Het geestenverkeer in de Na-apostolische tijd

I  De citaten in dit hoofdstuk zijn ontleend aan het boek van Weinel: Die Wirkungen des Geistes und der Geisten im nachapostolischen Zeitalter bis auf Irenaens. Verlag von J. C. B. Mohr, Freiburg im Breisgau. – Waar ik dus in het vervolg Weinel aanhaal, is dit boek bedoeld.

 

Is er eenmaal iets, waarvan men zou kunnen zeggen: Zie, dat is iets nieuws!’ – dan is het er toch reeds lang geweest in de achter ons liggende tijdvakken (Prediker 1: 10).

Bij het intreden van het Christendom in de wereld van het heidendom ontspon zich een hevige strijd. Bij deze strijd op leven en dood was het de algemene overtuiging van de christenen van de na-apostolische tijd, dat de machten van de boze geesten de werkelijke heersers van het gehele heidendom waren en dat de weredlijke machthebbers en hun onderdanen slechts de menselijke werktuigen vormden van die boze machten. De hel zag haar vroegere heerschappij over de mensheid door de goede geestenwereld, die zich in het christendom openbaarde, bedreigd. ‘Het betrof hier een strijd met een hogere Heer dan de keizer in Rome, met sterkere machten dan zijn stadhouders en beambten. De kracht van deze machten was er reeds, toen er nog geen romeins rijk bestond. Zij strekte zich ook uit tot in de donkere gebieden van het rijk, waar romeins bestuur slechts in naam bestond. Zij rijkte tot in de mensenharten en hun gedachten, die aan geen bestuur onderworpen zijn.’
‘Het leven van de staat, alsook van de enkelingen, was onverbrekelijk verbonden met deze geestenwereld van gene zijde, die de heidenen goden, heroën of demonen noemden. Het speelde zich af onder hun bescherming. Een groot deel van het openbare leven van offers en feesten was als eerbetoon aan hen gewijd’ (Weinel : blz. 2 en 3).
Ofschoon de afgodsbeelden uiterlijk dood waren, was men ervan overtuigd, dat achter die beelden van steen en hout werkelijke geesten leefden, die zich openbaarden. Van hen zegt de christen en martelaar Justinus `Die beelden hebben de gedaante en dragen de namen van de siechte demonen, die er vroeger waren.’ Het waren deze demonen, die door de heidenen werden vereerd. `In vroegere tijden verschenen de demonen (in menselijke media), pleegden overspel met vrouwen en schanddaden met knapen, en toonden de mensen schrikbeelden, zodat zij, die dit niet begrepen, zeer angstig werden; zij noemden hen goden en gaven hun de naam, die iedere demon zichzelf gaf. Zij deden dit door angst gedreven, omdat zij niet wisten, dat het boze demonen waren’ (Justinus 1: 5, 2).

Maar niet alleen in het verre verleden waren de boze geesten werkzaam, want de christenen van de eerste eeuwen waren dagelijks getuige van de openbaringen van deze geesten.
Er waren in de eerste plaats velerlei ziekten, waarbij een andere geest dan die van de zieke door de lijders sprak en handelde. De waanzinnige had een demon in zich. De hysterici en epileptici waren bezeten. Dat was het algemene volksgeloof bij joden, heidenen en christenen.

Deze onzichtbare geesten spraken ook door menselijke media. De christelijke schrijver Tatianus beschrijft een vrouwelijk medium van Apollo met de volgende woorden : ‘Nadat zij water heeft gedronken, geraakt zij in razernij en door wierook komt zij buiten zichzelf, en je meent dat zij waarzegt’ (Tatian. 19 blz. 86). Razen is steeds een teken, dat een lage geest bezit heeft genomen van een medium. De hoge geesten openbaren zich rustig en in vrede.
Het razen van de Baäl-priesters volgens de bijbel, de razende bewegingen van de bacchanten bij de afgoden-feesten van de romeinen en grieken, de dansende derwisjen van onze tijd, evenals het grote aantal dergelijke verschijnselen bij de hedendaagse media zijn door de inwerking van boze geesten te verklaren.
Die geesten konden ook door de helderzienden uit die tijden worden gezien. Mensen, die de gave van helderziendheid of andere mediamieke eigenschappen hadden, waardoor zij met de geestenwereld in verbinding konden treden, noemde men in die dagen ‘pneumatici’. Dit woord is afgeleid van het griekse woord ‘pneuma’, dat ‘geest’ betekent. In onze tijd, waarin men niets meer van de wetten betreffende het geestenverkeer weet, geeft men aan het woord ‘pneumaticus’ de betekenis van ‘geestelijk begaafde’ en wekt daardoor de indruk, alsof de eigen geest van zulke mensen de oorzaak van wonderbaarlijke bekwaamheden is. In werkelijkheid waren echter de ‘pneumatici’ òf volslagen ‘medium’ òf mensen met een mediamieke aanleg, òf zij die de gave van de helderziendheid of helderhorendheid bezaten. Dus niet alleen zij waren ‘pneumatici’, die met de goede geestenwereld in aanraking kwamen, maar ook zij, die met de boze geestenwereld in verbinding stonden. De wetten volgens welke deze verbinding tot stand kwam, waren immers in beide gevallen dezelfde.
De demonen zijn ook zichtbaar voor de mensen, aan wie zij zich vertonen, opdat men zal geloven, dat ze een grote macht vertegenwoordigen. ‘Hun etherische en vuurachtige lichamen worden gemakkelijk en vaak gezien, hoewel stellig alleen door de `pneumatici’ ; maar het feit, dat men ze ziet en zelfs vaak ziet, staat vast.’ – zegt Tatianus (Or. 15 blz. 70).
De hier vermelde etherische- en vuurachtige lichamen van de demonen, zijn de odlichamen. Alle geesten bezitten die. Alleen is hun uiterlijk bij de afzonderlijke geesten verschillend, afhankelijk van de sfeer, waarin de geest zich bevindt.
Ook spraken de afgodsbeelden zelf en deden wonderen. Dat konden ook de christenen niet loochenen, omdat dit feit algemeen bekend was. Juist hieruit leidden de heidenen hun overtuiging af, dat de afgoden, die zij vereerden, levende geesten waren, die over een grote kracht beschikten. Zij zeiden : ‘Hoe komt het, dat sommige beelden wonderen verrichten, als het geen goden zijn, voor wie wij beelden oprichten? Het is toch niet waarschijnlijk, dat die levenloze, onbeweeglijke beelden zelf kracht kunnen ontwikkelen, zonder dat iemand ze beweegt? De christen Athenagoras antwoordt hierop: ‘Dat in sommige plaatsen, steden en landen in naam van de beelden wonderen geschieden, ontkennen ook wij, christenen niet. Alleen beschouwen wij ze niet als goden’ (Athenagoras leg. 23 blz. 116). Van een beeld van een zekere Neryllinus in Troas verhaalt hij : ‘Men gelooft, dat zij waarzegt en zieken geneest. De inwoners van Troas brengen haar daarom offers en versieren haar met goud en kransen. Eveneens zou in Parion een van de beelden van Alexander en Proteus, waarzeggen ; aan het andere echter, dat van Alexander, brengt men op staatskosten offers en feesten als aan een god, die tot hem gerichte gebeden kan koren. Athenagoras loochent deze handelingen niet. Alleen zegt hij, dat degenen, die ze tot stand brengen, boze geesten zijn.’
‘Zo beleefde en ondervond men de verschijnselen, en daardoor ook het bewijs van het bestaan van een geheimzinnige wereld van geestelijke wezens achter de dingen van deze wereld. Deze geestelijke wezens waren machtiger, wijzer, maar ook onbarmhartiger dan de mensen. Achter en boven het romeinse rijk verhief zich het rijk van hem die de ware heerser der wereld was, – Zeus, of de duivel. En juist in dit romeinse rijk, waarvan de leidende kringen zo’n heftige tegenstand boden aan het Christendom, scheen dat geestenrijk zich zijn machtigste bolwerk te hebben geschapen’ (Weinel: blz. 12).
Met ontzetting ondervonden de christenen aan den lijve de daden van de onzichtbare machthebber van de wereld en van zijn werktuigen.
En wat was het doel van de duivel en zijn demonen van al die aanvallen tegen de christenen? Hij wilde ze weglokken van God naar de dwaling van de veelgoderij. Hij wilde ze wegrukken uit hun geestelijke leven en in de geestelijke dood storten. ‘Want niets anders streven de zogenaamde demonen na, dan de mensen weg te voeren van hun God en Schepper en Zijn eerstgeborene, Christus. En zij, die zich niet boven het aardse konden verheffen, werden door hen aan aardse, door mensen gemaakte dingen gebonden (beelden), en dat gebeurt nog’ (Justinus 1, 58). `De demonen hebben dit bereikt doordat zij door het uitvinden van mythen en mysterien God’s heilsplan voor de mensheid hebben nageaapt. Zij hebben degenen, die naar gemeenschap met God zochten, door hun voortbrengselen een aangenaam maar zielbedervend surrogaat van de ware openbaring verschaft’ (Justinus 1, 56).
De boze geesten, die op de afgodenfeesten door de afgodsbeelden spraken, brachten de voor menselijke oren waarneembare stemmen voort, doordat ze het od, dat tot hun beschikking stond, gebruikten voor het ontstaan van de zogenaamde ‘directe stem’. Het was inderdaad een nabootsen van het spreken van God door de odwolk boven de ark des verbonds in de tabernakel. Want die kwam eveneens als ‘directe stem’, zoals in mijn vroegere betogen uitvoerig is uiteengezet. En zoals bij het spreken door God de benodigde odwolk door het od van het offerbloed en het branden van wierook werd verkregen, was ook het bloed van de heidense afgodenoffers en het daarbij toegepaste wierookbranden de odbron voor de ‘directe stemmen’ van boze geesten.
Door het grote gevaar, dat de christenen voortdurend door de duivel en zijn leger bedreigde, was er een wijdverspreide angst voor deze duistere machten. Het ging niet om schaduwen of fantasie, zoals de meeste moderne mensen denken, ook niet om het taai vasthouden aan onbewezen leerstelsels, zoals de thans levende christenen in hun godsdiensten die hebben ; maar de kwade geesten waren levende, zich dagelijks openbarende machten, die bij federe stap geheimzinnig, maar krachtig werkend in het leven ingrepen (Weinel : blz. 24).
‘Wij moeten ons de gewaarwordingen van een christen indenken als in het huis, waarin hij leeft, de “laren en penaten” (de beeltenissen van de afgoden) hem van de wanden aanstaren ; hoe op straten en pleinen die beeltenissen hem schijnen te bedreigen; en ons voorstellen hoe hij voorbij de tempels gaat, waar in het donkere verblijf achter de lichtende zuilenrijen de geheimzinnige machten hun werk verrichten, waarbij zij scharen van mensen tot zich trekken. Veel van deze beelden in hun afschuwelijke gedaanten van wonderlijk groteske combinatie van mensen – en dierenlichamen stootten af, maar vervulden hen die wisten dat erachter een persoonlijke geestenmacht levend en werkzaam was, toch met afschüw. Nog veel gevaarlijker echter waren de demonen, als zij de zacht glanzende marmeren beelden leven inbliezen, als de prachtige lichamen van de Griekse goden en godinnen tot zinnenverlokkende betovering werden, waardoor de duivelen de mensen knechtten. De christen erkende met afgrijzen dat al deze levensvolle schoonheid van God was gestolen, om ze voor zondige doeleinden te gebruiken; dat alle statigheid, die de godengestalten omgaf, een roof van God’s heerlijkheid en van Zijn heerschappij over de mensenharten inhield.’
`En als de christen dan bij familiefeesten, bij de feesten van stad en provincie vol afschuw de ontzettende macht van de afvalligheid van God ontwaarde; als hij zag, hoe bij zulke feesten de ergste schanddaden van de demonen en heroën zich op het toneel afspeelden, hoe de hartstochten van de mensen en de goden hebzucht, haat, wraakzucht en zinnelijke liefde en wat daaruit volgt: oorlog, moord en echtbreuk, zich afspeelde voor de ogen van oud en jong, van rijpen en onrijpen, met verleidende tovermacht, dan ging er een rilling van verachting en haat door zijn hart tegen hen, die de zielen van de mensen door hun goochelarijen en schrikbeelden van de ware God en zijn eeuwige goedheid en reinheid hadden weggelokt.’
‘Gelukkig de christen, die deze gewaarwordingen alleen maar kende. Maar als de schoonheid van de beelden en van de mensen, de zinnenprikkeling van de schouwspelen hem in het hart sloop, wanneer bij de gevechten van de gladiatoren de in de mensen sluimerende bloeddorstigheid ook in hem ontwaakte, dan hoorde hij met schrik en ontzetting dezelfde duistere machten uit de opwellingen van zijn eigen driftleven tot zich spreken, nu eens met zoet gevlei, dan weer met wild gelok. Het was niet alleen in zijn verbeelding dat hij die stemmen hoorde. Hoe meer hij zichzelf gadesloeg, des te meer verdiepte hij zich in het beleven van deze geestenwereld, en hoe meer hij “pneumaticus” werd, des te duidelijker en vaker hoorde hij deze stemmen, zelfs zag hij de gestalten van de boze geesten in levende lijve en beleefde hij lichamelijk hun pijnigende tegenwoordigheid.’
`En bleef hij zijn God trouw, dan wachtte hem waarschijnlijk het ergste. In die tijd van vervolgingen ontplooiden Satan en zijn geesten hun hoogste macht. Met afschuw en bange ontzetting vernam hij dan door het leed, zijn vrienden aangedaan, “hoe wreed en onbarmhartig deze machtige vijanden waren, of hij ondervond dit aan de folterende pijnigingen die zijn eigen gemartelde lichaam verscheurden”‘ (Weinel: blz. 24 en 25).
Welke kracht nu stelde de christenen in staat de boze geestenmachten te overwinnen? De christenen zelf antwoorden ons: Het is een heilige geest, een geest van God, die ons die kracht geeft. De geesten van God kwamen op dezelfde wijze tot hen, als tot de eerste christelijke gemeenten. Zo zegt Justinus over de christenen van zijn tijd: ‘Zij ontvangen gaven, een ieder naar zijn waardigheid, verlicht door de naam van Christus. Want de ene ontvangt een geest van het inzicht, de andere een raadgevende geest, de derde een geest der kracht, weer een ander een geest voor genezing, nog een ander een geest van vooruitzien, deze een geest voor onderricht, een ander een geest van vroomheid’ (Justinus : Dial. 39 blz. 132). Er zijn onder ons vrouwen en mannen, die genadegaven hebben ontvangen van een geest van God’ (Justinus: Dial. 88 blz. 318).
In zijn gesprek met de jood Tryphan zegt Justinus: Bij ons zijn tot op heden nog profetische gaven aanwezig, waaruit blijkt, dat wat in uw geslacht in oude tijden aanwezig was, thans tot ons kwam. En zoals er ook valse profeten leefden in die tijden van de heilige profeten, zo zijn er ook thans bij ons valse leraren’ (Justinus, Dial. 82 blz. 296).
Tegen hen, die de openbaringen van God’s geesten uit de godsdienst wilden verbannen, treedt Irenaeus op. Hij brengt het standpunt onder woorden van de gehele christelijke kerk uit die tijd als hij tegen de gods- dienstgemeenschap van de Alogians zegt: ‘Zij vernietigen de gave van de geest, welke in de eindtijd volgens de wil van de Vader over het gehele mensengeslacht is uitgestort. Zij willen die vorm van het evangelie niet aanvaarden, die in het Johannes-evangelie is beschreven, waarin de Heer heeft beloofd, de geestenwereld te zenden. En zij verwerpen zowel het evangelie als de profetische geest.
Als Irenaeus de uitdrukking ‘eindtijd’ gebruikt, dan bedoelden de christenen daarmee de tijd vanaf het verschijnen van Christus tot aan het einde van de wereld. Onder ‘profetische geest’ verstonden de christenen een geest, die door een menselijk medium de waarheden van God verkondigde, zoals dit in de eerste christelijke gemeenten het geval was. Volgens het oud-christelijke grondbeginsel kon men de waarheid slechts daar vernemen, waar God’s geesten zich openbaarden. Dit principe werd in de volgende formule uitgedrukt: ‘Waar de genadegaven van God te vinden zijn, daar moet men de waarheid vernemen.’
Daar de verbinding met de goede geestenwereld onder dezelfde wetten en voorwaarden tot stand kwam en nog komt, als die met de boze geesten, zijn de openbaringen van beide geestenwerelden uiterlijk gelijk. Alleen uit de inhoud van de openbaringen en het gedrag van de geesten in de menselijke media kan men opmaken, of ze van goede of boze, hoge of lage geesten afkomstig zijn. Maar de openbaringen zelf beschouwde in die tijd zowel de jood als de heiden en de christen, de katholieke christen zowel als de niet katholieke, op gelijke wijze als uitingen van onzichtbare geesten.

`Als een christen in een visioen een engel of een demon, Christus of de duivel ziet, of als een heiden of een gnosticus een visioen heeft, dan is het niet zoals door veel moderne theologen wordt beweerd bij een jood zelfbedrog, terwijl het bij een christen een werkelijke belevenis is. In beide gevallen zijn er voor die tijd bovennatuurlijke, onzichtbare geesten verschenen. En deze belevenis kan zich telkens geheel in dezelfde vorm voordoen’ (Weinel : blz, 64).
`De werkzaamheden van de heilige geest en die van de demonen zijn echter uitingen die niet slechts in het algemeen gelijksoortig zijn, maar dezelfde gebeurtenis kan nu eens als uiting van de goede, dan weer alsuiting van de boze geest worden beschouwd, afhankelijk van het dogmatische standpunt (geloofsstandpunt) van de schrijver. Wat de gnosticus (een christelijke secte) voor een goede, heilige geest-uiting houdt, beoordeelt de katholieke christen als goochelwerk van de demonen, en omgekeerd’ (Weinel: blz. 64).
‘Waar de pneumatische verschijnselen op hetzelfde gebied van ziel en lichaam optreden, is het zeer opvallend, hoe gelijksoortig zij zijn geweest door alle eeuwen heen. De mystieke monniken der middeleeuwen, de quakers in het protestante Engeland, de geinspireerde hugenoten, de wonderdokter in de 19de eeuw, beleven en doen precies hetzelfde, als de pneumatici van de wordende kerk’ (Weinel : blz., 65).
`Binnen het gebied van de pneumatische (mediamieke) verschijnselen is er volgens de christelijke overtuiging geen neutrale werking. De geest, die werkzaam is, is òf een boze, òf een goede geest’ (Weinel : blz. 67).
De wijze waarop de geesten in de na-apostolische tijd zich openbaarden, is dezelfde, als die in de voorafgaande hoofdstukken van dit boek over de media werd beschreven.
De geesten bedienden zich van de media om te spreken. Er waren zowel ‘halve-trance media’, waarbij de eigen geest alles hoort, wat de vreemde geest door het medium spreekt, alsook ‘volle-trance media’ door wie een andere geest sprak, terwijl het medium zelf zich in volkomen bewusteloze toestand bevond. Een medium, dat in halve-trance toestand sprak, beschrijft zijn eigen toestand met de volgende woorden: Steeds ondervond ik daarbij een buitengewone verheffing tot God, waarbij ik daarom plechtig verzeker, dat ik noch ben omgekocht of verleid door wie dan ook, noch in enig wereldlijk opzicht ben beïnvloed om geen andere woorden te spreken dan die, welke de geest of engel Gods zelf uit, terwijl hij zich van mijn organen bedient. Aan hem alleen laat ik gedurende mijn toestand van geestvervoering over, mijn tong te leiden, terwijl ik slechts poog, mijn geest op God te richten en de woorden te onthouden, welke mijn mond uitspreekt. Ik weet, dat dan een hogere en andere macht door mij spreekt. Ik denk er niet over na en weet van te voren niet, wat ik zal zeggen. Mijn eigen woorden lijken mij dus door een ander te zijn uitgesproken, maar zij laten een diepe indruk in mijn geest achter’ (Weinel : blz. 77-78).
Vaak ook bidt een geest door een medium, dat in halve trance is. Een voorbeeld van dit ‘bidden door de geest’ wordt zeer aanschouwelijk verhaald bij het martelaarschap van Polykarpus. Hier is ook het grote `gegrepen zijn’ treffend weergegeven. Polykarpus begeeft zich vanuit de bovenkamer van het huis, waarin men hem verborgen had, naar de troepen beneden, beveelt de soldaten te eten te geven, en vraagt hen dan om een uur uitstel voor een ongestoord gebed. ‘Toen zij hem dit toestonden, trad hij terug en bad, vol van God’s genade (in de geest) zo vurig, dat hij twee uur lang niet kon zwijgen en alle toehoorders door vrees werden bevangen, terwijl velen het betreurden, dat zij gekomen waren om zo’n door God begenadigde grijsaard gevangen te nemen.’ Hij kon niet zwijgen. Want niet hij zelf sprak, maar iets anders sprak in hem en liet hem niet tot zwijgen komen. Daarbij weet hij niets van wat er om hem heen gebeurt. Hij is ongevoelig voor de vermoeidheid, die anders het staan voor de oude man toch onmogelijk zou hebben gemaakt. Alle aanwezigen zagen, dat Polykarpus niet zelf sprak, maar dat een ander door hem sprak. Zo’n ervaring was voor de toeschouwer steeds iets angstaanjagends, zoals inderdaad in alle gevallen, waarin de geestenwereld van gene zijde met mensen op zintuiglijk waarneembare wijze in aanraking komt, vooral als het de eerste keer is, dat de mens zoiets beleeft.
Een bidder als Polykarpus was zonder twijfel de Zwabische predikant Blumhardt, door wiens gebed de zieken de ziekte veroorzakende geesten van zich voelden wijken (Weinel : blz. 83).
Het stadium van ‘volle-trance’ of de eigenlijke ‘extase’ kwam zeer veel voor bij de media der Montanisten. Eusebius, de tegenstander van Montanus vertelt van hem : `Montanus, een pas gedoopte heeft door overmatige eerzucht gedreven de boze vijand toegestaan in hem te treden. Hij is door een geest in beslag genomen en plotseling in bezetenheid en extase geraakt en in een opgewonden toestand gaan praten, in wat op een vreemde taal leek. Ook twee vrouwen, door hem in opgewondenheid gebracht, zouden van dezelfde boze geest vervuld, in bewusteloze toestand en geheel plotseling in dezelfde vreemde taal als Montanus hebben gesproken.’
De geest, die door Montanus sprak, verklaarde deze mediamieke toe- stand met de volgende woorden : ‘Zie, de mens is gelijk een lier (muziekin- strument) en ik vlieg erheen als een plectrum (citerstift, waarmee op het muziekinstrument wordt geslagen).’ Hiermee geeft deze geest op de juiste wijze de verhouding aan, waarin de geest, die door een medium spreekt, tot het medium staat. Het medium is slechts een werktuig in de hand van de geest. Hij is het klavier en de vreemde geest is de bespeler daarvan. Zo is het zonder uitzondering bij alle echte media.
De veroordelende kritiek, die door Eusebius in de voorafgaande regels werd geveld over de invloed van de geesten bij de Montanistische godsdienstgemeenschap, die toch ook een christelijke gemeenschap was, is het oordeel van een religieuze tegenstander. En het is bekend, dat godsdienstoorlogen steeds het meest verbitterd zijn, als de tegenstanders van het wapen van leugen en laster en de ontwrichting van de waarheid, een overvloedig gebruik maken. Dat bij de Montanisten de openbaringen van de geesten niet van die aard kunnen zijn geweest, als de katholieke tegenstanders ze beschrijven, wordt alleen al bewezen door het feit, dat Tertullianus, de geleerdste en ernstigste kerkleraar uit die tijd, uit de katholieke gemeenschap tot de Montanistische is overgegaan. Wie de werken van deze kerkleraar kent, is het zonder meer duidelijk, dat de uitingen van geesten, die bij de Montanisten plaats vonden, iets ernstigs en heiligs moeten zijn geweest; anders zou deze man zich niet bij hen hebben aangesloten.
Aangezien de werken van de geesten bij de Montanisten onder de christenen veel opzien baarden en daardoor grote afbreuk deden aan de tot toen bestaande christelijke godsdienstgemeenschap, die men de katholieke noemde, proclameerde men van de zijde van de toenmalige katholieke kerkleiders plotseling het dogma, dat een waar werktuig van God niet in extase, dus niet in volle-trance spreekt. En toch was het algemeen bekend, dat door alle tijden heen talrijke mensen als werktuigen van God, in extase hebben gesproken. Zo zegt de katholieke Athenagoras uit diezelfde tijd : `De profeten hebben in de bewustloosheid van de extase, terwijl een goddelijke geest in hen werkzaam was, uitgesproken wat hun werd ingegeven, waarbij een heilige geest hen gebruikte, zoals een fluitspeler op zijn fluit blaast’ (Athenagoras, Legatio pro Christianis 9, blz. 42). En op een andere plaats zegt hij, dat de geest `de spraakorganen van de profeten als instrumenten in beweging heeft gezet’. In de Justinise Oratio ad Graecos lezen wij : ‘Het goddelijke, uit de hemel neerdalende plectrum heeft de juiste mannen als een instrument, een citer of een lier, benut.’ Ook Justinus en Theophilus gebruikten dezelfde beelden. Het is dus hetzelfde, wat de door Montanus sprekende geest heeft gezegd. In het Montanisme was de wijze van openbaren door de geesten dezelfde als bij de eerste christelijke gemeenten.
Het boek `De herder van Hermas’, een door en door spiritistisch boek, genoot in de na-apostolische tijd zo’n groot aanzien, dat men het in de Heilige Schrift opnam. Daarin wordt ook uitvoerig verklaard, hoe men de sprekende media van de goede geesten van die van de boze kan onderscheiden. Uit zijn uiteenzettingen komt heel duidelijk naar voren, dat men aan de vorm van het spreken `de geest van boven’ en de aardse geest niet kan onderscheiden. Behalve de inhoud van het gesprokene, zijn volgens Hermas de volgende kentekenen voor het spreken van goede geesten door een medium maatgevend. ‘Geen door God gezonden geest laat zich vragen stellen.’ Hij laat zich dus niet als orakel voor menselijke nieuwsgierigheid gebruiken. Vanzelfsprekend mag de mens over de dingen, die de zich openbarende geest heeft meegedeeld, ook vragen richten tot de geest, als hij de voordracht niet heeft begrepen, of een of ander punt daarin nog onduidelijk is gebleven. De goede geestenwereld verlangt zelfs, dat in zulke gevallen de toehoorders dergelijke vragen stellen. Hij geeft zijn lessen, aanwijzingen en vermaningen immers tot bestwil van de aanwezigen en koestert daarom de vurige wens, dat zijn woorden goed worden begrepen en opgevat. Daarom wil hij ook, dat men zo nodig vragen stelt. Vaak nodigen de geesten de aanwezigen zelfs uit om vragen te stellen, zelfs vragen, die met het zojuist gesprokene geen ver- band houden. Dit gebeurt in die gevallen, waarin de geest weet, dat een van de aanwezigen een vraag zou willen stellen; deze mag echter nooit op zuiver materiale zaken betrekking hebben. Een tweede kenmerk voor de aanwezigheid van een goede geest in een medium is: `Niet de mensen kunnen bepalen, öf en wanneer de geest spreekt, maar hij spreekt alleen dän, wanneer God wil, dat hij zal spreken.’ Het is daardoor bij het goede geestenverkeer niet mogelijk, een medium in trance te brengen, opdat een geestenopenbaring zal volgen. Deze heeft plaats, wanneer het möet. Mensen kunnen ze niet ontbieden. Wel kunnen mensen de voor- waarden scheppen voor een geestenopenbaring. Of er echter een mededeling komt, hangt niet van hen af.
De gebeurtenis zelf wordt door Hermas beschreven met de woorden: `De engel van de profetische geest, die in hem woont, vervult de mens, en de mens vervuld van een heilige geest, spreekt tot de gemeente, zoals de Heer wil.’
Bij de Montanistische media als volle-trance-media wordt, evenals bij alle volle-trance-media, de intredende toestand aangeduid met de volgende woorden : ‘Zij buigen het gelaat ter aarde.’ Hiermee schijnt te worden gezinspeeld op het intreden van de volle-trance toestand. Want bij het uittreden van de eigen geest van het medium valt het lichaam voorover en het wordt pas door de intredende vreemde geest weer opgericht. Het uittreden en weggaan van de geest van het medium is door het woord `extase juist aangegeven, want `extase’ betekent `uittreding’. Na het intreden van de vreemde geest verlopen de mededelingen in alle rust, als het tenminste een goede geest is. Heeft echter een boze geest bezit genomen van het medium, dan treden vaak toestanden in, die zelfs op hen, die in deze dingen nog onervaren zijn, de indruk van demonische bezetenheid maken. ‘Razen is het werk der demonen’, zegt de christen Tatianus.
Ook het helderzien, helderhoren en heldervoelen, waartoe ook de gewaarwordingen van smaak- en reukzin behoren, was een veelvuldig voorkomend verschijnsel bij de christenen uit de eerste eeuwen.
In het boek van Hermas neemt het helderzien en helderhoren een grote plaats in, want het meeste nam hij door die beide gaven waar. Een vrouwelijke gestalte, die hij ziet en hoort, verklaart hem de waarheden van gene zijde. Zij is zijn gids zoals Beatrice het was voor de helderziende Dante. Want ook Dante heeft de hoofdzaak van wat hij in zijn ‘goddelijke komedie’ neerschreef helderziend aanschouwd.
De martelaar Polykarpus zag in zijn helderziendheid zijn naderende dood. Op het landgoed, waarheen hij was gevlucht, vertoefde hij met een klein gezelschap en deed ‘dag en nacht’ niets anders dan bidden voor allen en voor de gemeenten van de gehele wereld, zoals hij dit steeds placht te doen. En drie dagen, voordat hij gevangen werd genomen, had hij, terwijl hij bad, een visioen. Hij zag zijn hoofdkussen in vlammen opgaan. Toen draaide hij zich om en zei tot hen, die bij hem waren: ‘Het is door God bepaald, dat ik levend verbrand zal worden.’
Bij de helderziende gelovigen komt het aanschouwen van bovenaardse gestalten en landschappen het meest voor en in het algemeen het aanschouwen van het geestenrijk als een wereld, gelijk aan de aardse, alleen geestelijk in plaats van stoffelijk.

Dat ook heidense helderzienden dergelijke visioenen hadden is vanzelfsprekend. Want het helderzien is een gave van de menselijke geest tengevolge van een overeenkomstige gestalte van het od, dat zijn geest omgeeft, zodat hij op dezelfde wijze ziet als een geest zonder lichaam. Wat de helderziende ziet is als beeld even werkelijk als de beelden van de stoffelijke wereld, die ons lichamelijk oog aanschouwt. De geestenwereld kan deze beelden naar goeddunken voor de ogen van de helderziende doen ontstaan. Het od is het materiaal, waaruit zij worden gevormd. Het komt slechts op de innerlijke instelling van de helderziende aan, of de goede of de boze geestenwereld bij het zien van de dingen aan `gene zijde’ werkzaam is. Bij het helderzien van dingen betreffende ‘deze zijde’ en dat afhankelijk is van de odstraling van de aardse schepselen, speelt de innerlijke gezindheid van de helderziende geen rol. Vandaar, dat de heidense helderzienden de aardse lotgevallen evengoed konden zien als de christelijke, al verweten de christenen hun dan ook dat ook dit bij hen door de demonen tot stand kwam.
De oorkonden van de eerste christelijke eeuwen staan vol van zulke feiten van helderzien en helderhoren. Toen Polykarpus in Smyrna als martelaar stierf vernam Irenaeus, die juist in Rome was, een stem gelijk een trompet, die zei : `Polykarpus is martelaar geworden.’
Wat het mediamieke schrijven betreft, beweerden velen van de vooraanstaande christelijke mannen uit die tijd, dat zij bij het schrijven door de geestenwereld werden geïnspireerd.
De ontwikkeling van de media in de na-apostolische tijd was dezelfde als bij de media van de eerste christengemeenten. Zij vond plaats tijdens godsdienstige samenkomsten. Volgens Hermas treedt de pneumatische toestand van een profeet op tijdens het algemene gebed van de gemeente. De gemeente bad terwijl alle aanwezigen elkaar de handen reikten als zinnebeeld van de eenheid. De daardoor gevormde gesloten odstroom leverde de geestenwereld het materiaal voor de vorming van de media en voor hun mededelingen door de reeds gevormde media. – Wie de ontwikkeling van media zelf heeft bijgewoond vindt de berichten over mediamieke gebeurtenissen uit die tijd volkomen begrijpelijk, want het zijn dezelfde als tegenwoordig.
Als Eusebius verhaalt, dat de kerk hem niet toestond, zich tot profeet te laten ontwikkelen of zichzelf daartoe te ontwikkelen, dan is dit voor de ingewijde zeer begrijpelijk; want evengoed als een mens tijdens godsdienstige bijeenkomsten medium kon worden, was dit ook mogelijk, als een mediamiek aangelegd persoon zich met enige anderen in een particuliere godsdienstige bijeenkomst verenigde of als hij, alleen zijnde, zich tot geestelijke concentratie neerzette. Er was alleen één verschil, nl. dat de vorming van een medium in een grotere, harmonisch gestemde bijeenkomst, vlugger ging dan in het bijzijn van slechts enkele mensen of zelfs bij een volkomen alleenzijn van het medium. Want de geconcentreerde odkracht van een grote bijeenkomst maakt het werken van de geestenwereld aan de media veel gemakkelijker dan met de beduidend zwakkere odkracht van weinigen of de odkracht van een enkel mens. Maar langzamerhand wordt ook bij de enkeling, die zich innerlijk goed kan concentreren, de odkracht zo sterk, dat, ofschoon het langer duurt, ook zijn vorming tot medium tot stand kan komen.
Het verbod van de latere christelijke, beter gezegd katholieke kerk, zichzelf tot medium te vormen, of dit met de hulp van anderen te bereiken, stamt uit een tijd, dat het contact met de geesten, ook in de godsdienstige bijeenkomsten, was opgehouden, omdat de leiders van de kerk dit met geweld onderdrukten.
De reden hiervoor was toen dezelfde als die de christelijke kerken thans laten gelden, als zij zich vijandig gedragen tegenover het spiritualisme. De leiders van een kerk, die een gesloten wereldlijke organisatie is geworden, kunnen de concurrentie van een geestenwereld niet gebruiken.
Reeds in de tijd van Irenaeus was de oude kerk een stevig aards bestel geworden. Het geestelijke ambtenarencorps regeerde de gelovigen. De bisschoppen werden niet meer door de zich openbarende geesten God’s aangewezen, maar door mensen benoemd of gekozen. Ook waren zij niet langer tevreden met de dienende taak van de `episcopus’ van de eerste christenen, maar zij beschouwden zichzelf als de dragers van de overgeleverde geloofswaarheden en als de rechtmatige uitleggers ervan. Als echter mensen, die niet door een geest van God daarvoor worden uitgekozen, de hand aan het heilige slaan, worden zij onmiddellijk ontwijd. Ditzelfde geldt voor de latere ‘Presbyters’ in tegenstelling tot de ‘Presbyters’ uit de apostolische tijd.
Wil men op zuiver godsdienstig-geschiedkundig gebied het verschil tussen het oorspronkelijke christendom en de latere ‘katholieke kerk’ in weinig woorden schetsen, dan moet men zeggen: `In het oorspronkelijke christendom hadden God’s geesten alles te zeggen en de mensen niets. In de later katholieke kerk hadden de mensen alles te zeggen en de geesten van God niets.’