heb ik gespeeld’ – zei hij rustig.

Ik keek hem verbaasd aan. Ik kon niet geloven, dat men het leven van een mens kon spelen. Alsof hij mijn gedachten had gelezen gaf hij de volgende verklaring: ‘Het leven van een mens is gelijk een schilderij. Men kan schilderen in kleuren, maar ook in tonen. Iedere kleur komt met een toon overeen en elke toon met een kleur. Er zijn helderzienden, die alle tonen in hun kleuren zien, en harmonie en disharmonie niet door het gehoor onderscheiden, maar door het zien van de toonkleuren. Daardoor kan men ieder schilderij spelen, alsof men de muziek voor zich had. Ten minste de geestenwereld kan dit.’
Ik begreep zijn uiteenzettingen niet; zij waren te nieuw voor mij.
Zwijgend gingen wij de trap weer af tot in het schip van de kerk en tot de deur, waardoor wij waren binnengekomen. Hier bleef hij staan, zeggende : `Hier wil ik nu afscheid nemen. Ik kan niet meer mee naar de pastorie, want je huishoudster staat op het punt, uit de tuin het huis in te gaan, en ik wil niet, dat zij de jongen in trance-toestand ziet. Ik ga nu tegen deze muur staan. Steun jij het lichaam van de jongen, opdat hij niet op de grond valt, als ik uit hem treed!’
Ik deed, zoals hij had gezegd, en moest al mijn kracht aanwenden om het naar voren vallende lichaam van de jongen òp te houden, toen de geest uittrad. Direct kwam hij tot zichzelf en was zeer verbaasd, met mij in de kerk te zijn. Hij kon zich alleen herinneren, dat wij samen in de pastorie hadden gezeten. Van wat er intussen was gebeurd, wist hij niets. Toen ik hem vertelde, dat hij zo mooi orgel had gespeeld, schudde hij ongelovig het hoofd.
Op hetzelfde ogenblik, dat wij de pastoriedeur openden, kwam ook mijn huishoudster uit de tuin de achterdeur in. Zij zou de jongen dus in zijn trance- toestand hebben gezien, als de geest niet, om dit te verhinderen, tevoren uit het medium was getreden.
De jongen zelf, met wie ik later over de verschillende gebeurtenissen sprak, wist noch iets af van de geraamten, noch van de orgelregisters, noch van de dood van de Heilige Jozef noch van Veronica’s zweetdoek, noch van de pijnen der kruisiging, noch van het Mariabeeld en zijn geschiedenis, noch van de bij de kloosterruïnes verbannen geesten en de uitwerking van het gebed op hen, noch van het orgelspel, en wat mij in aansluiting daaraan was verteld.
Nog diezelfde avond kon ik door navragen vaststellen, dat, waar thans de kerk staat, heel vroeger werkelijk een kerkhof was geweest.
2. Een ordebroeder als spiritist.
Een boodschap, die op een avond door de boerenjongen in mijn parochie als sprekend medium werd gegeven, leek ons erg onwaarschijnlijk. Door het medium was namelijk gezegd, dat ook een pater uit het nabije Benedictijner klooster aan `spiritistische seances’ deelnam, die in een niet ver verwijderde stad werden gehouden. Wij konden niet geloven, dat een monnik in zijn ordekleed aan een spiritistische bijeenkomst zou deelnemen, omdat juist de katholieke kerk toch zulk een sterke tegenstandster van het ‘spiritisme’ is. Een mogelijkheid om de waarheid van deze mededeling na te gaan, hadden wij niet. Haar juistheid werd echter spoedig op een andere wijze bevestigd. Er was namelijk bij mijn geestelijke overheid een aanklacht tegen mij ingediend wegens deelneming aan spiritistische bijeenkomsten. Er kwam een commissie om mij over deze zaak te verhoren. Dit verhoor vond plaats in het nabij gelegen Benedictijner klooster, waarheen ik werd opgeroepen.
Bij dit verhoor bekende ik overeenkomstig de waarheid, dat ik dergelijke bijeenkomsten had bijgewoond en deze ook in mijn parochie had ingesteld. Men wees mij erop, dat het de katholieken vanuit Rome was verboden, aan spiritistische bijeenkomsten deel te nemen. Ik verklaarde, dat zo’n verbod mij onbekend was. Zou het bestaan, dan was het voor mij onbegrijpelijk, dat een pater van het klooster, waarin wij ons op dat ogenblik bevonden, eveneens aan zulke bijeenkomsten deelnam. Ik deelde dit niet mede tot mijn eigen verdediging, maar alleen om op deze wijze te kunnen vaststellen, of werkelijk een pater uit dit klooster deelnam aan spiritistische zittingen, zoals door het medium was beweerd.
De voorzitter van de commissie van onderzoek bestreed met grote verontwaardiging mijn mededeling en zei met nadruk, dat het volstrekt uitgesloten was, dat een pater in `spiritistische kringen’ kwam. Reeds zijn ordekleed maakte hem dit onmogelijk. Hij moest daarom mijn bewering als zware laster afwijzen.
Rustig antwoordde ik, dat ik deze kwestie niet te berde had gebracht om de pater of het klooster in moeilijkheden te brengen. Men had mij dit van een andere zijde medegedeeld en ik wilde deze gelegenheid benutten, om de waarheid daarvan vast te stellen. Zou de mij gedane mededeling onwaar blijken, dan zou ik voor een rectificatie zorgdragen.
De voorzitter onderbrak nu mijn verhoor en ging, zoals ik veronderstelde, naar de abt van het klooster. Na enige tijd kwam hij met een zeer verlegen gezicht terug en bevestigde de juisheid van mijn mededeling. Als verontschuldiging voegde hij hieraan toe, dat de betreffende pater van de abt toestemming had gekregen, spiritistische seances bij te wonen.
De juistheid van de mededeling van het medium werd op deze wijze dus bevestigd.
3. In de loop van de behandeling van de tegen mij ingebrachte aanklacht, kreeg ik bevestiging op bevestiging van de door de media gedane verklaringen en voorspellingen aangaande mijn zaak.
Op zekere dag ontving ik een oproep om voor de bisschop te verschijnen. Nauwelijks had ik de brief ontvangen, of de boerenjongen uit mijn parochie, het sprekende medium, kwam naar mijn pastorie en zei: ‘Ik werd genoodzaakt om naar u toe te gaan. U hebt een brief van uw bisschoppelijke overheid ontvangen. U moet op… voor de bisschop verschijnen.’ Ik vroeg hem, hoeveel regels de brief bevatte. Ook dat wist hij precies. Daarna kwam hij in de trance-toestand, en de door hem sprekende geest sprak mij moed in met de woorden : `Je behoeft geen angst te hebben. Vertrouw op God en vrees niet! Wat kunnen de mensen je doen?’ Ik antwoordde, dat ik de overtuiging, verkregen door het verkeer met de geestenwereld ook voor de bisschop wilde bekennen, waardoor ik zeker binnen korte tijd mijn ontslag als katholiek pastoor kon verwachten. `De bisschop zal je niet over het spiritisme en je daaruit verkregen geloofsovertuiging vragen,’ zeide hij. `Je zult later bij wijze van verlof in vrede van de gemeenteleden uit je parochie scheiden en niet door afzetting.’
Ik kon mij totaal niet indenken, dat de bisschop mij niets zou vragen over de spiritistische bijeenkomsten en de daarbij onthulde waarheden. En toch gebeurde alles, zoals het medium mij had gezegd. De bisschop las mij het verbod voor van de Roomse Congregatie uit het jaar 1917, volgens hetwelk katholieken geen spiritistische bijeenkomsten mochten bezoeken. Hij liet mij ondertekenen, dat hij mij het verbod had medegedeeld, en legde mij een boete op voor de begane overtreding van het verbod. Over de spiritistische zaak zelf sprak hij geen woord.
Enige tijd later moest ik een voor mij zeer pijnlijke bevestiging constateren van een door het medium in de stad gedane voorspelling. Er was namelijk tijdens een bijeenkomst medegedeeld, dat een uit deze kring mij zou verraden. Wij konden niet geloven, dat één van ons daartoe in staat was. En toch werd het voor onmogelijk schijnende bewaarheid. Een vrouw uit onze kring klaagde mij aan bij de bisschoppelijke overheid, wegens mijn voortgezette deelname aan de spiritistische bijeenkomsten.
Door deze aanklacht scheen mijn afzetting onvermijdelijk. Weliswaar had ik verlof aangevraagd, om mij te wijden aan liefdadigheidswerk, maar dit was door het bisschoppelijke vicariaat in zulk een barse vorm afgewezen, dat naar menselijke berekening geen hoop meer bestond, dat het zou worden toegestaan. De behandeling van mijn zaak voor het geestelijk gerecht werd voortgezet, de dag van de eindbehandeling vastgesteld en ik werd verzocht daar aanwezig te zijn. Nog slechts enkele dagen scheidden mij van deze datum, waarop het oordeel van mijn afzetting zonder twijfel zou worden geveld. Desondanks vertrouwde ik op de mij gedane voorspelling, dat ik wegens verlof uit mijn parochie zou weggaan in vrede met mijn gemeente. Op het laatste ogenblik ontving ik een telegram van het geestelijk gerecht, dat de vervolging tegen mij op verzoek van de bisschop intussen was ingetrokken. Spoedig daarop volgde een brief van de bisschop, waarin hij schreef, het door mij aangevraagde verlof in te willigen, en mij vroeg wanneer ik mijn parochie wenste te verlaten. Ik gaf hem de datum op, die mij reeds lang tevoren als de dag van mijn afscheid was voorspeld: 31 december 1925.
4. In de Pinksterweek van 1924 reisde ik naar Graz in Stiermarken.
Tussen Passau en Wenen zat ik alleen met een jongeman in de coupe.
Ik zat tegenover hem in een boek te lezen. Plotseling zag ik het hoofd van de jongeman naar voren buigen, alsof hij was ingeslapen. Maar op hetzelfde ogenblik richtte hij zich weer op, zat met gesloten ogen, nam zijn opschrijfboekje uit zijn zak en schreef een bladzijde vol. Toen scheurde hij het blad eruit en overhandigde het mij met de woorden : ‘Neem dit aan en bewaar het! Op een andere plaats zal je worden gezegd, wat dit betekent.’ Ik bekeek het handschrift, maar kon de tekens niet ontcijferen.Toen kwam de jongeman weer tot zichzelf. Hij wist niet, dat hij had geschreven; ook niet, dat hij mij het blad papier had gegeven en ook geen woord van wat hij mij had gezegd. Ook hij kon de tekens niet lezen, die op het papier stonden.
Na mijn terugkeer uit Graz in mijn parochie droeg ik het beschreven blad

veertien dagen in mijn zak. Op een zaterdagavond bezocht ik het gezin van mijn sprekend medium. De jongen was alleen in de kamer. Na enige ogenblikken viel hij in ‘trance’ en zei: `Laat mij het briefje zien, dat je bij je draagt en dat je op reis naar Graz werd gegeven.’ Ik gaf het hem. Hij las het en zei: ‘Morgenmiddag komt er een jood bij je. De mensen denken, dat hij ziek is, maar in werkelijkheid wordt hij erg gekweld door een boze geest, die zo’n macht over hem heeft, dat hij haast geen woord kan uitbrengen. Zodra hij komt, roep dan deze jongen, waardoor ik spreek. Laat de rest aan mij over. Je zult daarbij iets groots beleven. Dit briefje werd door de beschermgeest van de jood door het medium op je reis naar Graz geschreven. De beschermgeest van de jood is een overleden oom uit Keulen. Ook de boze geest, die de jood kwelt is een gestorven familielid.
De volgende middag tegen vier uur belde iemand aan de voordeur van de pastorie. Ik opende de deur en schrok bij het zien van een man met verwrongen ledematen en wiens hoofd, als in een voortdurende ze-nuwtrekking, heen en weer schudde. Hij trachtte te spreken, maar kon geen woord uitbrengen. Ik nam hem bij de hand, en leidde hem mijn kamer in. Dadelijk liet ik de jongen roepen. Deze kwam, viel in tegenwoordigheid van de jood in trance, stond op, strekte zijn hand als bezwerend tegen de man uit en sprak in een taal, die ik niet verstond. De jood werd door een onzichtbare macht enige malen heen en weer geslingerd. Daarna voelde hij zich bevrijd, begon uit vreugde te huilen en kon zonder haperen spreken. Hij zei mij, volkomen te weten, wat zojuist met hem was gebeurd. Hijzelf was helderziend en kon de geesten waarnemen die hem’omringden, zowel de goede als de boze. Zijn goede geest was een oom uit Keulen, de boze een familielid, dat hij in dit leven niet had gekend. De boze geest had hem trachten te verhinderen, naar mij toe te gaan, en had hem onderweg de schandelijkste schimp- en laster- woorden toegevoegd in het Hebreeuws. Enkele daarvan herhaalde hij voor mij. Nu hoopte hij voor goed van deze boze begeleider bevrijd te zijn. Hij wist ook, welke geest hem nu had bevrijd. Toen nam hij zijn gebedenboek uit zijn zak en toonde mij een Hebreeuws gebed tot een hoge hemelvorst. De jood had gelijk; deze geest was het. Terwijl ik nog met de jood sprak, viel de jongen weer in trance en keerde zich tot mij met de woorden: ‘Wat ik nu tegen je zeg kan deze man niet horen, want zijn zintuigen worden buiten werking gesteld, zodat hij niets verstaat. Wat je hier vandaag hebt meegemaakt, is tot je lering geschied, en ook voor deze man. Hij zal slechts voor korte tijd van de boze geest bevrijd blijven. Deze zal spoedig terugkomen en hem blijven kwellen tot zijn dood. Dit is zijn levenslot. Hij heeft deze straf verdiend. Hij zal niet weer bij je terugkomen. Hij zal daarvoor de kracht niet meer hebben.’
Ik vroeg nu aan de man, of hij had gehoord wat zojuist was gezegd. Hij antwoordde, dat hij niets had gehoord.
Diep geroerd nam ik afscheid van deze zielige man. Hij kwam nooit meer terug.
5. Vaak was ik door de verschillende media erop gewezen, dat de oorkonden uit de eerste christelijke tijden op zo vele plaatsen waren vervalst. Ik vroeg mij telkens af, of er dan geen wetenschappelijk werk bestond, dat trachtte, de vervalsingen aan het licht te brengen? Een dergelijk werk was mij niet bekend; ook anderen konden er geen aanwijzen. In onze bijeenkomsten vroeg ik hier met opzet niet naar, want er was mij gezegd, dat alles tot mij zou komen, dat voor mij van belang kon zijn.
Op zekere dag werden mij twee afleveringen van een werk toegezonden. Zij waren nog niet opengesneden. Daarbij ingesloten was een brief van een dame, die ik pas eenmaal in mijn leven had ontmoet. De brief luidde als volgt:

‘Bijgaande geschriften heeft mevr.Dr. H. uit F. voor u meegegeven. Zij moest ze u plotseling zenden, zonder ze zelf te hebben gelezen. Machtige dingen voltrekken zich aan haar. U moet haar zo spoedig mogelijk opzoeken.’

Mevr. Dr. H., die mij de geschriften plotseling moest zenden, kende ik noch persoonlijk, noch van naam.
In de geschriften, die zij mij zond en waarvan zij zelf niets wist, werd aangetoond, dat een geschrift van de Joodse schrijver Flavius Josephus door christelijke overschrijvers ‘ten gunste van het christendom’ op de grofste wijze was vervalst. De overschrijver had Flavius Josephus van verachter van Christus tot vereerder van Christus gemaakt.
Bovendien bevatten deze mij toegezonden geschriften talrijke aanwijzingen voor de stelselmatig aangebrachte vervalsingen van de geschriften uit de eerste eeuwen, zodat ik daarin alles bevestigd vond, wat mij door de op dit gebied volkomen onervaren media hierover was gezegd. Deze vaststelling schonk mij een grote voldoening.
6. Een bevestiging, zowel van de algemene waarheid van het geestenverkeer, als van vele op zichzelf staande waarheden op dit gebied, vond ik tijdens een bezoek aan Amerika.
Daar is het spiritisme wijd verbreid onder de naam van ‘spiritualisme’. Overal bestaan zogenaamde `spiritualistische’ kerken. Ik nam direct de gelegenheid waar om de toepassing van het ‘spiritisme’ in deze kerken te leren kennen. Hiervoor woonde ik een aantal spiritistische diensten bij. Daar vond ik helaas bevestigd, wat mij zo vaak was verteld door de media in Duitsland, die mij er steeds weer op hadden gewezen, dat de goede geesten van God overal wegblijven, waar het de deelnemers van spiritistische bijeenkomsten meer om aardse doeleinden gaat dan om een innerlijk stijgen op de weg naar God. Waar materiële belangen overheersen, daar verschijnt de lagere geestenwereld ten tonele. Elke controle van de geesten ontbreekt hier. Zulke bijeenkomsten zijn dan de speelplaats van die geesten, die zich in de lagere sferen bevinden zonder daardoor bepaald tot de boze geesten te behoren. Meestal zijn het gestorven familieleden, vrienden en bekenden van de deelnemers aan de bijeenkomsten, die aan ‘gene zijde’ zelf nog niet ver vooruit zijn gekomen, en wie daardoor de aardse aangelegenheden van de als mens achtergeblevenen nader aan het hart liggen dan hun eigen geestelijke vooruitgang. Zulke bijeenkomsten zijn dan geen godsdienstoefeningen meer, maar eerder informatiebureaus voor zuiver aardse vragen en dergelijke, en benaderen op zeer bedenkelijke wijze dat, wat zich bij de heidense afgoden- diensten afspeelde. Want de aantrekkingskracht daarvan bestond juist daarin, dat de mensen door de daarbij optredende media op inlichtingen hoopten over hun aardse welzijn en aardse toekomst.
Iets geestelijk hoogs of verhevens vond ik in deze kerken niet, hoezeer ik ook daarnaar verlangde. Meestal was dat, wat ik er meemaakte, van dien aard, dat dit het spiritisme eerder schaadde dan van nut kon zijn. Ik kreeg ook de indruk, dat de bezoekers eigenlijk alleen om de boodschappen, die zij over hun aardse aangelegenheden hoopten te ontvangen, aan deze bijeenkomsten deelnamen. Ook schijnt de geldkwestie bij de leiders van deze kerken geen onbelangrijke rol te spelen. Er wordt een vaste entreeprijs geheven, die zelden minder dan een halve dollar bedraagt, zodat de onbemiddelden er niet heen kunnen gaan.
Dit alles bevestigde mij de waarheid van wat mij in Duitsland over het hedendaagse spiritisme zo nadrukkelijk was gezegd, zelfs wanneer het uiterlijk in religieuze vorm wordt beoefend. Ik kwam tot de overtuiging, dat dit soort spiritisme de mensheid niet veel nader tot God zou brengen. Het is niet het spiritisme van de eerste christenen.
Toch moest ik in Amerika ook het hoge geestenverkeer leren kennen en daarin een bevestiging ontvangen van hetgeen vroeger door mij zelf was ondervonden.
Tijdens mijn verblijf in New York woonde ik bij een Duitse familie, Niemann genaamd, op 148-18th Street East. – Ik geef de naam en het juiste adres, omdat deze familie een leidende rol speelt bij de volgende belevenissen, en mij toegestaan heeft, haar naam te noemen. Opzettelijk doe ik dit anders nergens in dit boek, opdat niemand tengevolge daarvan door onwelwillende medemensen onaangenaamheden zal ondervinden.
Met de heer Niemann had ik nooit over spiritisme gesproken; alleen had ik hem iets verteld van mijn ervaringen in de spiritistische kerken van New York. Hij zelf behoorde niet tot een religieuze gemeente. Het geloof in God scheen bij hem uitgedoofd. De gebeurtenissen gedurende de spiritistische bijeenkomsten, waarvan ik hem had verteld, hield hij voor zwendel en geldmakerij.
Toch besloot hij uit nieuwsgierigheid op een avond met mij mee te gaan naar zo’n kerk. Zoals ieder van de aanwezigen ontving ook hij een boodschap. Wat hem daar werd gezegd, was op elk punt juist, ofschoon het medium hem voor de eerste maal zag en vanzelfsprekend niet wist, wie hij was. Daarbij werd hem ook meegedeeld, dat hij zelf sterk mediamiek was, en werd hem aangeraden zijn gave verder te ontwikkelen.
Naar huis teruggekeerd vroeg hij mij, wat de helderziende had bedoeld met de ontwikkeling van zijn mediamieke aanleg. Ik verklaarde hem toen de feiten en bood aan, met hem en zijn vrouw samen eens per week een korte godsdienstoefening te houden. Daarmee was ook mij opnieuw de gelegenheid gegeven dat, wat ik in Duitsland had ondervonden, op zijn waarheid te toetsen, waaraan ik overigens op generlei wijze meer twijfelde.

Ik hield de diensten op dezelfde wijze, als ik dat vroeger in mijn parochie had gedaan in de kleine kring, waarover ik reeds heb gesproken. Hier nu aan de overkant van de oceaan, in een familie, die het godsgeloof had prijsgegeven, maar die eerlijk was en van goede wille om de waarheid te erkennen, zag ik allereerst de ontwikkeling van de media op dezelfde wijze geschieden als in mijn vroegere omgeving. Het waren dus dezelfde wetten, hier en ginds, volgens welke de media werden ontwikkeld.
Reeds de eerste avond begon de heer Niemann met mediamiek schrijven, waarbij hij wel wist, dat hij schreef, maar niet wat hij schreef. De verschillende hoofdstukken van wat hij schreef toonden verschillende handschriften en waren ook door verschillende namen van gestorven familieleden en vrienden ondertekend, die de heer Niemann zich pas weer herinnerde, toen hij hun namen in zijn geschrift van die avond vóór zich zag. Zij deelden hem mede, dat hij met wat hij nu deed, op de juiste weg was en daarop moest voortgaan. Zij zelf zouden heel blij zijn geweest, als men hun, gedurende hun aardse leven deze weg tot God zou hebben gewezen. Er is één ‘gene zijde’ en één God ; en op Hem kon hij vertrouwen.
De heer Niemann was sprakeloos, toen hij uit zijn ‘trance’ kwam en las, wat met zijn hand in verschillende handschriften was geschreven.
Later hield hij, in mijn afwezigheid, de diensten met zijn vrouw alleen. Hij schreef weer, zoals de eerste keer, waarover zijn vrouw erg verwonderd was, want zij was er heimelijk van overtuigd, dat ik haar man had gehypnotiseerd en hem door gedachtenoverdracht had ingegeven, wat hij had neergeschreven. Nu had zij het bewijs, dat haar vermoeden onjuist was, want het mediamieke schrijven vond op dezelfde wijze plaats, nu ik er niet bij was. Bovendien moest zij reeds bij de eerste maal bekennen, dat de namen van de gestorvenen, die onder het eerste geschreven schrift stonden, mij niet bekend konden zijn, en dat ik dus ook niet in staat was geweest, deze op de schrijvende over te dragen. Zij ontving echter in dezelfde zitting een nòg overtuigender bewijs. Plotseling werd zij namelijk zelf door een onzichtbare macht gedwongen het potlood te grijpen en te schrijven, terwijl de tranen haar over de wangen rolden. In tegenstelling met haar man wist zij, wat zij schreef. Het was bij haar hetzelfde als wat ik bij de jongen in mijn parochie had ondervonden. Evenals bij hem, werden ook bij mevr. Niemann de gedachten, die zij neerschreef, met alle kracht ingegeven. Zij was dus een ‘inspiratie- medium’ net als die jongen. Ook zij was niet in staat, na het schrijven nog eens te herhalen, wat haar was ingegeven.
De ontwikkeling van deze beide media ging van week tot week verder. De heer Niemann bleef nog een korte tijd schrijven, toen echter begon zijn ontwikkeling als sprekend medium met al de uiterlijke verschijnselen, die ik bij het sprekende medium in mijn vroegere parochie had ondervonden. De geest, die door hem sprak, kwam steeds met de groet: `De vrede Gods zij met u.’- Of als hij bijzondere lessen wilde geven, met de groet ‘God’s woord zij met u!’
Een bevestiging van de waarheid van wat ons door deze geest werd medegedeeld, ontvingen wij op zekere dag op een ons allen schokkende wijze. Ik had in Duitsland een zeer goede vriend. Hij was een eenvoudige man uit het volk en woonde buiten in een klein dorp. Vóór mijn reis naar Amerika had ik nog persoonlijk afscheid van hem genomen.
Op de 20ste juli 1930, tijdens een van onze bijeenkomsten, zei de door de heer Niemann sprekende geest, dat mijn vriend in Duitsland ernstig ziek was en spoedig zou sterven. De boodschap luidde woordelijk: `Je vriend H.S. is ernstig ziek. Hij lijdt aan een slepende ziekte. Je zult hem op aarde niet meer terug zien.’ Toen ik erg schrok van deze woorden en tranen in mijn ogen opwelden, troostte hij mij met de woorden: `Je vriend is een edel mens. Bij ons is hij in goede handen. Als je hem nog wilt schrijven, doe dat dan dadelijk, dan zal hij je brief nog tijdens zijn leven ontvangen.’ – Daarop scheen hij zich nog eenmaal te willen vergewissen, of mijn brief nog op de juiste tijd zou aankomen, waarbij hij zijn hoofd opzij wendde, alsof hij met iemand sprak en zich op de hoogte wilde stellen. Daarna keerde hij zich weer tot mij met de woorden: `Ja, de brief komt nog juist op tijd, maar wacht er niet langer mee.’
De volgende dag schreef ik een brief aan mijn vriend ‘en sloot er als een soort van afscheid mijn portret bij in. Natuurlijk schreef ik niets van wat mij was voorspeld over zijn aanstaande overlijden. Ik sprak integendeel mijn vreugde erover uit, hem spoedig weer te zien, en verzocht hem, mij bij mijn thuisreis in Bremen af te halen.
Op 20 augustus 1930 ontving ik een brief uit Duitsland van mijn zuster, die vlak bij mijn vriend woonde, gedateerd 11 augustus 1930, en die met de volgende woorden aanving: ‘Helaas moet ik je mededelen, dat je vriend H.S. is gestorven. Zoals ik vernam heeft hij maandag nog een brief van je ontvangen met je portret. Zo kon hij je nog eenmaal zien en je vaarwel zeggen. Hij moet erg hebben geweend, want je had hem gevraagd, je bij je terugkomst in Bremen af te halen. Nu is hij reeds in de eeuwigheid.’
Op de dag waarop ik de brief van mijn zuster ontving, hadden wij in onze kleine kring een dienst. Sinds die avond, waarop de spoedige dood van mijn vriend mij was aangekondigd, had de zich door de heer Niemann openbarende geest niet meer gesproken. Deze avond trad hij weer in het medium en zei de volgende woorden, die door mevr. Niemann woordelijk stenografisch werden opgenomen: ‘God’s woord zij met u! Amen ! – Dat ik thans door hem spreek, is slechts een uitzondering, en wel om aan uw verzoek te voldoen. (Ik had namelijk die dag gebeden, dat God mij enige woorden van troost zou doen zenden.) Er is je leed overkomen, dat je als mens zeer zwaar opvat. Maar treur niet! Hem (de gestorven vriend) gaat het veel, veel beter. En als beloning: hij staat aan je rechter zijde, naar je toegekeerd, je vriendelijk toelachend en met zijn rechter hand over je hoofd strelend. Hij laat je hartelijk groeten. Je moet het niet zo zwaar opnemen. Later zul je wellicht van hem horen.’ (Hij bedoelde daarmee, dat de gestorvene zelf later misschien door het medium met mij zou spreken, maar nu nog niet.) – ‘Zijn laatste strijd was niet zo zwaar. Hij zou je gaarne nog eenmaal zien en spreken. Het eerste kan hij nu doen (namelijk het zien) ; het tweede (namelijk het spreken) nog niet. – Hij stierf in gebed tot God. – O gij arme mensenkinderen ! Het is hier zo zwaar voor u. Maar blijft trouw! Wankelt niet en struikelt niet, dan blijft de beloning niet uit. En velen, wie het hier beneden niet zo goed ging als vele anderen, staan daarboven veel hoger dan zij, die op aarde heersers waren. De `stof maakt niet gelukkig. (Onder stof verstaat de geest geld. Het woord ‘geld’ spreekt hij niet uit, maar hij duidt het aan met ‘stof’). – Neem het dus niet zo zwaar op! Ach, als je hem toch eens kon zien! Dat hij zeer hoog is, kun je daaraan merken, dat hij hier is. Hij moet nog enige loutering doormaken; dan is hij in de elfde sfeer. Hij slaat de tiende over. Hij behoort tot de weinige mensen, die ware kinderen Gods zijn en waren.’ Daarna, sprekende door het medium, dat met opgeheven handen stond, sprak hij een gebed uit: ‘Hemelse Vader, zij ons genadig! Neig uw aangezicht tot ons! Geef troost aan hem, die hier zit in smart en treurt om zijn verloren vriend. Geef hem vrede en opgewektheid, opdat hij zijn smart moge overwinnen. Laat hem, die is heengegaan, die een voorbeeld was onder de mensen, tot U komen in Uw genade. Neem hem op in Uw kring, opdat hij zich snel ontwikkelt en genade en zegen brengt aan de mensheid. Vader, degene die gij hebt uitverkoren, komt tot U. Laat hem dan het werk volbrengen, waarvoor hij is uitverkoren. Zij genadig, Vader, en zegen hen beiden! Amen!’
In de hierop volgende diensten schreef mevr. Niemann onder geestelijke invloed van mijn gestorven vriend dingen, waarvan zij, menselijker wijze gesproken, niets kon weten. Zo werd o.a.verwezen naar een wandeling, die ik met mijn gestorven vriend jaren geleden door een klein Hunsrückdal had gemaakt, waarbij wij hadden gesproken over God en over de grote vragen van ‘gene zijde’. Ik zelf werd hieraan pas weer herinnerd, toen ik hierover in het mediamieke geschrift van mevr. Niemann las. Het dal was daarin genoemd met de juiste naam, die slechts de mensen kennen, die in de omgeving ervan wonen.
Ook in de jaren, waarin mijn vriend nog leefde, kreeg ik van hem zulke overtuigende bewijzen van de waarheid van wat mij door het verkeer met de geestenwereld was medegedeeld, dat deze alleen reeds voldoende waren geweest om mij te overtuigen. Toen ik namelijk als gevolg van mijn geestelijke ervaringen mijn religieuse overtuiging van de grond af moest veranderen, dacht ik er met diepe smart aan, dat ik door mijn veranderd religieus standpunt ook deze trouwe vriend zou verliezen. Toen ik op een bijeenkomst in Duitsland mijn vrees uitsprak tot de geest, die daar doorkwam, ontving ik het antwoord : `Je vrees, de vriend te verliezen is ongegrond, want wij zelf zullen hem inlichten, zonder dat je hem opheldering behoeft te geven.’
Kort daarop, zocht hij mij op en vertelde mij van de merkwaardige visioenen, die hij had gehad. Er waren hem daarin een aantal fundamentele waarheden getoond, die met zijn katholieke geloofsbelijdenis in tegenspraak waren. Vooral door een visioen op een kerkhof, waaruit bleek, dat er ook voor de verdoemden eenmaal een amnestie en een terugkeer tot God mogelijk was. Verder had hij nog een visioen gehad over het verschillende lot van de geesten van de gestorvenen. Hij ontving daarbij het overeenkomstige onderricht. Ook werd hem de opdracht getoond, die ik persoonlijk in mijn leven had te vervullen. Deze belevenissen, waarover men een apart boek zou kunnen schrijven werkten zo overtuigend op hem, dat ik kon volstaan met hem eenvoudig de juistheid van zijn visioenen te bevestigen.
7. Egyptische graven.
Er was een boodschap, waarvan ik de volle betekenis zelfs nu nog niet kan omvatten, en ofschoon deze nog niet in vervulling is gegaan, wil ik er niet het stilzwijgen over bewaren.
Het betreft hier de ontdekking van twee Egyptische koningsgraven uit de tijd van 5000 jaar vóór Christus. Ik twijfel er geen ogenblik aan, dat de daarover gedane mededelingen juist zijn en dat de graven later zullen worden gevonden en alles zullen bevatten, wat mij door vier verschillende media is medegedeeld.
Laat mij allereest vertellen, op welke merkwaardige wijze ik van deze graven kennis nam.
Het was 1 februari 1924. Ik zat na sluiting van het bureau op mijn privékantoor in het gebouw van de liefdadigheidsvereniging, toen twee jonge mannen van ongeveer 20 en 28 jaar bij mij kwamen met de mededeling, dat zij naar mij waren toegezonden om mij een dienst te bewijzen. Nauwelijks hadden zij die woorden uitgesproken, of beiden vielen tot mijn grote verrassing gelijktijdig in volle trance. De geesten,’ die door hen spraken, vroegen mij om papier en potlood. Ik gaf hun het gewenste. Zij gingen voor een tafel zitten en begonnen te tekenen. Toen zij na een poos ophielden zag ik, dat ieder van hen aan een tekening van een Egyptisch koningsgraf bezig was, en dat de tekeningen van oude, voor mij onbegrijpelijke opschriften waren voorzien. Zij zeiden, dat zij later zouden terugkomen om met de tekeningen verder te gaan.
Ik vroeg hen wie zij waren. Slechts een van hen kon Duits verstaan en gaf mij ook in het Duits antwoord. De tweede sprak een taal, die mij onbekend was en die de eerste voor mij in het duits vertaalde. Hij deelde het volgende mede:
‘Wij beiden, die door deze werktuigen spreken en schrijven, waren Egyptische vorsten. Onze namen zijn Arras en Isaris. Ik – Arras – was vorst van de boven-Nijl en mijn vriend Isaris was vorst van de beneden-Nijl. Wij behandelden onze onderdanen goed. Wij kastijdden onze slaven niet, en lieten ons volk hun vrije wil behouden. Het was een rijk volk en uitgesproken armen waren er in onze landen niet. Driemaal per jaar werd er geoogst, zodat wij in overvloed konden leven. Overal was er overvloed. Het volk had alles, wat het begeerde. Het hield de prachtigste feesten, legde grote praal aan de dag, dacht niet aan de dag van morgen, God de Almachtige, vergetend. Het at de vruchten en het graan, die God uit de bodem liet groeien. Het dronk het zuiverste water, dat uit geen zuiverder bron kon vloeien. Het dronk de heerlijkste wijn, die er was, zonder erbij te denken, wie dat alles had geschapen. Hun leefwijze en hun feesten werden steeds bandelozer. En het volk was niet meer tevreden met de gewoonten uit oude tijden, maar maakte goden uit goud en edelstenen. Het aanbad deze gemaakte afgoden en vereerde hen. Ja, er waren er onder hen, die zich terwille van het volk voor deze afgodsbeelden lieten vermoorden.’
‘Wij zagen dit alles rustig aan en stonden het volk toe dit alles te doen, inplaats van, wat juist zou zijn geweest, het te verhinderen. Integendeel, om de gunst van het volk te winnen hebben wij het in zijn afgodendienst nog gesteund. Ik heb de afgod Amojo tien wagens vol gouden voorwerpen gezonden, opdat zijn afgodsbeeld afgemaakt kon worden. Daarmee wilde ik bij het volk in aanzien stijgen. Ook Isaris heeft tien wagens met gouden voorwerpen voor de afgod Lachitju gegeven, opdat ook hij meer in achting van het volk zou stijgen. Wij gingen aan het hoofd van het volk mee ter inwijding van de afgodsbeelden en stelden onze troepen op ter bescherming van deze godheden, inplaats van ze te vernietigen. Vóór het afgodsbeeld stond een gouden schaal, waarin zich het bloed van een pasgeboren kind bevond. Dit bloed mocht niet opdrogen. Er moest steeds voor nieuw bloed worden gezorgd, opdat het niet zou verdrogen. Want als het verdroogd was, werd de daarvoor verantwoordelijke priester door de hogepriester vóór het beeld van de afgod met het zwaard terechtgesteld.
`De toestand werd steeds dwazer, maar toen kwam God’s straf. Die was ontzettend, maar rechtvaardig. Hij liet de bronnen opdrogen, Hij zond een hitte, zodat deze alles vernielde. Alles verdorde. En toch wilde het volk niet tot Hem bidden. Als het toen God’s almacht had erkend, dan zou God hen niet zo streng hebben gestraft. Maar er was niemand, die tot Hem bad. Toen zond God de wraak: de volkomen vernietiging van het afvallige volk, dat Hem niet als Schepper wilde erkennen. Het had tot erkenning van de ware God kunnen komen, want er waren sterrekundigen en wijze mannen, die de waarheid verkondigden, het volk op God’s strafgericht moesten voorbereiden en dit ook hebben gedaan. Maar het volk lachte hen uit en dreef de spot met hen. Men luisterde niet naar hen, maar sloeg hen dood.’
‘Toen verduisterde de hemel. Grauwe wolken vormden zich; zwart werd de hemel. Een storm stak op. Bliksemstralen schoten neder, die de afgoden verbrijzelden, zodat men er geen spoor meer van kon vinden. Toen volgden de verschrikkingen, welke de mensen vernietigden: vuur en zwavel vielen uit de hemel en verspreidden dampen, die de lucht verpestten en de mensen verstikten. Stenen paleizen stortten in en begroeven alles onder het puin. Daarna zond God een geweldige storm en bedekte door een aardbeving alles met geelgrauw zand. Dit was God’s wraak voor de belediging; het was een daad van gerechtigheid.’
Toen de verwoesting kwam, waren wij beiden reeds gestorven.‘Ik – Arras – stierf door de dolk van een priester, die mijn vrouw begeerde. Mijn vriend Isaris, mijn boezemvriend tot mijn dood, stierf in een gevecht met Zyclov, zijn generaal, die in zijn huis woonde. Deze streefde naar macht, was onrein van hart, probeerde de troon van zijn heer te ondermijnen, kwam tegen hem in opstand en sloeg hem neer.’
‘Onze steden en onze graven zijn bedolven en nog niet teruggevonden. Wij leefden 5000 jaar vóór Christus’ geboorte. Het gehele Egyptische rijk had vele vorsten, onder een heerser, die u ‘keizer’ zou noemen. Het waren bonds- vorsten. Wij beiden behoorden daar ook toe. Alleen Isaris was daarbij nog zaakwaarnemer van het gehele rijk; U zou zeggen ‘rijkskanselier’. De hoofdstad van het rijk was Memphis. De eerste families, de priesters en legeraanvoerders plachten de koning of de vorst steeds uit dezelfde families te kiezen.’
Op mijn vraag, welke andere volkeren toen ook nog bestonden antwoordde hij:
‘Op het schiereiland Arabië woonden nomadenstammen. Er bestond een groot rijk aan de Euphraat. Dit rijk lag aan de monding van de Euphraat en rijkte tot aan de Ganges. Dan was er nog een rijk, waar later de Moren woonden. Sporen van dit rijk zijn nog op de oude kaarten te vinden.’
Toen de media weer tot zichzelf kwamen, waren zij verwonderd over de door hen gemaakte tekeningen en begrepen zij niet, wat dit alles te beduiden had.
In drie maanden tijds kwamen deze jonge mannen zeven maal terug. Van te voren wist ik nooit, wanneer zij zouden komen.
Op een morgen, toen ik op het punt stond uit mijn gemeente naar het liefdadigheidsbureau in de stad te gaan, kwam de boerenjongen, het sprekend medium, naar de pastorie en zei, dat hij de opdracht had gekregen met mij mee naar de stad te gaan. Waarom hij mee zou gaan, wist hij niet. Ik nam hem dus mee, omdat ik uit ervaring wist, dat het steeds om iets belangrijks ging, als de jongen zulke opdrachten ontving.
Op diezelfde dag versehenen de beide media weer voor de Egyptische tekeningen. Tegelijk met hen viel ook mijn boerenjongen in trance en zat hij er lange tijd zwijgend bij, toen de beide anderen met hun tekeningen verder gingen. Plotseling stond het medium uit mijn gemeente op, ging naar het ene tekenende medium toe en sprak met hem in een vreemde taal. Hij scheen hem iets op de tekening te verklaren. Toen wendde hij zich tot mij en vroeg mij om een stukje vlakgom. Toen ik hem dit gaf, ging hij weer naar het andere medium. Ik ging zelf ook bij hem staan en zag, dat het (medium) de Nijl had getekend. Hij nam het vlakgom uit de hand van de jongen, vlakte iets uit aan de loop van de Nijl en tekende het anders. Ik vroeg aan het in trance zijnde medium uit mijn gemeente, of hij mij mocht vertellen wat dit alles te beduiden had. De door hem sprekende geest gaf mij ten antwoord, dat hij vandaag het toezicht over de beide tekenende media had. Want, er werd hier de meest belangrijke tekening gemaakt voor het opsporen van de koningsgraven, namelijk de loop van de Nijl. De geest van één van de beide vroegere vorsten had door het ene medium de loop van de Nijl getekend, zoals deze vroeger was geweest. Op dit ogenblik echter was deze door verzanding op enige plaatsen veranderd. En er moesten juist vanuit een van die plaatsen metingen van de afstand worden genomen om de koningsgraven te vinden. Daarom had hij die morgen de jongen beïnvloed, met mij mee naar de stad te gaan.
Toen de laatste tekening was voltooid, kreeg ik de opdracht alle tekeningen af te drukken en een afdruk verzegeld op een mij aangegeven plaats te deponeren. Daarna werd mij een oorkonde door een van de Egyptische vorsten gedicteerd, die ik moest ondertekenen. Deze luidde:

`In het jaar 1924 kreeg ik een mededeling over het bestaan van twee geesten, die vroeger eenmaal vorsten waren, genaamd Arras en Isaris. – Van deze geesten ontving ik verscheidene tekeningen en dictaten. Deze bevatten gegevens over het lot van de beide vorsten en hun leven. Mij werd opgedragen, naar het land van deze beide vorsten te gaan, hun graven te openen en de overblijfselen der bedolven plaatsen bloot te leggen. Deze gegevens verzamelde ik in de periode van 1 februari tot 1 mei 1924.’ Isaris verklaarde in opdracht van Arras en zichzelf: `Wij beiden hebben u medegedeeld, wat ons werd opgedragen om u te zeggen, opdat u onze graven zult vinden. De uitvoering daarvan ligt in uw hand. Naar ziel en geest hebt u tot nu toe voor ons gewerkt. Wij danken u daarvoor. Wij verzoeken u, dit ook voort te zetten en nemen op deze dag afscheid van u. Wij zullen nog slechts eenmaal terugkomen. Dat zal zijn op de dag, waarop het medegedeelde in vervulling is gegaan en door u als feitelijk, historisch gebeuren niet slechts wordt geloofd, maar ook wordt erkend.
‘Bidt voor ons! En – God groete u!’
‘Wanneer u vóór onze graven staat en de resten vindt, dan zijn wij daar ook. Hier is onze taak vervuld. – God groete u – tot weerziens, als wij weer met u kunnen spreken.’
Deze oorkonde ondertekende ik en ik voegde hem bij de andere Egyptische akten.
Bij deze gelegenheid stelde ik nog vele vragen, die op deze kwestie betrekking hadden. Als antwoord daarop ontving ik de volgende mededeling:
‘Ik kan je zeggen, dat alles is opgetekend, wat betrekking heeft op de plaatselijke toestand, waar de graven liggen. De juiste aanwijzing kunnen wij u alleen ter plaatse geven. Er is nu slechts een vraag : De uitvoering van de opdracht. U hebt de graven slechts te zoeken, en u vindt ze. U vindt daarin verschillende voorwerpen uit die kultuur. Zij zijn al meermalen gevonden en zijn op zichzelf niet zo heel belangrijk. Maar wel belangrijk is de ‘Oproep aan het Volk’ en de ‘Rol’, waarin de wetten der `Witte magie’ omtrent het geestenverkeer zijn vervat, en ook de geneeswijzen, waarop men zieken kan genezen.
Verder zijn er aanwijzingen voor het verkrijgen van verschillende voortbrengselen uit planten, zouten en dergelijke stoffen, waarmee men verschillende dingen kan conserveren, en ook hoe men uit planten zeer duurzame stoffen kan vervaardigen. Geld en goud liggen er ook, waarmee u al uw uitgaven kunt dekken, en nog meer.’
`U zult niet het lot ondergaan van zovelen, die tot nu toe zulke graven openden en daarna werden gedood. Want op elk graf staat geschreven `Wie de hand hieraan slaan; of de aansporing daartoe geven, zullen te gronde gaan.’ U gaat uit naam van God en voert het werk uit in onze naam met God’s hulp. Dan zal u niets overkomen !’
`U vraagt mij naar schrifttekens op de tekeningen. Deze zijn verschillend in soort. Want men schreef niet overal op dezelfde wijze. Het is het handschrift, zoals wij het indertijd hebben geschreven. U kunt het niet lezen, noch schrijven. Ik zou u de letters kunnen dicteren, maar u zoudt er niets mee kunnen uitrichten. Want elke letter betekent zowel een woord, alsook een teken. Op onze graven, op ons paleis, op de stenen, op de zuilen, op de wanden, overal staat hetzelfde schrift. De geleerden kunnen hun hoofd hierover breken, het schrift zullen zij niet kunnen ontcijferen. Misschien zal de een of de ander zeggen, dat het schrift, dat hij bij u ziet, vermoedelijk uit Egypte stamt, omdat hij enkele tekens herkent. Maar de meesten zullen zeggen, dat u uw verstand hebt verloren en zij zullen u bij het zoeken hinderen.’
`De groot-koning, onder wie wij bondsvorsten waren, heette ‘AM-EL’. Hij stierf na ons; zijn graf is nog niet gevonden.’
`Er zijn in geheel Egypte ongeveer 10.000 graven van koningen, vorsten en voorname personen. De andere graven tel ik niet. U kunt er zeker van zijn, dat nog niet alle zijn ontdekt.’
Later vroeg ik op de bijeenkomsten met de media uit mijn gemeente naar deze Egyptische onthulling. Ik wilde weten, wanneer de graven zouden worden ontdekt. Ik kreeg ten antwoord: ‘Dat zal te zijner tijd geheuren. Er zullen gebeurtenissen in de wereld plaats vinden, waardoor de tijd rijp wordt voor deze zaak. Thans is dit nog onmogelijk en het zou om redenen, die u niet begrijpt, het leven van veel mensen kosten. Welke grote bedoelingen God daarmee heeft, kunt u zelfs niet vermoeden !’
Deze Egyptische kwestie heb ik daarom zó uitvoerig aan de hand der akten meegedeeld, opdat op het ogenblik der vervulling ook hierdoor het bewijs wordt geleverd, dat alle bijzonderheden juist zo werden geopenbaard.
Ik persoonlijk heb het gevoel, dat de ontdekking van de hier beschreven graven voor de hedendaagse wetenschap een overtuigend bewijs zal leveren voor de waarheid van wat in dit boek wordt beschreven. Want zulke bewijzen kan ook zelfs de meest vijandige tegen het hiernamaals gekante wetenschap niet meer opzij schuiven, doch zij zal ze als volwaardig moeten erkennen. – Maar dit is mijn eigen persoonlijke opvatting. Iets naders omtrent de betekenis van de vondsten van de Egyptische graven is mij niet meegedeeld. De juistheid van deze Egyptische zaak werd mij ook door het medium uit de stad bevestigd. Hij voegde er nog aan toe, dat de vorst, die zich ‘Arras’ noemde, ook de naam Hario had gedragen.
Als men alle door mij tot nu toe vermelde ervaringen, die slechts een zeer gering deel uitmaken van het op dit gebied door mij beleefde, rustig overdenkt, dan is het een ieder duidelijk, dat men met de gebruikelijke ‘natuurlijke’ verklaringspogingen geen stap verder komt. Geen ‘suggestie’, geen ‘gedachtenoverdracht’, geen ‘onderbewustzijn’ kunnen de oorzaken van zulke verschijnselen zijn. Noch de media in hun menselijke hoedanigheid, noch andere mensen wisten van deze dingen af.
Wat nooit in het bewustzijn van een mens leefde, kan bij hem ook nooit tot het onderbewuste worden, en gedachten, die ik zelf niet heb, kan ik ook nooit op een ander overdragen.
De woorden ‘suggestie, onderbewustzijn, gedachten-overdracht’, zijn op dit gebied in de meeste gevallen juist slechts woorden, waarmede men heel veel geleerds meent uit te drukken, en die inderdaad op hen indruk maken, die nooit plegen na te denken. Maar in werkelijkheid zijn het woorden zonder bruikbare begrippen. ‘Waar de begrippen ontbreken, volgt op het juiste ogenblik een oplossing.’
Wat de gedachten-overdracht betreft heb ik vaak met alle kracht getracht, mijn gedachten op de media over te dragen zowel vóór als tijdens hun trance-toestand. Maar in geen enkel geval bevatten hun daaropvolgende mededelingen ook maar een enkel woord van wat ik aan gedachten op hen trachtte over te brengen.
Ook anderen heb ik bewogen met mij samen een bepaalde gedachte, die wij vooraf hadden afgesproken, aan het medium te suggereren. Maar al deze pogingen bleven zonder de geringste uitwerking.
Wat mij door ongeschoolde en wetenschappelijk geheel onervaren media is medegedeeld, gaat alle menselijke begrippen betreffende deze dingen te boven.
Hier is slechts één verklaring, die ons denken bevredigt, en wel: Er zijn bovenaardse, geestelijke wezens, die zich van deze media als werktuigen bedienen om ons van het bestaan van een God, een ‘gene zijde’ en een geestenwereld te overtuigen en ons op de weg naar God te brengen.
De in de volgende hoofdstukken gegeven mededelingen over de `wetten van het geestenverkeer’ en `de grote vraagstukken van de aarde en het hiernamaals’ zullen verdere bewijzen daarvoor in overvloed leveren.