De weg tot de waarheid heb ik gekozen, uw geboden mij voor ogen gehouden (Ps.119,80).

Na een tamelijk slapeloze nacht trachtte ik me de volgende dag door ingespannen arbeid op het kantoor van de liefdadigheidsvereniging van alle kwellende gedachten los te maken.
Even vóór half acht was ik weer in het huis, waar de vorige avond de bijeenkomst had plaatsgevonden. Tot mijn grote verrassing was ook de jongen reeds aanwezig. Hij vertelde mij, dat zijn baas ’s middags om vier uur met de boodschap was gekomen, dat hij van plan was veranderd en dat het werk, dat die avond door overwerk zou worden afgemaakt, tot de volgende morgen was uitgesteld.
Ik was met de jongen alleen. Toen de klok half acht sloeg viel hij op dezelfde manier, zoals de vorige dag, in die voor mij onverklaarbare toestand, groette weer met de groet ‘God zij met u’, gaf mij de hand en zei : Ik ben blij, dat je hier gebleven bent, want ik heb je veel te zeggen. Allereerst moet ik echter nog het laatste punt van mijn voordracht van gisteravond beëindigen. Ik heb je toch gezegd, dat ik daarover slechts wilde spreken als wij beiden samen waren.’
En nu schetste hij een beeld van de levenswandel van een groot deel van de geestelijkheid. Diep geschokt en pijnlijk getroffen luisterde ik.
Daarna echter zei hij met grote vriendelijkheid tot mij : Spreek nu eens geheel open en vertrouwelijk tegen mij, want ik weet, dat je sinds gisteren innerlijk geheel ondersteboven bent, en je diep ongelukkig voelt.’
Innerlijk bewogen antwoordde ik met bevende stem: `Je hebt gelijk, mijn gedachten warrelen dooreen. Ik weet niet, wat ik van dit alles moet denken. Wees zo goed en onderricht mij over alles, maar zeg mij vóór alles, wie je bent, en hoe het mogelijk is, dat je door deze jongen spreekt.’
`Je hebt gelijk, dat je mij allereerst vraagt, wie ik ben, want het is je plicht om vóór alles de geesten, die tot je spreken, te beproeven of zij door God gezonden zijn, opdat je niet het slachtoffer wordt van boze geesten, die je lichamelijk en geestelijk te gronde richten, je niet de waarheid vertellen, maar leugens, en daardoor je levensweg naar de afgrond voeren. – Ik zweer je bij God, dat ik een goede geest van God ben en wel een van de hoogsten. Behoud mijn naam voor jezelf!’
Toen noemde hij mij zijn naam.
    ‘Ik ben het, die je hierheen heb geleid. In opdracht van God wil ik je onderwijzen en jij onderwijst dan weer je medemensen!’
Ik wist niet, hoe ik mij voelde en wat mij overkwam.
`Nu wil ik beginnen’ – vervolgde hij – `je te onderrichten over wat hier gebeurt. Je denkt, dat wat je hier waarneemt, iets geheel nieuws en vreemds is. Het is net zo oud als de mensheid. Vanaf de dagen der eerste mensen tot heden is de geestenwereld met de mensen in verbinding getreden; de goede geestenwereld en zeker ook de boze. Je hebt toch in de oude oorkonden, die je het Oude Testament noemt, vaak genoeg gelezen, dat God tot de mensen heeft gesproken. God sprak tot Adam, tot Kain, tot Abraham, Isaäk en Jacob, tot Mozes en vele anderen. Hoe denk je, dat hij dit deed? God is toch een geest. Een geest heeft echter geen stoffelijke mond en stoffelijke stembanden, waardoor hij op de wijze van de mensen zou kunnen spreken. Hoe sprak God dàn tot deze mensen?’
‘Ik weet het niet’, – antwoordde ik kort.
`En hoe verklaar je het verschijnen van de drie mannen aan Abraham? Deze wist, dat het geen mensen, maar boden van God waren. Toch gaf hij hun voedsel en sprak met hen over de vernietiging van de steden Sodom en Gomorrha. Hoe verklaar je deze gebeurtenissen?’
Ik kon niets antwoorden. Dat alles had ik wel honderdmaal gelezen en aan de kinderen op school onderwezen. Maar hoe het in de bijbel vermelde verkeer van de geesten met de mensen tot stand kwam en geschiedde daarover had ik nog nooit iets gehoord, en ik had mij er zelfs ook geen rekenschap van gegeven.
Hij ging verder met mij een examen over deze dingen af te nemen, maar op niets kon ik hem een goed antwoord geven.
`Je weet, dat jullie mensen verschillende middelen hebt om aan hen, die van jullie verwijderd zijn, iets mede te delen. Je schrijft hun brieven, telefoneert of telegrafeert hun, en tegenwoordig gebruikt men zelfs de ethergolven van de radio. -Zo heeft de door de materie van jullie gescheiden geestenwereld ook verschillende middelen om met jullie op een voor jullie waarneembare wijze in verbinding te treden.’
‘Maar jullie hedendaagse mensen denken over deze dingen niet na. Je leest dat alles, maar laat het daarbij.’
‘Neem de geweldige geschiedenis van Mozes! Daar vind je, dat de ‘engel des Heren’ uit het brandende braambos spreekt; dat God dag aan dag Mozes aanwijzingen geeft, hoe hij moet handelen; dat de ‘engel des Heren’ vóór het volk Israel uittrekt in een wolkenzuil en daaruit spreekt; dat Mozes God om leiding vraagt zo vaak hij wil en dat God hem antwoordt.’
‘Maar ook het volk kon aan God vragen. Het gebeurde in de vóór het kamp gelegen openbaringstent (tabernakel), waarin Jozua, de dienaar van Mozes, steeds aanwezig moest zijn, en die hij om die reden niet mocht verlaten. – Denk er nu eens over na, waarom de jonge Jozua steeds in de tent moest blijven! Hield dat soms verband met het vragen aan God?’
Daar schoot als een bliksemflits het antwoord door mijn gedachten en ik antwoordde vlug:
‘Het was dus met Jozua net als met deze jongen hier. Zoals je het lichaam van deze jongen zelf gebruikt om met mij te spreken, zo bediende destijds de geestenwereld zich van dat van Jozua?’
`Je hebt het goed begrepen’ – zei hij.
`Nu moet je goed onthouden, dat het in zeer zeldzame gevallen God zelf was, wanneer er in de bijbel staat: ‘God sprak!’; want God spreekt in de regel door middel van zijn geestelijke boodschappers.’
‘Ook moet je niet denken, dat de geestenwereld zich steeds van een mens bedient, wanneer ze tot jullie wil spreken. Er zijn vele middelen voor de geesten om zich voor jullie verstaanbaar te maken.’
‘Zo lees je, dat God door de `wolkenzuil’ sprak. In heel veel gevallen werd het verkeer met de geesten door de gave van ‘helderziendheid’ en `helderhorendheid’ van sommige mensen tot stand gebracht. Het spreken van God met Adam en Eva en ook met velen uit latere tijden voltrok zich langs de weg van helderhorendheid.’
‘Dan was er nog een middel, waarvan de Israelieten zich vaak bedienden om God te raadplegen. Dat was het ‘borstschild’ op het kleed van de hoge priester, dat daarom ook de naam droeg van `orakelschild!’ Over het nauwkeurige verloop van deze wijze van vragen aan God zal ik je later uitvoerig onderwijzen.’
`Echter niet alleen in het Oude Testament vond dit verkeer met de geesten plaats, maar in evenzo ruime mate in het Nieuwe Testament. Alle Evangeliën en vooral de geschiedenis van de apostelen bevatten een groot aantal berichten over openbaringen door geesten. – Christus zelf heeft allen, die wilden geloven, plechtig beloofd, dat hij God’s geesten zou zenden. De gebeurtenissen tijdens de godsdienstige bijeenkomsten van de eerste christenen, waarvoor jullie nu geen verklaring meer kunt vinden, waren niets anders dan een komen en gaan van de geestenwereld. Zij sprak door een van de aanwezigen in een vreemde taal, door een ander in hun moedertaal, aan een derde gaf zij de kracht om zieken te genezen, en aan weer anderen schonk zij andere gaven, al naar gelang van hun geschiktheid als werktuig in de hand van de geestenwereld. Dat was toen iets alledaags en het werd als vanzelfsprekend beschouwd.’
`Denk niet, dat het verkeer met de geestenwereld is geëindigd in de eerste christelijke tijd, zoals de kerken willen doen geloven. Integendeel, het moet en zal in alle tijden blijven bestaan, want het is de enige weg, waardoor je de waarheid kunt vernemen.’
‘Het hangt ongetwijfeld van de mensen af, of zij met God’s geesten in verbinding komen, of niet. Ook tijdens het Oude Verbond waren er tijden, waarin het verkeer van de goede geestenwereld met de mensen nagenoeg geheel ophield. Het waren de tijden van vervreemding van God.’
‘Ook thans zijn de mensen, ondanks de vele godshuizen, die men bouwt, voor een zeer groot deel van God afgevallen en zijn ze tot het kwade afgezakt. Als de huidige mensheid God innerlijk weer zo nabijkomt, zoals in vele tijden van het Oude Verbond en in de eerste christelijke tijd, dan zullen alle zo wonderbaarlijk schijnende dingen zich weer voordoen, die over die tijden zijn vermeld, want het is dezelfde God, toen en nu. Hij heeft zijn schepselen heden even lief als toen, zonder aanzien des persoons.’
`Deze algemene lessen zijn voor heden genoeg. Over de bijzonderheden van het verkeer tussen de geesten en de mensen zul je, in de loop van de tijd nauwkeuriger worden ingelicht, wanneer je bereid bent om je te laten onderrichten en de taak op je te nemen, die je is toegedacht. Gedwongen word je niet. Je hebt je vrije wil. Je kunt het gebodene aannemen en de waarheid getuigen – of het afwijzen en je eigen weg verder gaan, zoals voorheen. Ben je bereid het aan te nemen, dan zul je zeker grote aardse offers moeten brengen. Je zult vervolging moeten lijden terwille van het recht en de waarheid. Maar de vrede zul je vinden. – Wijs je echter het aangeboden geschenk van God af, dan heb je daarvoor de verantwoording te dragen. Beslis zelf. Het een of het ander!’
`Je moet niet blindelings alles aannemen, maar je moet onderzoeken, of het de waarheid is, of dat je iets wordt wijsgemaakt met een goochelspel van de boze. Je mag niet tevreden zijn met wat je van mij hoort. Je moet ook door eigen aanschouwing op dit gebied ervaringen opdoen, onafhankelijk van wat je hier leert.’
‘Daarom zou ik je tenslotte willen vragen: zoek in je gemeenschap enige personen, die van dergelijke dingen nog niets weten. Houd met hen wekelijkse samenkomsten op een bepaald uur met gebed en verklaring van de Schrift, zoals het bij de eerste christenen gewoonte was. Zie dan goed toe op alles, wat daar zal gebeuren. Op die manier heb je de gelegenheid, het daar beleefde te vergelijken met wat je hier ziet en hoort.’
‘Daarbij moet je het zo regelen, dat je elke zondagavond om acht uur hier in deze kring bent, zodat ik met mijn onderwijs verder kan gaan !’
Ik ben gaarne bereid’ – zei ik – ’s zondags hierheen te komen, zo vaak het mij mogelijk zal zijn. Maar ik kan niet besluiten, ginds in mijn dorp uit die eenvoudige boerenmensen enige personen voor zulk een bijeenkomst uit te zoeken. Dat zou in dat kleine dorp een groot opzien baren, waarvan de gevolgen niet te overzien zijn. Bovendien zou ik ook niet weten, wie ik daarvoor zou kunnen nemen.’
`Als je er slechts toe wilt besluiten, dan zal al het andere wel terecht komen,’ – antwoordde hij op mijn tegenwerpingen. `Je behoeft het niet te doen. Alles is je eigen, vrije wil. Toch moet ik het je aanraden. – En nu wil ik eindigen.’
Zijn handen, evenals de vorige dag, zegenend opheffend, sprak hij de volgende woorden: ‘God behoede je! Hij moge je de kracht geven, zijn wil ten uitvoer te brengen! Amen. – Goedenavond!’
De jongen viel nu weer voorover en kwam na enige ogenblikken weer tot zich zelf. Van al het gebeurde wist hij niets.
Alle pogingen om van het gebeurde een natuurlijke verklaring te geven, moest ik als ontoereikend verwerpen. Ze waren niet voldoende om ook maar een gering deel van het beleefde begrijpelijk te maken.
Wat mij vooral met onweerstaanbare kracht innerlijk gevangen hield, was de rustige helderheid en de overtuigende logica van wat ik hier voor de eerste maal hoorde. Alleen de waarheid kon zo’n grote invloed uitoefenen. Ik had de kracht niet om mij eraan te onttrekken, zelfs als ik het had geprobeerd.
Zoveel van wat ik in de bijbel tot nu toe niet had begrepen, werd mij nu duidelijk.
Bovendien stond ik pas aan het begin. Een volledig onderwijs over de samenhang van alles was mij in het vooruitzicht gesteld. Ik behoefde het aangebodene slechts te aanvaarden. Nog meer! Ik mocht mij niet tevreden stellen met het hier gehoorde. Ik moest ook uit een andere, onafhankelijke bron putten om overtuigd te raken. Ik moest met eenvoudige, onervaren mensen van het platteland, die van ‘spiritisme’ geen idee hadden, een soort godsdienstoefening houden op de wijze van de eerste christenen, ver van iedere vreemde invloed – in mijn eigen parochie.
Zou ik dat werkelijk wagen? Wat zouden de mensen ervan zeggen? Ik voelde, dat de vrees voor de opinie van mijn medemensen mij te pakken nam. – Zouden mijn eigen gemeenteleden mij niet voor geestesziek houden, als ik iets dergelijks ondernam?- En wanneer de geestelijke overheid daarvan zou horen, zou het mij dan niet mijn ambt kosten? –

Een zware strijd woedde in mij. Naar welke kant moest de beslissing vallen? Want dat ik nu moest beslissen, voelde ik. Nooit in mijn leven heb ik zo innig tot God gebeden als in deze dagen. Tenslotte besloot ik, de gegeven aanwijzingen te volgen, zelfs als het tot het brengen van de grootste persoonlijke offers zou leiden, zelfs tot het verlies van mijn ambt en mijn middelen van bestaan.
Zo was dus de beslissing gevallen. Daarna werd ik innerlijk volkomen rustig en ik zag met groot vertrouwen de toekomst tegemoet.