Het spiritisme in het licht van de hedendaagse wetenschap

In de tijd, voorafgaand aan die, waarin ik de verbinding met de geesten- wereld leerde kennen, wist ik niets van de mogelijkheid van zo’n verbinding. Boeken noch tijdschriften had ik gelezen, die zich daarmee bezighielden. Ook gedurende de tijd, dat ik van mijn leiders van ‘genezijde’ de in dit boek beschreven lessen ontving, kwam ik nooit met andere spiritistische kringen in aanraking, evenmin nam ik spiritistische literatuur ter hand. Als geestelijke wijdde ik mij met mijrr gehele aandacht aan de waarheden, die mij van week tot week door de media werden medegedeeld, en die meer dan iets anders mijn godsdienstig inzicht geheel en al veranderden. Mijn studie betrof de Heilige Schrift. Ik wilde weten, of de nieuwe waarheden, die mijn vroegere geloof omverwierpen, met de leer van de bijbel overeenstemden. De Heilige Schrift gold voor mij als proefsteen. Ook de geestenwereld maande mij voortdurend aan om de nieuwe leer met de bijbel te vergelijken. In de godsdienstige bijeenkomsten nam de zich openbarende geest eveneens steeds de bijbel op en verklaarde de inhoud.
Toen ik echter na een zekere tijd het nieuwe beeld van de waarheid in mij had opgenomen en het tot mijn vaste overtuiging was geworden, werd mij gevraagd, de spiritistische verschijnselen van de tegenwoordige tijd te leren kennen. Daardoor zou ik in de gelegenheid komen, die verschijnselen te onderzoeken en te verklaren aan de hand van de mij medegedeelde wetten. Als ik iets zou vinden, dat ik niet begreep, behoefde ik slechts op de bijeenkomsten te vragen, en de gewenste verklaring zou mij worden gegeven.

Van de aanvang af stond het bij mij vast, dat ik slechts die verschijnselen zou onderzoeken, waarvan de echtheid onweerlegbaar vaststond.

Toen leerde ik in het begin van het jaar 1928 een wetenschappelijk tijdschrift kennen, dat met medewerking van professoren van naam uit nagenoeg alle landen werd uitgegeven en verschijnselen behandelde, die met de tot dan toe bekende natuurwetten niet kunnen worden verklaard. Het tijdschrift heet: ‘Tijdschrift voor parapsychologie’.’ – Het woord ‘parapsychologie’¹ betekent: de leer van datgene, dat boven de gewone wetten van het zieleleven uitgaat.

¹ Zeitschrift für Parapsychologie. Verlag Oswald Mutze, Leipzig. De ned. Uitgave is: Tijdschrift voor parapsychologie. Uitg. H.P. Leopold, Den Haag.

De eerste jaargangen van 1926-1927 van dit tijdschrift gebruikte ik voor mijn vergelijkende studies. De daarin beschreven feiten zijn zo afdoende bewezen, dat men geen redenen heeft om aan de echtheid te twijfelen. Het omvat alle verschijnselen, die op het gebied van het geestenverkeer voorkomen. Er worden alleen bewezen feiten genoemd. Hoe deze te verklaren zijn, daarover lopen de meningen ver uiteen. Van een geestenwereld als drager van die verschijnselen wil de hedendaagse weten- schap niets weten en slechts schuchter gewaagt hier of daar de e6n of andere geleerde van de mogelijkheid van een inwerking van de zijde van geestelijke wezens. In plaats hiervan geeft men hiervoor verklaringen, die elk normaal denkend mens als ongerijmd moeten voorkomen.
Daar de ‘media’ als krachtbronnen voor de geestenwereld dienen bij het tot stand brengen van de verschillende verschijnselen, rangschik ik in de hier volgende beschrijving de thans voorkomende mediamieke verschijnselen en media, die in het genoemde tijdschrift worden besproken. De feiten ontleen ik aan dit tijdschrift en de juiste verklaring van de beschreven gebeurtenissen geef ik aan het slot van elk gedeelte.
Het medium Kluski te Warschau. (Duits tijdschrift van Parapsychologie, jaarg. 1926, blz. 5-22). – F. W. Pawlowski, professor in de anatomie aan de universiteit te Michigan, U.S.A., vermeldt in een uitvoerig artikel zijn belevenissen met het medium Kluski in Warschau. Hij schrijft: `De verschijnselen, die ik bij Kluski heb gezien, waren zeer buitengewoon en overtreffen alles, wat ik tot nu toe daarover heb gelezen en gehoord.’
`De normale voorbereidingen vóór de aanvang van een seance met het medium Kluski bestonden daarin, dat het vertrek, waarin de proef werd genomen, en de zich daarin bevindende voorwerpen aan een nauwkeurig onderzoek werden onderworpen. Ramen en deuren werden gesloten en verzegeld en met repen van waspapier dichtgeplakt, waarop door de deelnemers geheime tekens en hun handtekening werden geplaatst. Als men dit wenste en als er geen dames in de kring aanwezig waren, was het medium geheel naakt.’
‘Zodra alle deelnemers hun plaats om de tafel hadden ingenomen en een keten hadden gevormd, viel het medium bijna ogenblikkelijk in een diepe trance. De verschijnselen traden dan meestal onmiddellijk op. De keten werd gevormd door het inhaken van de pink van elke hand in die van de buurman. Daardoor waren de deelnemers in staat, het overige deel van hun hand vrij te bewegen, dus te schrijven, te voelen en te tasten, zonder het contact te onderbreken.’
`De seances vonden òf volkomen in het donker òf bij het licht van een lamp plaats. In beide gevallen lagen lichtgevende platen op de tafel klaar. Deze platen hebben de grootte van een vierkante voet en zijn gemaakt van lichte houtplaten met handvat, ongeveer zoals wij ze aan toiletspiegels vinden. Aan een kant zijn ze met een lichtgevende massa bestreken.’
‘Het is voor de deelnemers vaak niet nodig, het witte licht in het vertrek uit te schakelen, want zodra het medium in trance valt gaat het witte licht vanzelf uit en wordt het rode licht ingeschakeld. Vaste deelnemers aan de bijeenkomsten verteilen, dat dit uit- en inschakelen van het licht langzaam en trapsgewijze geschiedt.’
`Uit persoonlijke ervaring en door inlichtingen uit de eerste hand van volkomen betrouwbare waarnemers kan ik vaststellen, dat door het medium Kluski de volgende fenomenen worden voortgebracht’
`a. Klopgeluiden of slagen, die zeer karakteristiek zijn en iets heel eigenaardigs vertegenwoordigen. Ik hoorde ze vaak en heb direct het bijzonder opvallende daarvan opgeschreven, zonder dat anderen mij daarop opmerkzaam hadden gemaakt. Ik kon duidelijk horen, of eigenlijk nog beter voelen, dat zij niet aan de oppervlakte van de tafel of op de muur werden voortgebracht, maar van binnenuit kwamen. Ik vermeld dit nadrukkelijk, want ik deed verscheidene pogingen de door Kluski voortgebrachte klopgeluiden na te bootsen. Het gelukte mij echter absoluut niet, de toon van de slagen te verkrijgen, die in de Kluski- seances werden voortgebracht.’
`b. Levitaties (het vrije zweven van het menselijke lichaam) zag ik zelf niet. Maar ik vernam, dat zij in Kluski’s kring meermalen voorkwamen. Niet alleen werd de tafel omver gegooid en opgeheven, doch ook het medium, evenals een of meer van de deelnemers, werd een heel eind boven de vloer getild.’
`c. Kluski’s specialiteit is het tot stand brengen van gedeeltelijke, meestal echter van volkomen gevormde verschijningen of fantomen. De gedeeltelijke materialisaties zijn gewoonlijk hoofden. Deze materialisaties verschijnen bijna plotseling boven of achter het medium, of nog vaker achter of tussen de deelnemers aan de seance, die zich op enige afstand van het medium bevinden. Na enige heftige en duidelijk hoorbare slagen op de tafel of de muren verschijnen lichtende sterren of vonken, die zich boven de tafel verheffen en langs het plafond bewegen. Blauwachtige lichtvonken, in grootte varierend van een erwt tot een hazelnoot, komen vaak in aantal van een dozijn. Deze bewegen zich alle tegelijk met vrij grote snelheid in alle richtingen boven de plaatsen van de deelnemers en vormen zich tot zwermen of paren. Vele verdwijnen, enige komen paarsgewijze naar beneden tot vlak bij de deelnemers. Toen deze vonken tot op een afstand van ongeveer zestien duim bij mij kwamen, zag ik tot mijn grote verbazing, dat het menselijke ogenparen waren, die mij aankeken. Binnen een paar minuten vormde zich uit zo’n ogenpaar een volkomen gevormd menselijk hoofd, dat door een eveneens gematerialiseerde hand met lichtgevende palm zeer goed werd belicht. De hand verhief zich boven het hoofd, om het van alle kanten te belichten en het aan de toeschouwers te laten zien. Daarbij keken de ogen de deelnemers met vaste blik aan en het gezicht had een vriendelijke, glimlachende uitdrukking. Ik zag een aantal van zulke hoofden, vaak twee tegelijk, die als luchtballonnen van de ene deelnemer naar de andere vlogen en op het verzoek : “Korn toch naar mij toe !” van een ver verwijderd punt langs de kortste weg naar de vrager vlogen, dikwijls dwars over de tafel en met een snelheid als van verschietende sterren.’
`d. Onzichtbare, doch door stappen, kraken van de vloer hoorbare fantomen verschenen die met levende, zachte handen en vingers mijn gezicht, mijn handen en gehele lichaam aanraakten. Het gevoel, door een levende menselijke hand aangeraakt te worden, was onmiskenbaar. Deze onzichtbare fantomen halen op verzoek uit de verschillende delen van de kamer, waarin de seance wordt gehouden, voorwerpen, grijpen, ondanks de duisternis, nooit verkeerd, stoten nergens tegenaan en raken geen deelnemer aan, als zij zware voorwerpen, zoals een zware bronzen buste van dertig pond of een met gesmolten paraffine gevulde ijzeren pot met een gewicht van twaalf kg neerzetten.’
`e. Verschijningen zichtbaar bij rood licht, traden op. Deze fantomen namen meestal de op tafel liggende lichtplaten in de hand met het donkere gedeelte naar de deelnemers gericht, en belichtten zichzelf, terwijl zij van de ene deelnemer naar de andere gingen en iedereen de gelegenheid gaven, hen van heel dichtbij te bezien. Het van de lichtplaat uitstralende licht was zo goed, dat men de porien en de oneffenheden in de huid van de fantoom- gezichten en van de handen kon zien. Op de neus van een oude man kon ik duidelijk het verloop van de kronkelige, fijne adertjes zien. Evenzo kon ik duidelijk de soort stof van de kleding van de fantomen onderscheiden. Ik zag de verschijningen van zo dichtbij, dat ik hun adern kon horen en op mijn gezicht hun uitademing voelde.
Het indrukwekkendste en meest overtuigende van deze verschijningen, als zij naar ons toekwamen, waren de ogen en gezichten met hun levendige uitdrukking. Op vragen van de deelnemers kwam de uitdrukking van het gelaat geheel in overeenstemming met het antwoord en een lieflijke glimlach speelde om hun lippen.
`f. Van de dierfantomen vertonen zich meestal eekhoorntjes, honden en katten. Op een keer kwam er een leeuw en een andermaal een Brote vogel, een valk of buizerd. Ik zelf zag de twee eerst genoemde verschijningen. Zij gedroegen zich geheel volgens hun natuur. Het eekhoorntje huppelde geheel natuurlijk op de tafel rond. De hond liep kwispelstaartend om de tafel, sprong op de schoot van de deelnemers en likte hun gezicht. Kortom, hij gedroeg zich in elk opzicht, zoals een goed opgevoede hond zich gedraagt. De leeuw gedroeg zich, zoals mij werd verteld, dreigender; hij sloeg met zijn staart en streek daarbij langs de meubels. De verschrikte deelnemers waren niet in staat, dit beest te controleren. Zij maakten een einde aan de seance door het medium te doen ontwaken. De buizerd vloog rond, met zijn vleugels tegen de muren en de zoldering slaande. Toen hij tenslotte op de schouder van het medium neerstreek werd hij met flitslicht gefotografeerd, want een voor direct gebruik ingesteld fototoestel stond vöör het medium.’

`Tot de hierboven vermelde categorie van fantomen hoort ook de zeldzame verschijning van een wezen, dat de seancedeelnemers als de “pithecanthropos” aanduiden. Hij is namelijk een veel aanwezige gast op de Kluski- bijeenkomsten. Daar hij alleen bij volkomen duisternis verschijnt, is het moeilijk, hem nader te onderzoeken. Hij ziet eruit als een behaarde man of een grote aap. Zijn gezicht is behaard, zijn voorhoofd tamelijk hoog; hij heeft lange, sterke armen en gedraagt zich zeer ruw en woest tegen de deelnemers. Hij tracht, hun banden of gezichten te aaien en meestal maakt hij daardoor een eind aan de zitting, of de deelnemers worden daartoe gedwongen, omdat men hem niet in bedwang kan houden. Ik zag, of veelmeer, voelde hem èèn keer, toen hij zich tegen mij aanwreef. Ik nam toen een zeer bijzondere reuk waar, die ik op dat ogenblik niet kon definiëren, maar die enige andere, met het fantoom meer vertrouwde, deelnemers mij als die van een natte hond beschreven. Bij deze gelegenheid ging hij achter mij langs naar de dame naast mij, die de hand van het medium vasthield. Hij doorbrak de keten en onderbrak daardoor de seance, doordat hij de hand van de dame greep en die tegen zijn gezicht wreef. Daarvan schrok de dame zo hevig, dat zij luid schreeuwde.’

`g. Veel verschijningen hebben lichtgevende handen; dat wil zeggen, dat de palm van hun handen lichtend is. Het witte, licht-groenachtige licht is zo sterk, dat, als de fantomen hun handen boven hun hoofd en gezicht of gestalte houden of laten glijden, iedere kleinigheid zo duidelijk is te zien, alsof men lichtgevende platen gebruikt. Zo belichten zij zichzelf, om de deelnemers de mogelijkheid te geven, hen heel goed te bekijken. Zij richten echter ook hun lichtende handen, of beter gezegd hun handpalmen op de deelnemers, zodat deze zelf worden belicht en schijnbaar door de fantomen worden bekeken. Bij een van die gelegenheden kon ik duidelijk waarnemen, dat het licht niet volkomen gelijkmatig was, maar voortdurend trillend de meest verschillende lichtsterkten toonde, ofschoon de belichting van de gehele handpalm steeds dezelfde bleef. Ik kon ook helderder vonken of stralen zien, die in zigzag of langs verschilleride banen van de handwortel naar de vingertoppen schommelden. Ook stroomde uit de lichtende handpalmen een sterke ozonlucht.’
`h. Een van de zeldzaamste, misschien wel een van de hoogste soorten is het fantoom van een oude man, die geheel uit zichzelf licht uitstraalt. – Ik heb het maar tweemaal gezien. De verschijning lijkt op een lichtzuil. Men ziet deze, naar ik vernam, heel vaak in de Kluski-kring. Het ervan uitgaande licht is zó krachtig, dat niet slechts alle deelnemers, maar ook alle, zowel dichtbij als ook de verder weg staande voorwerpen in de kamer worden belicht. De binnenkant van de handen en de hartstreek waren, toen ik de verschijning zelf zag, sterker lichtgevend dan de andere delen van het lichaam. Het fantoom dook op enige afstand van ons in het midden van de kamer op. De tafel, waar wij omheen zaten, stond in één van de hoeken van het vertrek en het medium zat geheel in de hoek. De oude man droeg een hoge, kegelvormige hoofdbedekking en was in een lang gewaad gekleed, dat in diepe plooien naar beneden hing. Hij naderde ons met koninklijke schreden en zijn gewaad bewoog zich onder het gaan. Met de handen maakte hij op driehoekige figuren gelijkende bewegingen. Tegelijkertijd sprak hij met een diepe, plechtige stem. Hij bleef ongeveer tien seconden achter mij staan, bewoog de lichtende handen boven ons en sprak onophoudelijk. Toen trok hij zich dieper in de kamer terug en verdween. Een golf van ozonhoudende lucht vergezelde hem, zodat het vertrek nog lang na de sluiting van de seance daarvan was vervuld. Het fantoom is een zeer oude man met een grijze baard. Hij sprak nogal met een keelklank en zijn taal was voor ons allen onverstaanbaar, ofschoon de deelnemers wel twaalf verschillende talen beheersten. In welke taal hij sprak kon echter tot nu toe door niemand worden vastgesteld, evenmin als men kon ontdekken, wie het fantoom is. In de kring wordt hij de “Assyrische priester” genoemd, wat geheel bij zijn uiterlijke verschijning past.’
`i. Door de fantomen werden “paraffine-vortuen” gemaakt. Zodra zij de ijzeren pan, gevuld met vloeibare paraffine, op de tafel opmerkten, gingen zij met zichtbaar genoegen aan het werk en maakten op verzoek vormen van heel bijzondere en ingewikkelde aard. Zij doopten hun handen in de paraffine en lieten de handschoenachtige vormen op de tafel vallen. Wanneer de fantoom-hand zelf-verlichtend is, ziet men deze in de vloeibare paraffine bewegen, zoals een goudvis in een aquarium. De handschoenen worden vrij onzorgvuldig door de fantomen uitgetrokken. Eens viel een paar daarvan van de tafel op mijn schoot en van daar op de grond. Ik maakte de andere deelnemers daarop opmerkzaam en verzocht hen, hun voeten niet te bewegen, opdat de vormen niet beschadigd zouden worden. Een van de deelnemers verzocht het fantoom, de vormen op te rapen en op de tafel te leggen, wat onmiddellijk werd gedaan. Daarbij werd mijn enkel stevig vastgepakt en mijn been opzij geschoven, opdat er meer plaats kwam onder de tafel, waar zich veertien benen bevonden. Het fantoom had ½ -¾ minuut nodig om een vorm te maken. Toen ik probeerde, dit zelf te doen, duurde het enige minuten, voordat de paraffine zover was afgekoeld en ook toen was het onmogelijk om de handschoen, zonder die te breken, van mijn hand af te schuiven; zelfs kon ik het niet eens met een enkele vinger gedaan krijgen, die tot het tweede lid in paraffine was gedoopt.’
Toen ik de paraffine van het gipsafgietsel verwijderde door het in heet water te dompelen, merkte ik een aantal haren op, die in het water dreven. Het waren gewone haren, van de soort zoals zij op de rug van de hand en op het derde kootje van de vinger voorkomen. Daar ik volkomen zeker was, geheel schoon water en een witte porseleinen kom voor mijn proef te hebben gebruikt, was ik zeer verrast door deze ontdekking. Ik bekeek dus nogmaals de reeds gemaakte afgietsels en zag op een daarvan door de dunne paraffinelaag enige haartjes of haardons, die zich in de paraffine bevonden.’
‘Ik heb bij bovenstaande verschijnselen een bijzonder merkwaardig geval meegemaakt. Bij een afgietsel zijn de vingers tot een vuist gebald en de duim steekt er tussen wijs- en middelvinger uit. Bij de hier bedoelde proef werd het fantoom gevraagd, iets wat zeer ingewikkeld, eigenaardig en moeilijk na te bootsen was, te laten zien. Men liet de verschijning echter geheel vrij om te maken wat zij wilde. Zij scheen een ogenblik na te denken om iets heel bijzonder geschikts te vinden. Zij doopte toen de uitgestrekte hand in de paraffine en vouwde toen pas de vingers. Voordat ik deze vorm met gips opvulde kon ik binnenin verscheidene onregelmatig gevormde paraffinedeeltjes zien, welke zich in de holte van de handschoen aan de binnenkant uitbreidden en zekere punten steunden. Deze kwamen overeen met de gekromde gleuven tussen de vingers.’
j. Ik zag slechts weinig apportes van kleine voorwerpen. Men zei mij echter, dat ook tamelijk zware voorwerpen uit andere kamers in het seancevertrek waren gebracht. Het wonderlijkste verschijnsel van deze soort was, toen Kluski zelf uit de afgesloten en verzegelde seancekamer verdween. De verbaasde kringdeelnemers vonden hem in een tamelijk ver verwijderd vertrek van de woning rustig slapende.’
`k. Ik stelde vast dat de temperatuur in de seancekamer aanzienlijk daalde. Ik zowel als de andere seancedeelnemers voelden duidelijk koude rillingen tegen het einde van een, anderhalf tot twee uur durende seance. De in het vertrek aanwezige thermometers gaven tegen het einde van de zittingen een daling van zes-acht graden celsius aan. Dit druist in tegen de gewone ervaring, daar de temperatuur in een ruimte, die bovendien nog geheel afgesloten is en waarin zich gedurende langere tijd zeven personen bevinden, gewoonlijk stijgt, vooral als de bewuste ruimte niet zo groot is.’
`l. Tijdens het verschijnen van de fantomen zag ik zoiets als een lichtgevende rook of nevel, die als een kleine wolk boven het hoofd van het medium hing. De wolk bewoog zich zijwaarts en binnen enige seconden ontstond daaruit een menselijk hoofd, of ook wel breidde hij zich loodrecht omhoog uit en ontstond er een menselijke verschijning uit, die dadelijk begon rond te lopen.’
‘Het meest verrassende en interessantste van de verschijningen, om zo te zeggen het gewichtigste voor mij daaraan, was hun volkomen menselijk gedrag. Zij gedroegen zich als gasten tijdens een feest. Bij hun rondgang om de tafel begroetten zij de beter bekende deelnemers met een lachje van herkenning, terwijl zij nieuwe personen met aandacht aanschouwden. De nieuwsgierige uitdrukking in hun ogen is moeilijk te beschrijven. Ik kon uit hun pogingen onze blikken, ons glimlachen, onze vragen en antwoorden te begrijpen, en uit hun handelingen opmaken, dat het hun er voornamelijk om te doen was, ons ervan te overtuigen, dat zij werkelijke wezens en geen hersenschimmen of hallucinaties waren.’
‘Ook hebben de verschijningen niet altijd de normale grootte. Tegen het einde van de seance, als het medium tot op een zekere hoogte uitgeput is, of als het reeds vóór de zitting minder goed gedisponeerd was, hebben de fantomen niet de volle grootte maar slechts 2/3 of zelfs de helft daarvan. Toen ik zo’n fantoom voor het eerst zag dacht ik, dat het een kind was; maar bij nadere beschouwing zag ik aan het rimpelige gezicht, dat het een oude vrouw of oude man was, alleen onder de normale maat!’
`De kringleider placht dan te zeggen : “Wij zullen het medium helpen.” Hij begon dan de maat te slaan, waarbij alle deelnmers diep en gelijkmatig ademhaalden. De uitwerking was wonderbaarlijk. De verkleinde fantoomgestalte groeide en bereikte in enkele seconden zijn volle lengte.’
`De fantomen, die bij Kluski verschijnen, behoren tot verschillende nationaliteiten en spreken gewoonlijk hun moedertaal. Toch verstaan zij de in iedere taal tot hen gerichte woorden zeer goed. Zij schijnen de gave te hebben, de gedachten van anderen te lezen. Want het is niet nodig om een wens of een bepaalde vraag uit te spreken. De gedachte alleen is reeds voldoende. Men behoeft slechts te denken, dat het fantoom. dit of dat moet doen, en het wordt uitgevoerd of geweigerd. Inderdaad weigeren enige van hen heel vaak, bepaalde dingen te doen, of zij zeggen, dat zij het helemaal niet doen kunnen, of niet op dat ogenblik, of zij beloven, het bij een andere gelegenheid te doen of het dan te proberen.’
`Niet alle verschijningen kunnen spreken. Vele geven er de voorkeur aan zich door kloppen verstaanbaar te maken, wat heel vervelend en tijdrovend is, omdat de kloppen steeds in aantal overeenkomen met de plaats van een letter in het alfabet, zodat men telkens van voren af aan moet gaan spellen.’
`De stemmen zijn volkomen duidelijk en van normale toonsterkte; zij klinken als goed hoorbaar fluisteren.’
`De levendige uitdrukking van de gezichten onder het spreken is zeer overtuigend. Op een keer kon ik duidelijk de uitdrukking van verwachting in het gezicht van de verschijning van een Turk waarnemen, die een buiging voor mij maakte en zei: “Chokyash Lehistan”. Toen hij bemerkte, dat ik hem niet verstond, herhaalde hij vriendelijk lachend dezelfde woorden. Niet wetend, wat hij wilde, maar uit een gevoel van sympathie voor zijn edele natie zei ik tot hem: “Vive la Turquie” (Leve Turkije). Men kon duidelijk zien, hoe verheugd hij daarover was. Hij glimlachte, zijn ogen straalden, hij kruiste zijn armen, maakte een buiging en verdween. Ik schreef zijn woorden op mijn bloknoot op in de vorm van de opgevangen klanken en liet ze de volgende dag door een talenkenner vertalen en vernam, dat ze betekenden : “Lang leve Polen !”‘
Verklaring van de feiten. Hetgeen prof. Pawloswki als zijn persoonlijke ervaringen bij het medium Kluski verhaalt, bevestigt op alle punten, wat mij omtrent de wetten van het geestenverkeer was medegedeeld en wat in het bijzonder in het hoofdstuk over de odkracht duidelijk is uiteengezet.
In niets, wat in de seances van Kluski voorvalt, heeft het medium als denkende en handelende persoonlijkheid ook maar het geringste aandeel. Het is enkel en alleen de krachtbron, waaruit de zich openbarende geesten het od voor de openbaringen putten. Kan het medium niet veel od afgeven, hetzij doordat het zich lichamelijk niet goed voelt, òf doordat het door voorafgaande odafgave reeds zeer verzwakt is, dan zijn de verschijnselen òf zeer onvolkomen òf geheel onmogelijk.
Prof. Pawlowski zag het od als een lichtgevende rook of wolk of als vonken en vlammetjes. Daarin zag hij paren van ogen, daarna gehele gezichten, die zich naarmate de odkracht toenam tot gehele gestalten ontwikkelden.
Het is hetzelfde, wat wij in de bijbelse verhalen vinden over het brandende braambos, de wolken- en vuurzuilen van de Israelieten, de wolk in de openbaringstent, de wolk op de berg Tabor en de odvlammetjes op het pinksterfeest. Dat alles stond ook in de bijbel steeds in verband met de openbaringen van de geestenwereld, zoals in de voorafgaande hoofdstukken uitvoerig werd aangetoond.
Als in het bovenstaande wordt medegedeeld dat de kleine geestenverschijningen zich tot normale grootte ontwikkelen, zodra de deelnemers in de maat diep en gelijkmatig ademen, dan is dit na wat hiervan is gezegd, iets heel vanzelfsprekends. Want niet alleen het medium geeft odkracht af aan de geestenwereld, maar ook alle seances-deelnemers, de een minder, de ander meer, vooral wanneer zij al vaker aan zulke seances hebben deelgenomen. Zij zijn in zekere mate hulpmedia voor het hoofdmedium. Nu wordt echter de odafgifte van de deelnemers door een gelijkmatig diep ademen aanmerkelijk versterkt. Daarom speelt de kunst van het ademhalen bij de fakirs en hun mediamieke verrichtingen zo’n grote rol.
Dat tegen het eind van de seances een daling van de temperatuur werd waargenomen, in plaats van de te verwachten stijging, heeft ook zijn natuurlijke oorzaak. Er is in het hoofdstuk over de odleer gezegd, dat alleen een verdicht od voor de menselijke zintuigen waarneembaar is en dat de geesten alleen met een verdicht od op de materie kunnen inwerken. Verder werd uiteengezet, dat voor de verdichting van het od koude krachtstromen worden gebruikt volgens de algemeen geldende natuurwet, dat kou verdicht. Deze koude stromen moeten tegen het einde van een seance in verhoogde mate worden gebruikt, omdat de warmteontwikkeling van de aanwezige personen schadelijk werkt op de odverdichting. De koude krachtstromen hebben een daling van de temperatuur tot gevolg.
Prof. Pawlowski verwonderde zich over het menselijke optreden van de belichaamde geesten, waarvan hij de ogen en het gezicht kon zien, de gestalten kon voelen en de ademhaling, hartslag en stem kon koren. Als men echter bedenkt, dat de geesten dezelfde persoonlijkheden zijn, die zij als mensen waren, dat zij als geesten dezelfde organen bezitten als wij, alleen dat deze bij hen geestelijk en bij ons stoffelijk zijn, dan begrijpen wij volkomen, dat bij de gematerialiseerde geest het gematerialiseerde geestenhart voor ons oor waarneembaar klopt en dat wij de ademhaling kunnen horen van de gematerialiseerde longen van de geest, die precies zo werken als onze longen.
Daarom zijn ook de verschillende ledematen, die verschijnen, niets anders dan de belichaming (materialisatie) van de geestelijke ledematen. De handen, die in de paraffine-massa doken, tot de paraffine afkoelde, waren de gematerialiseerde handen van een geest en hadden dezelfde kenmerken, als toen de geest nog in zijn aardse lichaam leefde. Daardoor zijn de duim- of vingerafdrukken van een gematerialiseerde geestenhand precies gelijk aan die van de oorspronkelijke mensenhand. Daarom verschijnen ook alle andere eigenaardigheden, die de geest vroeger als mens bezat, weer op dezelfde manier, als hij zich als geest door middel van het verdichte od van een medium materialiseert.
Als een mens zijn met haartjes begroeide vingers in hete paraffine doopt, zal men daar later enige uitgevallen haartjes in kunnen vinden.
Hier moet echter een zeer belangrijke opmerking aan worden toe- gevoegd. De eigenaardigheden, die de geesten vroeger aan hun aardse lichaam hadden, behouden zij als geest aan gene zijde slechts zo lang hetzelfde peil blijven als toen zij mensen waren. Stijgen zij echter aan gene zijde, dan wordt ook hun geestelijke lichaam mooier en edeler en de kwalen en gebreken van hun aardse lichaam verdwijnen. Maar ook die geesten, die aan gene zijde door hun vooruitgang een ander, mooier lichaam hebben gekregen, verschijnen gewoonlijk, als zij zich materialiseren, tijdens de seance toch met het lichaam, dat zij als mens hadden, en dat zij op kunstmatige wijze weer kunnen opbouwen. Dat doen zij alleen dan, als zij onder de deelnemers aan de seance familie of bekenden hebben, en door hen willen worden herkend. Daardoor bewijzen zij dezelfden te zijn, die hun vroeger als mensen bekend waren.
De paraffinevormen, waarvan prof. Pawlowski spreekt, konden de geesten alleen tot stand brengen, doordat zij hun gematerialiseerde hand in de vloeibare paraffinemassa doopten en na afkoeling van de paraffine weer geheel of gedeeltelijk dematerialiseerden of oplosten. Om de hand uit de paraffinevormen te trekken zonder ze te beschadigen was een gedeeltelijke dematerialisatie, dus een dunner worden van de gewrichten en iets korter worden van de vingers, voldoende. Ook kon een handafdruk ontstaan, als op het moment van onderdompelen de materialisatie slechts de dichtheid van een dikke nevel had. Met een dergelijke graad van verdichting van de odgedaante kan de geest zelfs door vaste materie heenkomen. Een geestenhand, die slechts de dichtheid van nevel heeft, kan dus uit de paraffinehand worden teruggetrokken en de paraffinevorm achterlaten, zonder dat een oplossing van de gematerialiseerde geestenhand volgt, zodat de toeschouwer in zo’n geval geen verandering in de gematerialiseerde geestenhand kan zien.
De geest heeft dus drie mogelijkheden om deze paraffinevormen te maken en ze weer los te laten. Òf de geest brengt een vaste materialisatie van zijn hand tot stand en lost haar naderhand weer geheel op; òf hij lost de vaste materialisatie slechts gedeeltelijk op door evenredige verdunning en verkorting van de hand, òf hij verdicht het od slechts tot een dikke nevel en kan dan zonder de hand te veranderen zowel de paraffinevormen maken als ze zonder beschadiging weer afdoen. In dit geval gaat de geestenhand zonder weerstand door de afgekoelde paraffine heen, pakt dan de vorm aan de buitenkant aan en legt deze op de tafel.
Als prof. Pawlowski meent, dat de geesten met de vormen heel onvoorzichtig omgaan en dat zij ze zelfs-in een geval op de grond hadden laten vallen, terwijl hij toch verder hun grote vriendelijkheid en voorkomendheid prijst, dan komt dit, doordat hem daarbij iets zeer belangrijks onbekend is. Hij weet niet, dat de geest niet de macht heeft om zijn gematerialiseerde hand een willekeurig lange tijd gematerialiseerd te houden. Hij is daarin geheel afhankelijk van het od, dat hem ter beschikking staat en van de verdichting ervan. Warmte lost od echter op met als gevolg dat ook de hete of zeer warme paraffine de materialisatie van de ingedompelde geestenhand zeer snel opheft, zodat bij het loslaten van de paraffinevormen de odverdichting in veel gevallen niet sterk genoeg meer is om het de geest mogelijk te maken, de vorm voorzichtig neer te leggen. Zij valt uiteen, niet uit gebrek aan voorzichtigheid van de geest, maar uit gebrek aan odkracht en voldoende odverdichting.
Dat niet alleen geesten van mensen zich materialiseren, maar ook geesten van dieren, kunnen wij gemakkelijk begrijpen, als wij weten, dat bij de dood van een dier zijn geest zich op dezelfde wijze van het aardse lichaam scheidt als de geest van een mens bij zijn dood. Het onderscheid tussen een geest van een dier en een geest van een mens bestaat alleen in de graad van ontwikkeling, maar niet in het wezen van de geest zelf. In het dier zijn lage geesten belichaamd, in de mens geesten, die in hun ontwikkeling reeds hoger zijn gestegen.
Dat in de kring van Kluski dierengeesten werden gematerialiseerd is een bewijs, dat het inderdaad de lage geestenwereld is, die in die kring de heerschappij voert, al verschijnen ook nu en dan hogere geesten, zoals bijvoorbeeld de `Syrische priester’. Het zijn gewoonlijk de beschermgeesten van het medium, die zoveel mogelijk de invloed van de boze wereld trachten te verzwakken. Veel kunnen zij echter niet uitrichten, als het medium en de deelnemers niet uit vrije wil alleen de verbinding met het hoge en goede nastreven en al het lagere afwijzen. Het medium zelf ondervindt het grootste nadeel door de verbinding met de lage geestenwereld, niet alleen voor de ziel, maar ook lichamelijk. De mij gegeven lessen wijzen erop, dat het boze de odkracht, die het aan het medium onttrekt, niet meer vervangt. Vandaar, dat prof. Pawlowski van het medium Kluski zegt, dat het na iedere seance volkomen uitgeput was en vaak nog voordat het tot bewustzijn kwam, naar bed moest worden gebracht, en vaak pas na vele uren ontwaakte. Het medium gaf er dan ook de voorkeur aan slechts om de veertien dagen een seance te houden, omdat het anders te veel van zijn krachten zou vergen.
Het boze, dat door de schuld en de innerlijke instelling van het medium en de deelnemers eenmaal in zulke bijeenkomsten is binnengekomen, en dat zijn verrichtingen door de aanwezigen erkend en gewaardeerd ziet, verdwijnt later niet meer. Het doet wat het zelf wil en niet wat de deelnemers willen, begaat meermalen de crgste ongepastheden en veroorzaakt niet zelden schrikaanjagende tonelen, waaraan slechts een einde kan worden gemaakt door de zitting op te heffen. Hier geldt het woord van de dichter: `De geesten, die ik opriep, kan ik niet weer uitbannen.’ In de eerste plaats wordt de gezondheid van het medium langzaam aan ondermijnd. Zoveel sterke media schieten na zekere tijd geheel te kort aan kracht, doordat hun tijdens de seances zoveel odkracht door de lage en boze geestenwereld wordt onttrokken, die echter niet meer wordt vervangen. Als de odkracht van het medium is verdwenen, dan houden ook de fenomenen op. En dan ontstaat er een nieuw gevaar, waaraan veel media ten offer vallen. Zij, die tot nu toe als vooraanstaande media werden gevierd, missen de nederigheid en de waarheidsliefde het verlies van hun mediamieke kracht openlijk toe te geven en ze proberen het ontbreken van de kracht door bedrieglijke trucs te verbergen, totdat zij daarbij worden ontmaskerd. Zulke ontmaskeringen zijn dan voor onwetenden een reden om het gehele bestaan van het geestenverkeer als zwendel en bedrog te beschouwen. Ook in dit opzicht laden zij daardoor een grote verantwoordelijkheid op zich, die er bij het houden van spiritistische bijeenkomsten niet van het begin af voor zorgen, dat alles in naam van God geschiedt en dat de boze machten uitgeschakeld worden. Wordt een bijeenkomst beschouwd als een eredienst aan God en als zodanig gehandhaafd, dan behoeven de deelnemers nooit te vrezen voor demonische invloeden. Het goede leidt de controle en alleen dat wordt toegelaten, wat naar God’s wil is. Er kan dan ook op deze plaats niet ernstig genoeg worden gewaarschuwd tegen die spiritistische seances, die alleen worden gehouden uit zucht naar sensatie of wetenschappelijke nieuwsgierigheid, maar niet met het streven door de verbinding met de goede geestenwereld nader tot God te komen.
Door de mededeling van prof. Pawlowski, dat de odgeur van de hogere geesten zeer aangenaam en lieflijk was, terwijl hij tijdens de materialisatie van een grote aap de afstotende reuk als van een natte hond waarnam, wordt wat vroeger over de odgeur werd gezegd, volop bevestigd.
Prof. Pawlowski besluit zijn uiteenzetting met de volgende zinnen: ‘Het is voor een ieder onmogelijk, deze verschijnselen te ontkennen of te verwerpen. Ik erken volmondig, dat het voor de meesten moeilijk is, ze te geloven; dat het moeilijk is, de mogelijkheid te doorgronden, dat binnen weinige minuten levende menselijke wezens zich vertonen, waarvan men de beenderen door het vlees heen kan voelen, en wier hartslag is waar te nemen… ik erken, dat dit alles buiten ons begripsvermogen ligt. Wij zijn door de wonderen van de moderne wetenschap bedorven. Wij kunnen alleen aan het natuurlijke geloven, dat in zo’n grote schoonheid tot ons komt, wij kunnen echter niet meer geloven aan het geheim van het universele leven, aan het voor ons zo zeer verborgen goddelijk geheim. Dit aan te nemen zou ons gehele standpunt, zowel tegenover het leven als ook tegenover de dood, grondig veranderen, alsook dat van de wijsbegeerte en de wetenschappen.’
`De officiële wetenschap zal het grote, reeds thans voorhanden zijnde onderzoekingsmaterieel erkennen en de behulpzame hand bieden om de waarheid ervan vast te stellen, zonder acht te slaan op de zedenprekers, die in de erkenning van de geestelijke verschijnselen een gevaar voor de zeden en de godsdienst zien. Verstandelijke lafheid is min of meer te verontschuldigen bij zedenmeesters, waarvan de kleinzielige denkwijze zich meer met het vergankelijke bezighoudt, dat voor de mensheid van voorbijgaande aard is.’
Maar een geleerde, een zoeker naar de waarheid mag dit standpunt niet innemen. Waarheid zal tenslotte alles overwinnen en beheersen ; men behoeft haar echter noch te vrezen, noch te kleineren.’

Carlos Mirabelli, het Braziliaanse medium (Zeitschrift für Parapsychologie, Jahrg. 1927, blz. 450-462). – In het jaar 1927 verscheen in Santos (Brazilië) een werk onder de titel: `O, Medium Mirabelli.’ Het bevat een beschouwing van 74 bladzijden over de verschijnselen, die bij een medium Mirabelli werden waargenomen. Deze verschijnselen kwamen alle voor zowel bij daglicht als bij helder kunstlicht. Menigmaal waren er bijna zestig getuigen, die tot de leidende wetenschappelijke en sociale kringen van Brazilie behoorden aanwezig.
Daar de berichten het ongelooflijkste inhielden, dat er ooit op dit gebied werd beleefd, heeft de redactie van het `Zeitschrift für Parapsychologie’ zich tot het Braziliaanse Consulaat in München gewend en daar de vraag voorgelegd, of de in het boek `O, Mirabelli’ aangehaalde personen, die deze verschijnselen voor echt verklaren, bij de consul te goeder naam en faam bekend stonden. De consul bevestigde de vraag onvoor- waardelijk en voegde er nog aan toe, dat veertien van de genoemde getuigen hem persoonlijk bekend waren, waaronder de president van de republiek, die als voorzitter van een scheidsgerecht over het medium Mirabelli werkzaam geweest was. Verder noemde hij de in actieve dienst zijnde staatssecretaris Reynalde Porchat, de senator Muniz Sodre en Olegario de Moura, professor in de medicijnen aan de universiteit te Sao Paulo. De consul verklaarde, dat als slechts deze vier mannen, die niet alleen grote geleerden waren, maar ook onbesproken karakters hadden, zich voor een zaak inzetten, hij niet het recht had hun waarnemingen in twijfel te trekken.

Het medium Mirabelli werd gadegeslagen door 557 getuigen. Onder hen bevonden zich 452 Brazilianen en 105 buitenlanders. Het waren 2 professoren, 72 artsen, 18 apothekers, 12 ingenieurs, 36 advocaten, 8 vertalers, 3 grondbezitters, 22 tandartsen, 5 chemici, 20 letterkundigen, 89 staatslieden, 25 officieren, 52 beurslieden, 128 kooplieden, 9 fabrikanten, 18 journalisten, en 32 behoorden tot verschillende andere beroepen. Ook veel leden van geestelijke orden woonden de bijeenkomsten bij.
Mirabelli is een universeel medium. Zijn odkracht is toereikend voor alle verschijnselen, die bij het geestenverkeer voorkomen.
Hij is een sprekend medium. In trance-toestand spreekt hij behalve zijn moedertaal en verschillende inheemse dialecten nog: Duits, Frans, Nederlands, Engels, vier Italiaanse dialecten, Tsjechisch, Arabisch, Japans, Russisch, Spaans, Turks, Hebreeuws, Albanees, Afrikaanse dialecten, Latijn, Chinees, Nieuw-Grieks, Pools, Syrisch-Egyptische dialecten en Oud-Grieks. Hij verstaat in normale toestand alleen zijn moedertaal. Hij houdt in trance-toestand voordrachten over onderwerpen, waarvan hij als mens niets weet. Zijn voordrachten omvatten het gebied van de medicijnen, de rechtswetenschap, de sociologie, de nationale economie, de politiek, de theologie, de psychologie, de geschiedenis, de natuurwetenschappen, de astronomie, de wijsbegeerte, de logica, de muziekwetenschap, het spiritisme en het occultisme, en de literatuur.
Het medium zelf zegt, dat alles, wat in trance door hem wordt gezegd, niet van hem zelf komt, maar dat er geesten zijn, die dóór hem spreken en hij geeft de namen ervan op. Hij noemt ze zijn geestelijke leiders.
Mirabelli is ook een schrijfmedium. Hij schreef tot nu toe in de trance- toestand in 28 verschillende talen en wel met een snelheid, die geen schrijver in normale toestand kan bereiken. Zo schreef hij in 15 minuten 5 bladzijden in het Pools over het thema : ‘Het wederopgestane Polen’ ; in 20 minuten 9 bladzijden in het Tsjechisch over : `De onafhankelijkheid van Tsjechoslowakije’; in 12 minuten 4 bladzijden Hebreeuws over: `De laster’; in 20 minuten in het Duits over: ‘Groot-Duitsland, zijn vernietiging en wederopstanding’; in 40 minuten 25 bladzijden in het Perzisch over: `De onhoudbaarheid van de grote keizerrijken’; in 15 minuten 4 bladzijden latijn over: `De grote vertalingen’; in 12 minuten 5 bladzijden Japans over : `De Russisch-Japanse oorlog’ ; in 22 minuten 15 bladzijden in het Syrisch over: `Allah en zijn profeten’; in 15  minuten 8 bladzijden Chinees over : `Boeddhistische Apologie’ ; in 15 minuten 8 bladzijden Syrio-Egyptisch over : `De grondslagen der wetgeving’ ; in 32 minuten drie bladzijden hiëroglyfen, die tot nu toe, nog niet ontcijferd konden worden, enz., enz.
Bij het mediamieke schrijven van Mirabelli werden door de geleerden, die hem controleerden, de volgende voorzorgsmaatregelen genomen. Het medium werd door twee deelnemers in de seancezaal gebracht en daar werden zijn lichaam en zijn kleren aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen. Op een kleine tafel, die noch schuifladen, noch vakken had, werden papier en potlood gelegd. Mirabelli, die voor de aanvang van zulke seances erg opgewonden is, neemt bij helder licht plaats op een stoel. Controleurs en deelnemers vormen een kring om hem heen en volgen oplettend al zijn bewegingen. De leider van de seance vraagt om stilte, totdat de geestelijke leider van het medium zich aankondigt.
Het medium, in de hoogste extase, smeekt met luide stem om God’s hulp en heft dan in trance-toestand een religieuse lofzang aan. De hand grijpt een potlood, slingert dit telkens van zich af, grijpt het dan weer en begint met een koortsachtige haast te schrijven. Het potlood vliegt zonder onderbreking bliksemsnel over het papier. Onder het schrijven heft Mirabelli zijn blik omhoog en zucht zonder de snelheid van het schrijven te verminderen. Dan slaat het medium met een stralend gelaat de ogen omhoog, waar het zijn geestelijke leider beweert te zien, die bij het schrijven zijn hand leidt, en spreekt liefdevol met hem. De naast het medium staande secretaris neemt de beschreven bladen weg en ordent ze.
Menigmaal verandert de toestand van het medium, gaat van extase in apathie over en verandert dan weer; Mirabelli wordt door een andere geest in beslag genomen. Hij lacht, weent, zingt, noemt enige andere namen, antwoordt op vragen, draait en wendt zich als een koorddanser, spuwt niets ontziende om zich heen, neemt ontuchtige houdingen aan, tracht zich de schedel in te slaan, chemicalien te drinken, krijgt schuim op zijn mond en slaat om zich heen. Dan treedt er rust in en de seance kan worden beëindigd.
De zojuist beschreven gebeurtenissen eisen allereerst een uitleg. De toestand van opwinding, waarin het medium zich voor de aanvang van zulk een seance bevindt, wordt veroorzaakt, doordat het door een groot aantal geesten is omgeven, die zich sterk opdringen, goede zowel als boze. Deze weten, dat nu het schrijven zal beginnen. Zij dringen zich met geweld op om de hand van het medium te mogen leiden. Er ontstaat een strijd tussen de goede en de boze geesten, vandaar het grijpen, weer wegslingeren en opnieuw grijpen van het potlood. Krijgt het boze voor enige minuten de overhand, dan gebruikt dit het lichaam van het medium voor de uitvoering van de hierboven beschreven schandaligheden in woord en daad. Het boze is er op uit de media, die het goede dienen, lichamelijk en zedelijk te gronde te richten. Mirabelli tracht alleen de goede geestenwereld tot zich te trekken en haar als werktuig te dienen. Dat bewijst zijn bede om goddelijke hulp. Maar dat hij zich ook leent voor seances, die alleen de wetenschappelijke belangstelling van de deelnemers en bij menigeen ook slechts de sensatielust dienen, is een fout van hem, waardoor de boze geesten een grote macht over hem krijgen. Zou hij zich uitsluitend aan godsdienstige bijeenkomsten wijden en zo zijn mediamieke begaafdheid alleen aan het goede geven, dan hadden de boze krachten geen enkele macht over hem, en zouden zulke slechte en lage tonelen als hier beschreven nooit voorkomen. Ook zou zijn mediamieke kracht behouden blijven, terwijl, als hij zich verder als medium laat gebruiken voor aardse doeleinden, het te vrezen is, dat deze kracht hoe langer hoe meer zal verdwijnen. Want de verzwakking van zijn odkracht door de boze geesten wordt op den duur zo groot, dat hij als medium geheel zal mislukken en ook zijn lichamelijke gezondheid zal verliezen, of tot nog ergere dingen wordt gedreven.¹’ (¹ De hier uitgesproken vrees is helaas werkelijkheid geworden. Op dit ogenblik heeft Mirabelli zijn mediamieke kracht geheel verloren (opmerking bij de 2e druk).
Welke macht de boze geesten soms tegenover de goede geesten ontplooien om ze van hun voornemens af te houden, bewijzen de verhalen in de bijbel. Toen de hoge geest Gabriël naar Daniël werd gezonden om hem de toekomst te onthullen, poogde de boze geest, aan wie de heerschappij was overgedragen over het Perzische rijk, dat de afgoden diende, hem dit te verhinderen en streed 21 dagen met hem, totdat de vorst Michaël de aartsengel Gabriël te hulp kwam en hem van de aanvallen van de boze machten bevrijdde (Daniël 10:13).
Mirabelli als fysiek medium. In de apotheek Assis, Rue 15 de Novembro, no. 9, in Sao Paulo, vlogen in het bijzijn van het medium de ruiten uit de uitstalkasten. Een doodshoofd met beweegbare gewrichten kwam uit het laboratorium, bleef in de lucht zweven, klapte zijn kaken open en dicht, wierp verschillende voorwerpen door elkaar, vloog heen en weer en viel ten slotte op de grond zonder te breken.
Tijdens een bijeenkomst op een nationale feestdag, waarbij het medium en vele andere personen tegenwoordig waren, hoorden deze, evenals mensen uit de omgeving, tromgeroffel en trompetgeschal in marstempo. Gelijktijdig sloegen glazen en flessen, die zich in de zaak bevonden, tegen elkaar zonder menselijke aanraking en brachten volkomen harmonische tonen voort, die met een bewonderenswaardige muzikale techniek een militaire mars weergaven.
Mirabelli speelde biljart zonder de queuen aan te raken. Deze speelden uit zichzelf. Een doodshoofd bewoog zijn kaken; een hoed, die er bovenop werd gezet, ging omhoog alsof hij voor een groet werd afgenomen.
Al deze feiten zijn bevestigd door getuigen, waarvan we de woorden niet in twijfel kunnen trekken. De oorspronkelijke verklaring zegt nadrukkelijk, dat twijfelachtige verschijnselen van vroeger uit het verslag werden weggelaten.
In een seance te Sao Vicente, waarbij een groot aantal deelnemers aanwezig was, deed zich in het bijzijn van de eregasten dr. Mario Alvin en dr. Annibal des Meneses, het volgende voor: Mirabelli zat op een stoel en werd door alle aanwezigen nauwkeurig gadegeslagen. Plotseling bewoog de stoel zich en verschoof met het medium erop van zijn plaats, en wel, zoals nadrukkelijk werd vastgesteld, zonder hulp van de benen van Mirabelli. Deze sloeg zijn ogen ten hemel, spreidde zijn armen uit en scheen in verrukking te zijn. Na enige minuten van stil gebed gaf de stoel weer een hevige ruk en verhief zich enige centimeters van de grond. Onder gespannen aandacht werden de voeten, armen en zijden van het medium bekeken. De stoel verhief zich met het medium steeds hoger de lucht in, zweefde heen en weer en bereikte eindelijk een hoogte van twee meter boven de vloer. De aanwezigen onderzochten direct nogmaals de seancekamer. De opheffing (levitatie) duurde precies 120 seconden. De controleurs volgden de stoel, die zonder steunpunt in de lucht zweefde. Deze bewoog zich in een bepaalde richting voort, was tenslotte 2.30 m van zijn oorspronkelijke plaats verwijderd en daalde toen langzaam naar de grond. Het medium was intussen in trance gekomen en sprak met verschillende geesten. Na zijn ontwaken herinnerde Mirabelli zich niets.
Zoals reeds in het hoofdstuk over de ‘media’ werd gezegd, zijn de fysische verschijnselen in de meeste gevallen het werk van lagere, doch niet altijd boze geesten. Goede geesten lenen zich in het algemeen niet voor proeven, zoals de fysische verschijnselen van Mirabelli, die in de vorige paragraaf werden beschreven. Bij uitzondering nemen zij deel aan zulke dingen, als daaraan een goddelijk doel is verbonden, bijvoorbeeld als aan een naar God zoekend mens een bewijs van het bestaan van geesten aan gene zijde moet worden geleverd.
Mirabelli als apport-medium. Uit de woning Pinto de Queiros te Sao Paulo werd na een voorafgegane aankondiging een revolver, die in een gesloten koffer lag, naar de woning van de heer Watson geapporteerd. Verder werd bij helder daglicht uit de woning van de heer Watson een schilderij naar het kantoor van een verzekeringsmaatschappij geapporteerd. Het was een afstand van verscheiden kilometers. Daar viel het krakend op de grond en verwekte een groot opzien.
Mirabelli bevond zich met verschillende personen op het station da Luz en stond op het punt de trein naar Santos te nemen, toen hij plotseling was verdwenen. Ongeveer vijftien minuten later werd uit Sao Vicente, een stad, 9o km van de Luz verwijderd, getelefoneerd, en bleek dat het medium precies twee minuten na zijn verdwijnen uit Sao Paulo in Sao Vicente aanwezig was.
Bij gelegenheid van een zitting van de commissie van onderzoek ter ere van dr. Enrico de Goes, in aanwezigheid van veel geleerden, verdween Mirabelli uit de seancekamer zonder de touwen, waarmee hij was gebonden te hebben losgemaakt en zonder een verzegeling aan ramen en deuren te verbreken. Men vond het medium in een kamer ernaast op een sofa liggend, nog in trance, en een godsdienstige hymne zingend.
Deze zogenaamde `apporten’ behoren tot het gebied van de dematerialisering en ré-materialisering van de stof. Deze wordt op de ene plaats opgelost en in odvorm omgezet, in deze toestand door muren en gesloten deuren getransporteerd en op een andere plaats weer tot vaste materie verdicht. De bijbel bevat meer dan een van dergelijke voorbeelden. De profeet Habakuk, die over een grote afstand naar Daniel in de leeuwen- kuil werd gebracht; de discipel Philippus, die op een plaats plotseling verdween en op hetzelfde ogenblik in een ver afgelegen stad was, evenals de bevrijding van Petrus uit de gevangenis bij gesloten kerkerdeuren; – dat alles is volgens dezelfde wetten van oplossing en weer verdichting van de materie gebeurd, als bij het medium Mirabelli.
Mirabelli als materialisatie-medium. Het geweldigste op het gebied van materialisatie in onze tijd, zijn de materialisaties, die bij het medium Mirabelli tot stand kwamen.
Het volgende gebeurde op een seance in het laboratorium van de studiecommissie te Santos onder voorzitterschap van de heren dr. Stanislau de Camargo, Alberto Riviera en J. F. Schmid. Talrijke aanzienlijke personen waren aanwezig. Het was 9 uur in de morgen. De proefruimte was tien bij elf meter en lag op de begane grond. De vensters aan de straatzijde waren met ijzeren grendels gesloten. De vloer bestond uit smalle planken, die één voor één werden onderzocht, om te zien of deze niet voor bedrieglijke manipulaties waren ingericht. Alles werd in orde bevonden en er werd vastgesteld, dat men slechts in de kamer kon binnendringen, als men de dikke muren of de daarin aangebrachte deuren zou openbreken.
Mirabelli zat op een stoel. Hij verbleekte als teken, dat de volle trance intrad. Zijn ogen puilden uit; hij draaide, alsof iemand trachtte hem te wurgen, en het zweet brak hem uit. Plotseling klonken van een tafel in de kamer drie slagen en een kinderlijke stem riep : ‘Papa!’- Dr. Ganymed de Souza, een van de aanwezigen, verklaarde diep geroerd, dat hij de stem herkende van zijn dochtertje, dat in de hoofdstad aan de griep was gestorven. Terwijl allen in de hoogste spanning afwachtten, zag men eindelijk opzij van het medium de gedaante van een meisje. De vader, die zichzelf nauwelijks meer meester was, trad uit de kring, riep zijn dochtertje, ging naar haar toe en sloot haar in zijn armen. Snikkend verzekerde dr. de Souza steeds weer, dat hij zijn dochter omarmde, en dat de jurk, die de verschijning droeg, dezelfde was, waarmee men zijn kind had begraven.
Tijdens deze gebeurtenis leek het, alsof Mirabelli in doodsstrijd lag. Hij was ineengekrompen, waskleurig met volkomen ontspannen spieren en zwakke, piepende ademhaling. De pols was nauwelijks te voelen.
Colonel Octavio Viana stond op om zich ook van de werkelijkheid van de verschijning te overtuigen. Ook hij nam de kleine in zijn armen, voelde haar pols, keek in haar diepe ondoorgrondelijke ogen en stelde haar enige vragen, die zij met eentonige, treurige stem, maar verstandig beantwoordde. Viana bevestigde eveneens de echtheid van de verschijning. Dr. de Souza haalde herinneringen op uit de kinderjaren van zijn dochter en kreeg betekenisvolle antwoorden. De verschijning werd gefotografeerd; een afdruk werd aan het verslag van de commissie van onderzoek toegevoegd.
Na de fotografische opname begon het kind in het vertrek te zweven. Het verhief zich in de lucht en dartelde als een vis in het water. De deelnemers waren opgestaan en gingen achter de verschijning aan, die met de hand gemakkelijk was te bereiken. Het medium maakte met zijn onderarmen de bewegingen van het zwevende kind tegelijkertijd mee. Nadat het meisje nog enige seconden in de lucht zwevend was gezien, verdween het plotseling. Bij daglicht had het zich 36 minuten getoond, onder onberispelijke voorwaarden tijdens een bijeenkomst van ontwikkelde mannen, die getuigden, dat zij een volmaakt menselijk wezen vóór zich hadden gezien.
Dr. Ganymed de Souza verloor zijn kind voor de tweede maal, – zo diep had deze gebeurtenis hem aangegrepen. Het protokol van dit voorval is door tien wetenschapsmensen, die daarbij aanwezig waren, ter bevestiging van de echtheid ondertekend.
Nadat het medium de buitengewone zenuwinspanning van het zojuist beschreven fenomeen had overwonnen, bleef het nog lang sidderend en uitgeput. Nog voordat het geheel op krachten was gekomen, kwamen er uit een kast, waarin zich een voor studiedoeleinden bestemde doodskop bevond, hevige slagen. De schedel werd door een onzichtbare kracht woedend heen en weer geslingerd alsof hij zijn gevangenis wilde openbreken. Een van de deelnemers naderde de kast om deze te openen, maar de deuren sprongen plotseling vanzelf open. De doodskop kwam eruit en steeg onder afgrijselijk tandengeklapper de lucht in. Dr. Ganymed de Souza verbaasde zich er in stilte over, dat zich niet ook het bij de kop behorende geraamte vertoonde. Als in antwoord hierop vormden zich dadelijk de halswervels, toen de borstkas en armen, de wervelkolom, de bekkenbeenderen, de benen en tenslotte de voeten met alle beenderen. Het medium, waarvan men beide armen vasthield, spuwt een hoeveelheid schuimig speeksel uit en slaat, op zijn stoel gezeten, woedend zichzelf. Alle slagaderen lijken gezwollen en kloppen hevig. Mirabelli verspreidt een sterke lijkenlucht, die hoogst onaangenaam is voor de aanwezigen en die de lucht in de kamer dermate verpest, dat zelfs frisse lucht deze niet verdrijft. Het geraamte plaatst zich op zijn benen en tracht met onzekere, grote stappen door de kamer te lopen. Dreigt het te vallen, dan brengt het zich zelf weer in evenwicht. Dr. Ganymed de Souza tracht door aanraking zich van de echtheid van de verschijning te overtuigen. Hij beklopt de harde smerige botten, voelt een zenuwschok en keert weer naar zijn plaats terug. Het medium kromt en wendt zich op zijn stoel en is slechts met moeite vast te houden. Het geraamte zet zijn spookachtige rondgang voort. De deelnemers, aangemoedigd door het voorbeeld van dr. Ganymed de Souza, overwinnen hun afschuw, staan de één na de ander op en raken deze sombere belichaming van de dood en van het niets aan. Allen zijn diep geschokt. De lijkenlucht blijft aanhouden. Het geraamte begint langzaam geleidelijk op te lossen, aanvangend bij de voeten, tot ten slotte alleen nog de schedel in de lucht zweeft, die nu niet meer met de kaken klappert, maar op de tafel valt en daar blijft liggen.
Dat gebeurde allemaal om 9:45 uur in de morgen, bij een stralende zon en` een bijna politieachtige controle in tegenwoordigheid van veel ontwikkelde personen en het duurde precies 22 minuten.
Terwijl de aanwezigen nog het pas gebeurde bespraken geraakte het medium opnieuw in een toestand van opwinding en beweerde, in de kamer de gedaante van de bisschop dr. Jose de Camargo Barros te zien, die bij de schipbreuk van de ‘Syrio’ was verongelukt. Het gepraat werd snel afgebroken en Mirabelli werd weer onder de voorgeschreven controle gesteld, door de heren Ataliba de Aranha en Odassio Sampaio. Een zoete rozengeur vulde de kamer. Het medium viel in trance.
Plotseling werd binnen de kring een fijne, lichte nevel gezien, waarnaar iedereen keek. De nevel ging uiteen en verdichtte zich weer, glansde als een gouden wolk, waaruit zich langzaam van minuut tot minuut een gestalte vormde, die zich glimlachend met de bisschoppelijke baret op het hoofd en voorzien van alle kentekenen van zijn waardigheid, van zijn stoel verhief en met luide, voor allen hoorbare stem zijn naam: Dr. Jose de Camargo Barros noemde. De aanwezigen vergewisten zich ervan, dat zij niet het slachtoffer waren van een begoocheling. Dr. Ganymed de Souza stond op, naderde zonder vrees, met enige schreden de verschijning en bleef er tegenover staan. Deze zei niets, glimlachte tegen de onderzoeker, die nu geheel naderbij kwam, de verschijning aanraakte en zorgvuldig beklopte, tegen de tanden sloeg en met de vinger het gehemelte onderzocht om te zien, of er speeksel aanwezig was. Hij beluisterde hart en ademhaling, legde zijn oor op de buik van de bisschop om zich van de werking van de ingewanden te overtuigen, onderzocht de nagels en ogen, waarvan hij de bloedadertjes nog extra bekeek, en keerde op zijn plaats terug. Er viel niet aan te twijfelen – het was een man, die hier verbleef.
De overige toeschouwers volgden het voorbeeld van dr. Ganymed de Souza en tegen allen was de geheimzinnige gast even vriendelijk. Allen waren ervan overtuigd, dat geen lichtzinnig grapje met hen werd uitgehaald, maar dat werkelijk een menselijk wezen met menselijke organen vóór hen stond. De bisschop onderhield zich met de aanwezigen in zuiver Portugees. Tenslotte zei hij : `Let nu goed op, hoe ik verdwijn !’ Hij begaf zich naar de stoel van het medium, dat zich in volle trance bevond. De deelnemers volgden met spanning iedere aparte beweging, opdat het interessantste van het verschijnsel, namelijk de dematerialisatie, hun niet zou ontgaan.
Bij het nog steeds in trance zijnde medium gekomen boog de bisschop zich over Mirabelli, legde zijn handen op Mirabelli’s hoofd en keek een poosje zwijgend naar hem. De aanwezigen vormden een kring om beiden heen. Het gematerialiseerde lichaam van de bisschop kromp meermalen heftig ineen, begon te vervagen en werd steeds kleiner. Het medium, in het koude zweet badend, reutelde luid. De verschijning verkortte zich tot ongeveer 30 cm en verdween toen zo plotseling, dat het niet te beschrijven is. Weer vulde een sterke, zoete rozengeur de ruimte. Mirabelli kwam langzaam tot zichzelf. Het na-onderzoek gaf geen natuurlijke verklaring van het voorgevallene.
In Santos, de zetel der academie, werd een namiddagseance gehouden om half vier. De resultaten van deze seance zijn door zestig handtekeningen bevestigd.
Nadat eerst de gedaante van een vrouw verscheen, die met de aanwezigen babbelde en weer verdween, verhief zich na enkele minuten een klok in de lucht en luidde met heldere, zilveren toon. Mirabelli ontwaakte uit zijn trance en beweerde, naast de tafel een eerbiedwaardige gedaante te zien, die in wit linnen was gekleed en door een schitterende aura was omgeven. De klok in de lucht luidde onophoudelijk. Verschillende terzijde gezeten aanwezigen stonden op en naderden de eigenlijke kring, die werd gevormd door de leden van de commissie van onderzoek. Nu vernam men een geluid, alsof iemand met de hakken hard op de vloer stampte. Toen kondigden de heren overste Soares en dr. Actavio Moreira Colvalcanti de aanwezigheid aan van de gestorven dr. Bezerra de Meneses, die als vooraanstaand ziekenhuisarts nog in de herinnering van hen allen leefde. De verschijning wendde zich tot de aanwezigen, sprak met hen over zichzelf en bevestigde hen zijn tegenwoordigheid. De spraak en de besliste manier van optreden maakte op allen een diepe indruk. De megafoon droeg zijn stem door de gehele ruimte en er gelukten verschillende fotografische opnamen.
De heren dr. Assumpcion en dr. Mendonca naderden nu de omsluierde gedaante en onderwierpen hem aan een nauwkeurig onderzoek, dat vijftien minuten duurde en het bewijs leverde, dat het ging om een anatomisch nauwkeurig gebouwde menselijke gedaante, voorzien van alle natuurlijke organen. Hiervoor staan alle aanwezige geleerden borg met hun naam.
Nadat de belichaamde geest de aanwezigen de hand had gedrukt, kondigde hij zijn verdwijnen aan; hij zweefde als een vliegtuig door de lucht. Eerst verdwenen de voeten, toen de benen, tenslotte het onderlijf. Alleen borst, armen en hoofd waren nog zichtbaar. Dr. Archimedes Mendonca, die evenals de andere aanwezigen het geheuren met grote spanning had gevolgd, naderde de nog aanwezige romp van de materialisatie en greep daarnaar. Toen viel hij als dood op de grond, terwijl de verschijning geheel verdween. Dr. Mendonca kwam in de aangrenzende kamer weer bij. Hij beweerde, een kleverige massa tussen zijn vingers te hebben gevoeld, voordat hij bewusteloos werd.
Mirabelli was na zijn ontwaken zeer uitgeput. Zijn banden, evenals de verzegeling van de deuren en de ramen, bleken onbeschadigd te zijn.
Het verslag van de commissie van onderzoek bevat 34 afbeeldingen, waarvan de eerste drie tonen, wat de voorwaarden waren, waaronder de proef werd genomen, het vastbinden van Mirabelli en de bewaking door de commissie. Buitengewoon merkwaardig is de opname, waarop Mirabelli zich in een wit kostuum temidden van de veertien leden van het onderzoekingscomite bevindt. Zijn onderarmen zijn gedematerialiseerd; links ziet men niets en rechts slechts een lichte schaduw op die plaats. Het interessantste echter zijn de achttien foto’s van de gematerialiseerde geest. Op de meeste foto’s ziet men de gematerialiseerde gedaante met het medium tezamen op de plaat. In enkele gevallen werd de gedaante alleen opgenomen. In sommige gevallen zit de verschijning met het medium en de leiders van de proeven om de tafel en men zou kunnen geloven, dat het ging om een levend mens, die tot de commissie behoorde.
De redactie van het `Zeitschrift für Parapsychologie’ zegt met recht ‘Men heeft tegenover zo’n omvangrijke getuigenverklaring en zo’n grondig geleid onderzoek niet het recht, dit nieuwe geweldige document over de echtheid van mediamieke verschijningen eenvoudig te negeren.’
Als wij het verslag over de opgetreden verschijnselen bij het medium Mirabelli aan de hand van de odwetten, die in dit boek worden beschreven, nog eens nagaan, zal ons alles begrijpelijk worden. Alles gebeurt volgens onveranderlijke wetten, of de verschijnselen nu plaats hebben in Europa, in Amerika of in een ander deel van de wereld en of ze nu worden gemeld uit de vroegere of de tegenwoordige tijd. Het verschijnen van de drie mannen bij Abraham, de materialisatie van de engel Raphaël bij Tobias, de belichaming van Christus na Zijn opstanding en ontelbare andere geestenbelichamingen kwamen volgens dezelfde wetten tot stand als de hier beschreven materialisaties bij Mirabelli. Het enige verschil tussen de eerstgenoemde materialisaties en die bij Mirabelli is dat bij de materialisaties van de hoge geesten van God ons de odbron niet is aangegeven, terwijl bij de materialisaties, die in Brazilië plaatsvonden, Mirabelli als medium de hoofdbron van het od vormde, terwijl van de seancedeelnemers de meesten zo mediamiek waren aangelegd, dat zij als hulpmedia zonder trancetoestand toch od afstonden. Op een andere plaats is op het belangrijke feit gewezen, dat de hoge geesten, als zij in opdracht van God aan de mensen mededelingen moeten doen, het benodigde od in onbeperkte mate ter beschikking wordt gesteld, zodat zij niet zijn aangewezen op media. Maar de wetten zijn steeds dezelfde.
Het spreken en schrijven van Mirabelli in de vele vreemde talen en over uiteenlopende onderwerpen is het werk van de verschillende geesten, die Mirabelli alleen als werktuig gebruiken. De ‘apporten’ komen tot stand, doordat de geestenwereld met behulp van de odkracht van het medium de krachtstromen voortbrengt, die voor de oplossing van de materie en haar wederverdichting nodig zijn. De materialisering en dematerialisering van de geesten vindt plaats door de toepassing van dezelfde krachtstromen en door het gebruik van het od van het medium en zijn lichamelijke materie. In het Duitse uittreksel van het Braziliaanse verslag is helaas niet vermeld, hoe groot het gewichtsverlies van het medium tijdens de materialisatie van de geesten was. De verdovende schokken, die zij kregen, die het fantoom tijdens de oplossing aanraakten, kwamen van de odische krachtstromen, die de oplossing bewerkten. Dezelfde uitwerking van de krachtstromen zouden zij ondervonden hebben, die gepoogd zouden hebben de zich vormende materialisaties aan te raken. Bij de voltooide materialisatie zijn deze stromen uitgeschakeld en de aanraking ervan heeft geen nadelige gevolgen.
Dat bij de gematerialiseerde geesten alle organen van het menselijk lichaam aanwezig zijn, komt doordat de geest deze organen geestelijk bezit. Hij behoeft ze met behulp van het menselijke od slechts voor zover nodig is te verdichten, om ze in de stoffelijke vorm van een menselijk lichaam zichtbaar te maken. Hetzelfde voorval voltrok zich toch ook bij Mirabelli zelf, toen hij uit de seancekamer door de afgesloten deuren verdween en naderhand in een ander vertrek lag. Het verdwijnen uit de afgesloten ruimte was slechts mogelijk, doordat zijn stoffelijke lichaam tot een odlichaam werd opgelost. Dit odlichaam werd dan in die andere kamer weer tot een vast lichaam gematerialiseerd op dezelfde wijze en volgens dezelfde wetten, als bij de gematerialiseerde geesten de belichaming tot stand kwam.
De heerlijke geur van het od van hoge geesten in tegenstelling tot de lijkenlucht van de gematerialiseerde lage geesten is door wat bij de leer van het od over de odgeur werd gezegd voldoende duidelijk.

Helderziendheid aan een sterfbed. (Zeitschrift für Parapsychologie, Jaargang 1927. Blz. 475-476). Een man uit San Fransisco deelt mede, wat hij aan het sterfbed van zijn vrouw 5 uur lang heeft gezien. Hier volgt zijn beschrijving:
`Was ik het slachtoffer van een zinsbegoocheling, of was ik plotseling helderziend geworden in de laatste vijf uren, die aan de dood van mijn vrouw voorafgingen? Dit is voor mij thans een vraag, waarop ik wel nooit een bevredigend antwoord zal krijgen.’
‘Voordat ik deze gebeurtenis ga beschrijven, wil ik in het belang van de lezer beslist vooropstellen dat ik noch alcoholische dranken, noch cocaine of morfine gebruik. Ook ben ik geenszins zenuwachtig of een fantast. Veeleer geld ik als koelbloedig, rustig en bezonnen en sta ik ongelovig tegenover alles, wat men spiritisme noemt.’
`Al mijn vrienden weten, dat mijn vrouw op vrijdag 23 mei 1902 om kwart voor twaalf ’s nachts is gestorven. Om haar heen waren enige van mijn vertrouwdste vrienden en de dokter, die haar behandelde, met twee bekwame ziekenverpleegsters. Met de rechterhand van de zieke in de mijne, zat ik aan de zijkant van het ziekbed. Zo verliepen twee uur en er was nog geen verandering ingetreden. De bediende nodigde allen uit te komen eten, maar niemand was geneigd hieraan gehoor te geven. Tegen half zeven drong ik er op aan, dat de aanwezigen aan tafel zouden gaan, omdat men er niet zeker van was, hoe lang de nachtwake nog zou kunnen duren. Allen verlieten nu het vertrek.’
`Een kwartier later keek ik toevallig naar de deur en merkte, dat drie gescheiden, maar duidelijk zichtbare wolkenlagen de kamer binnen dreven. Iedere wolk scheen een afmeting van ongeveer vier voet in de lengte te hebben, zes tot acht duim in de breedte, en de onderste was twee voet van de vloer verwijderd. De andere schenen zich met tussenruimten van ongeveer zes duim te bewegen.’
‘Mijn eerste gedachte was, dat enige vrienden vóór de slaapkamer sigaren hadden staan roken, en dat de rookwolken nu de kamer binnendrongen. Met deze gedachte sprong ik op om hun mijn misnoegen hierover kenbaar te maken. Maar er stond niemand bij de deur, noch was er iemand te zien in de gang of in de kamer er naast.’
‘Ik was zeer verbaasd en keek naar de wolken. Deze naderden langzaam het bed, totdat zij dit geheel hadden omhuld. Toen ik in de nevel staarde zag ik bij het hoofd van mijn stervende vrouw een vrouwelijke gedaante van ongeveer drie voet hoog, doorzichtig, maar als een heldere schijn van lichtend goud… een vrouwengedaante, zó verheven van aanblik, dat mijn woorden tekort schieten om haar juister te omschrijven. Ze was gehuld in een Grieks gewaad met lange, los afhangende mouwen ; op haar hoofd een stralende kroon. Zo stond de gedaante in haar volle glans en schoonheid, onbeweeglijk, haar handen opgeheven boven mijn vrouw. Zij scheen haar als het ware welkom te heten met een opgewekt, kalm gelaat, en waardige rust en vrede uitstralend. Twee andere gedaanten in het wit knielden naast mijn vrouw en leunden ogenschijnlijk tegen haar aan. Andere gedaanten, meer of minder duidelijk zweefden boven het bed.’
`Boven mijn vrouw, door een band met haar verbonden, zweefde een onbeklede, witte gedaante, schijnbaar haar odlichaam. Nu en dan hield de op die wijze verbonden persoon zich volkomen rustig. Toen schrompelde zij ineen totdat zij niet groter dan achttien duim was. Het odlichaam was geheel volledig, compleet met volmaakt gevormde armen en benen. Terwijl het odlichaam in omvang afnam, wendde het zich telkens heen en weer, sloeg met armen en benen om zich heen, vermoedelijk met de bedoeling om zich vrij te maken en te ontkomen. Het wendde zich zö lang heen en weer, totdat het geen kracht meer scheen te hebben. Toen werd het rustig, werd weer wat groter, om hetzelfde spel opnieuw te laten beginnen.’
‘Dit visioen, of wat het ook mocht zijn, heb ik steeds gedurende die vijf uur gehad, die aan het sterven van mijn vrouw voorafgingen. Onderbrekingen, bijvoorbeeld als ik met mijn vrienden sprak, mijn ogen sloot en mijn hoofd afwendde, vermochten het lichtverschijnsel niet in het minst te beïnvloeden. Want zodra ik mijn blik weer op het sterfbed richtte, was ook de geestverschijning te zien. Deze volle vijf uren voelde ik me zeldzaam bedrukt. Een zware last drukte op mijn hoofd en mijn ledematen. Mijn ogen waren zwaar en slaperig. En gedurende deze tijd waren mijn ondervindingen zo vreemd, de verschijningen zo bestendig en levendig, dat ik geloofde mijn verstand te verliezen. En meermalen zei ik tegen de dokter: “Dokter, ik verlies mijn verstand.”
‘Eindelijk kwam het noodlottige ogenblik. Een hijgen … het odlichaam wendde zich heen en weer… mijn vrouw hield op te ademen. Het leek alsof zij nu dood was. Enige ogenblikken later echter begon zij opnieuw te ademen, tweemaal – en toen was alles stil. Met haar laatste ademtocht was de verbindingsband plotseling verbroken en het odlichaam verdwenen. De wolken en geestengedaanten verdwenen ook ogenblikkelijk en merkwaardig, het zware gevoel, dat mij zo gedrukt had, was opeens van mij geweken. Ik was weer mijzelf, koelbloedig, rustig en bezonnen, en vanaf het ogenblik van het overlijden in staat om alle voorbereidingen te treffen voor het verzorgen van het aardse lichaam en voor de begrafenis.
Ik moet thans aan mijn lezers overlaten, erover te oordelen, òf ik het slachtoffer was van een zinsbegoocheling, tengevolge van verdriet, hartzeer of uitputting, òf dat mijn sterfelijke ogen toch een glimp uit die geestelijke wereld met haar schoonheid, gelukzaligheid, rust en vrede werden gegund.’
De hier beschreven belevenissen aan het sterfbed waren geen zinsbegoocheling, maar werkelijkheid. Het aanschouwen van de geestelijke gedaanten door de echtgenoot van de stervende hing af van twee voorwaarden.
Ten eerste moest de echtgenoot de mediamieke aanleg van het helderzien bezitten, al was deze ook nog onvolledig bij hem ontwikkeld. Verder moest er zoveel od in de kamer voorhanden zijn, dat de geestelijke wezens hun gedaanten daarmee zichtbaar konden maken.
Als odbron kwam bovenal de stervende zelf in aanmerking, want bij het sterven komt het od van het lichaam vrij. Maar ook de echtgenoot van de stervende gaf door zijn mediamieke aanleg odkracht af. Het drukkende gevoel, de slaperigheid en moeheid, die gedurende die uren op hem rustten, kwamen door zijn odafgave en verdwenen daarom weer, toen na het beëindigen van de geestenverschijning het door hem afgegeven od weer in zijn lichaam terugvloeide.
Ook hier was het od in de vorm van odwolken zichtbaar, die het gehele sterfbed omhulden. Daaruit bouwden zich toen de gedaanten van de geestelijke wezens op. Dat hij niet alle geesten, die boven het bed zweef- den, duidelijk kon,zien, kwam, doordat het aanwezige odmengsel niet genoeg was om alle aanwezige geesten even duidelijk te laten verschijnen.
Bij iedere stervende zijn geesten van gene zijde aanwezig. Meestal zijn het gestorven familieleden en vrienden ; bovendien die geesten, die gedurende zijn leven zijn beschermers en leiders waren.
Veel stervenden nemen deze geesten ook helderziend waar, want de geest van de stervenden is in de laatste uren al gedeeltelijk van het lichaam losgemaakt en daardoor tot een geestelijk zien in staat. Hij of zij herkent dan de gedaanten van de eerder gestorvenen, die nu bij het sterven aanwezig zijn, en noemt hen bij hun namen.
Deze geesten hebben niet alleen de taak om de stervende naar gene zijde te brengen, maar zijn ook behulpzaam bij het losmaken van de geest uit het lichaam van de stervende.
Overal, waar een aantal geesten voor een bepaald doel verschijnen, hebben zij een leider, die boven hen is gesteld. In ons geval was de geestelijke leider die prachtige vrouwengestalte, die de echtgenoot boven het bed van zijn stervende vrouw zag zweven. Zij leidde het werk, dat de aan haar ondergeschikte geesten bij de stervende moesten verrichten.
De witte, naakte gedaante, die de man boven het lichaam van zijn stervende vrouw heen en weer zag bewegen, was haar odlichaam. Het heen en weer bewegen van deze odgedaante, die in alles het evenbeeld van de stervende was, werd veroorzaakt door de inspanning van de geest van de stervende in het omhulsel van het odlichaam om de odband stuk te trekken, die haar nog met het stoffelijke lichaam verbond, nadat de rest van het odlichaam zich reeds had losgemaakt. Ook de echtgenoot zag deze band duidelijk. De odband heeft natuurlijkerwijze een grote hechtheid en kan niet gemakkelijk worden stukgescheurd.
Bijzondere gevallen van helderziendheid (Zeitschrift für Parapsychologie, Jaargang 1926, blz. 22-25). In een artikel van het zojuist genoemde tijdschrift bespreekt prof. dr. Oesterreich enige gevallen van helderziendheid, die de in Mexico levende arts Pagenstecher bij een patiente, Maria Reyes de Z., heeft vastgesteld, en die ook door de Amerikaan Prince aan een na-onderzoek werden onderworpen en door hem werden bevestigd. Prof. Oesterreich schrijft daarover:
`De verschijnselen, die Pagenstecher en Prince bestudeerden, waren in de eerste plaats helderziendheid en psychometrie. De in deze richting ingestelde onderzoeken hadden een volkomen overtuigend resultaat. Slechts door hun opvallende karakter is het ook begrijpelijk, dat Pagenstecher, die uit materialistische kringen is voortgekomen van het bestaan van zulke verschijnselen door eigen waarneming werd overtuigd. Hij heeft toen op een dag voor de Mexicaanse artsenkring van zijn ervaringen verteld. Zijn collega’s schudden het hoofd en velen begonnen aan zijn geestelijke gezondheid te twijfelen. Er werd intussen een commissie gevormd en haar leden hebben de waarnemingen van Pagenstecher als juist erkend.
Wat zijn nu de feiten, die bij de helderziende of beter gezegd, heldervoelende Maria Reyes de Z. werden vastgesteld?
a. Zij had in een bepaalde toestand dezelfde gewaarwordingen, die de tegenover haar zittende Pagenstecher had. Zij had dan het gevoel, alsof zij zich in zijn organisme bevond. Dit was echter alleen het geval, als Pagenstecher niet verder dan drie meter van haar af zat of stond.
b. Zij zag daarbij een veelkleurige straling en een lichtende band, die haar met Pagenstecher verbond.
c. Toen men haar een meteoorsteen had gegeven, had zij de gewaar- wording, nu eens door koudere, dan weer door warmere streken van het wereldruim te vliegen en in onmetelijke diepten te vallen.
d. Er werd haar een Brief in de hand gegeven. Zij wist niet, wie de briefschrijver was, maar ondervond, zag en beschreef de gebeurtenissen bij de ondergang van een schip en beschreef de persoonlijkheid van de briefschrijver, alsof zij op het zinkende schip tegenover hem stond. Ook had zij de gewaarwording van het zinken en weer opduiken uit de zee. De brief was in een fles gepost uit zee opgevist.’
De verklaring van deze gebeurtenissen is vervat in wat er in het hoofdstuk over de wet van de odkracht werd gezegd:
Het od is niet alleen de drager van het lichamelijke gevoel, maar ook van alle gevoelens van de geest. Aangezien de geest van een levend wezen de drager van de odkracht is, uiten alle gedachten en gevoelens van de geest zich in overeenkomstige trillingen van het od. Toch worden de odtrillingen van een levend wezen niet alleen door de gedachten en stemmingen van de eigen geest beïnvloedt, maar ook door de odtrillingen van een ander levend wezen, wiens odstraling het in zich opneemt. Als daarom zogenaarnd ‘heldervoelende’ mensen met de odstraling van een andern in voldoende aanraking komen, nemen zij ook de gewaarwordingen van de ander in zich op. Op deze wet berust het ‘zich-invoelen’ in de gevoelens, het karakter, de gezindheid en het lot van een ander.
Als dus de `heldervoelende’ vrouw de gewaarwordingen van Pagenstecher aanvoelde, alsof zij zich in het organisme van Pagenstecher bevond, dan was de odstraling van Pagenstecher de bemiddelaar van deze gevoelens. De odstraling van Pagenstecher had slechts een werkingssfeer van 3 m. Bij een grotere afstand was deze niet krachtig genoeg meer om de odtrillingen van de `heldervoelende’ vrouw te beinvloeden. De heldervoelende personen bevinden zich in zulke gevallen in een half-trance-achtige toestand, waarin de geest zich iets van het lichaam losmaakt.
De kleurige odband, die de vrouw tussen zichzelf en Pagenstecher zag, was de op haar overgaande odstraling. Dat federe odstraling een kleur heeft, is eveneens in de odleer vermeld. Want ook de kleur hangt af van de odtrillingen, evenals de tonen, de reuk, de smaak, het tastgevoel en alle andere uitingen van het leven, waarvan de geest steeds de drager is. Dit alles Staat met elkaar in het nauwste verband.
Ook de meteoor is een levend wezen, waarin zich zoals in alles wat bestaat, een geest bevindt. Daarom heeft ook de meteoor zijn eigen odtrillingen, die op zijn vlucht door het wereldruim worden beinvloed door de odstralingen van de andere, zich in het wereldruim bevindende wereld- lichamen, en eveneens door het vallen in onmetelijke diepten. Alle odtrillingen van een levend wezen laten in het od dezelfde indrukken achter, die de trillingen van de tonen van een zanger uitoefenen op een grammofoonplaat, zodat deze naderhand steeds weer ten gehore kunnen worden gebracht.
Hetzelfde geval, dat zich bij de fonografische plaat in meer materiele vorm voordoet, is op geestelijke wijze aanwezig bij het aanvoelen van gebeurtenissen door helderaanvoelende personen, zodra zij met de geestelijke odplaat van een levend wezen in voldoend sterk contact komen en daardoor in hun eigen od dezelfde trillingen en dus ook dezelfde gevoelens worden opgewekt, die in die odplaat zijn vastgelegd. Daarmee is ook het zien van het noodlot en van de persoonlijkheid van die briefschrijver op het zinkende schip door het heldervoelende medium van Pagenstecher verklaard. Nu moet nog ter opheldering hieraan worden toegevoegd, dat die geestelijke odplaat niet zonder meer op een fonografische plaat gelijkt, maar zich tegelijkertijd ook als een fotografische plaat gedraagt. Dus worden niet alleen de gevoelens weergegeven, maar ook het beeld van de persoon, van wie de odstraling uitgaat. Want ook het beeld berust op trillingen van het od. Op dezelfde manier proberen de meest recente uitvindingen het ons mogelijk te maken de mensen te zien, waarmee we telefoneren. Ook dit berust op de odtrillingen, die bij de aardse gebeurtenissen zich voltrekken in meer stoffelijke verdichting en bij de geestelijke gebeurtenissen in geestelijke vorm.
Bij Pagenstecher en zijn heldervoelend medium werd bij de proefnemingen een gewichtsafname vastgesteld van gemiddeld ioo gram. Ook dat is gemakkelijk te verklaren, want iedere afgave van od gaat met een gewichtsverlies gepaard. Bij Pagenstecher werd het gewichtsverlies veroorzaakt, doordat hij een grotere hoeveelheid od op zijn medium uitstraalde, en het medium zelf onderging een overeenkomstig odverlies doordat het de ontvangen indrukken geestelijk verwerkte en deze vorm gaf. Elke arbeid, ook geestelijke, gaat met een bepaald odverbruik gepaard. Zo hebben wij toch ook bij het weergeven van het geluid door een fonografische plaat een zekere krachtstroom nodig, die de plaat snel genoeg doet draaien om de tonen weer te geven.
Zo’n gewichtsverlies als gevolg van odafgave kan bij alle menselijke arbeid worden vastgesteld. Wie zich vóór het werk weegt en na afloop daarvan weer, zal een grotere of geringere gewichtsafname vinden afhankelijk van de grotere of geringere inspanning bij de lichamelijke of geestelijke arbeid, zelfs als gedurende het werk geen enkele lichamelijke stofafgifte heeft plaatsgevonden. Ook de magnetiseurs, die door het magnetiseren van een zieke van hun od afgeven, ondergaan daardoor evenredige gewichtsverliezen.
De verklaring van alle verschijnselen van het helderaanvoelen is in het bovenstaande opgenomen, al treden die ook op nog zoveel verschillende wijzen op.