De werking van de geesten in het leven van een Protestant en een Katholiek geestelijke in de 19e eeuw.

1 Friedrich Zündel : Johann Christoph Blumhardt. Ein Lebensbild. Brunnen- Verlag, Giessen 1926.-De feiten, in dit hoofdstuk beschreven, heb ik aan dit boek ontleend, de vermelde pagina’s verwijzen naar deze uitgave. De schrijver.

 

Friedrich Zündel schreef de levensgeschiedenis van Johann Christoph Blumhardt, een van de meest prominente predikanten van de evangelische kerk in Duitsland in de 19de eeuw, die leefde van 1805-1880.
Daarin neemt de beschrijving van de openbaringen van de geestenwereld in het leven van Blumhardt en van de zielsverzorging door Blumhardt een grote plaats in. De verkondigde feiten zijn daarom van zo’n groot gewicht voor het begrijpen van het geestenverkeer in de tegenwoordige tijd, omdat aan de echtheid van de mededelingen niet de minste twijfel kan bestaan en omdat de gebeurtenissen dezelfde zijn zoals die in alle tijden van de geschiedenis van de mensheid plaatsvonden.
Blumhardt heeft in een gedenkschrift aan zijn kerkelijke overheid waarheidsgetrouw zijn contact met de geestenwereld beschreven, niets eraan toegevoegd en niets weggelaten. Dit bewijst het voorwoord, dat hij aan zijn gedenkschrift toevoegde en dat ik hier laat volgen:
‘Bij het overhandigen van het hierbij ingesloten geschrift aan mijn kerkelijke overheid voel ik mij gedrongen te verklaren, dat ik mij nog nooit zo stoutmoedig en onomwonden over mijn ervaringen tegenover iemand heb uitgesproken. Was dus verreweg het meeste tot nu toe een geheim gebleven, dat ik in mijn borst tot in het graf veilig kon bewaren, zo stond het mij volkomen vrij, uit dit geschrift een willekeurige keuze te doen en het was voor mij een kleinigheid geweest, een beschrijving te geven, die iedereen had kunnen lezen zonder er enige aanstoot aan te nemen. Dat kon ik echter niet over mijn hart verkrijgen en ofschoon ik mij bij bijna elk hoofdstuk in angst afvroeg, of het niet te overhaast en onvoorzichtig was om alles zo openhartig te beschrijven, zei een innerlijke stern mij toch steeds weer: “Eruit ermee!”‘
‘Zo zij het dus gewaagd; en ik doe het in naam van Jezus, de overwinnaar. Juist hier eerlijk en openhartig te zijn achtte ik niet slechts een plicht tegenover mijn hooggeëerde kerkoverheid, die alle recht op openhartigheid mijnerzijds heeft verdiend, maar ook tegenover mijn Heer Jezus, voor wiens zaak alleen ik moest vechten. Als ik mij hier dus voor de eerste keer zonder enige terughouding uitspreek, is het mijn vurige wens, dat deze mededelingen meer als persoonlijke mededelingen worden gezien, alsof iemand zijn geheimen in de schoot van zijn vrienden legt.’
`Een tweede verzoek, dat men, naar ik hoop, mij ook zal vergeven, is dat mijn vereerde lezers het geheel meermalen zullen lezen, voordat zij een oordeel vellen. Intussen stel ik vertrouwen in Hem, die onze harten in zijn macht heeft; en hoe het oordeel ook moge uitvallen, ik zal de troost hebben, zonder voorbehoud de waarheid te hebben gesproken, en bovenal de rotsvaste zekerheid: “Jezus is overwinnaar!”‘
Een verdere toelichting van zijn gedenkschrift geeft Blumhardt in een verweerschrift tegen een zekere Dr. Valenti in de volgende woorden:
`Ik had inderdaad, zoals men zou kunnen zeggen, wijzer kunnen zijn, en in mijn verslag wat men mij als de meest onbeperkte eigenwaan kon aanrekenen, gevoeglijk kunnen weglaten, omdat men reeds lang gewend is om zich voor verhalen over demonische verschijnselen, vooral van somnambules, zonder redelijke grond, af te sluiten. Maar ik heb dat alles wel aangevoeld en men moet niet geloven, dat ik uit domheid al te eerlijk ben geweest. In de overtuiging, dat ik een verslag moest uitbrengen, en daartoe kreeg ik de opdracht, wilde ik het niet tegen de waarheid in zo voorstellen, alsof er weer eens een demonische kwakzalverij of iets zonderlings was voorgevallen, zoals men in de laatste decennia al zo vaak heeft gehoord en gezien. Ik zou mij ervoor hebben geschaamd, mij te laten plaatsen in de rij van avontuurlijke zonderlingen, die zo vaak een misleidend spel spelen met de verschijningen en openbaringen uit de andere wereld; ik heb dit onderwerp behandeld met gedachten aan God in mijn hart en toen deze zaak een veel ernstiger vorm kreeg dan alle andere verhalen van dezelfde soort, moest ik juist dàt tot mijn eigen rechtvaardiging aan mijn overheid duidelijk maken.
Schreef ik eenmaal “iets” erover, dan moest ik ook “alles” neerschrijven, en zodoende heb ik openhartig en zonder enig voorbehoud uitgesproken, hoe ik handelde en dacht. Op die wijze kon ik ook des te meer welgemoed elk resultaat afwachten, en had ik soms verkeerd of uit dwaling of eigen waan gehandeld, dan moest mijn overheid dit weten of tot beoordeling in staat zijn. Want ik wil nu eenmaal geen dom, eigenzinnig standpunt innemen, zoals inderdaad in de tegenwoordige tijd verschillende verkeerde richtingen en demonische geestelijke overheden doen, omdat de bedrogenen in stilte de dingen uitbroeden en aan niemand toestaan om zich met hun geheimen te bemoeien, tenzij zij hun zeer na staan. Mijn zaak moet in het licht gesteld worden en onderzocht, – maar, let wel, slechts als een soort biechtgeheim tegenover mijn overheid. Aan hen wilde ik het toevertrouwen en vooreerst aan niemand anders. Ik heb ook woord gehouden.’
In Blumhardt’s parochie leefde een arm gezin, genaamd Dittus. Het bestond uit drie zusters en twee broers. De ene zuster heette Gottliebin; zij was 25 jaar. In de lente van 1840 waren zij gaan wonen in de onderste verdieping van een armoedig huis in Möttlingen, behorende tot de parochie van Blumhardt. Al heel gauw meende Gottliebin onverklaarbare gewaarwordingen bij zichzelf op te merken. Het kwam haar voor, alsof zij veel verdachte dingen zag en hoorde in dat huis. De eerste dag al, dat zij het huis hadden betrokken, had Gottliebin onder het gebed aan tafel een toeval gekregen, waarbij zij bewusteloos op de grond viel. Vaak hoorde men een steeds terugkerend lawaai en geschuifel in de slaapkamer, huiskamer en keuken. Dat maakte zowel de familie Dittus als de bewoners van de bovenverdieping zeer angstig. Maar geen van hen had de moed, er iets over te zeggen. Gottliebin voelde, hoe haar handen ’s nachts met geweld over elkaar werden gelegd. Zij zag gedaanten en lichten. Dominee Blumhardt hoorde slechts hier en daar iets over deze zaak en schonk er verder geen aandacht aan.
Dit gespook had reeds meer dan twee jaar geduurd, toen Blumhardt door familieleden van Gottliebin opmerkzaam werd gemaakt op de jammerlijke toestand van het meisje en hem hulp werd gevraagd. Inmiddels was het lawaai in het huis zo vreselijk geworden, dat men het ver in de omtrek hoorde, precies alsof werklieden in het huis bezig waren. Gottliebin zag vooral vaak de gedaante van een twee jaar geleden gestorven vrouw uit Möttlingen met een dood kind in de armen. Deze vrouw, waarvan Gottliebin eerst de naam niet noemde, stond steeds op dezelfde plaats voor haar bed, bewoog zich soms naar haar toe en herhaalde vaak de woorden: ‘Ik wil rust hebben’ – of ‘Geef mij papier, dan kom ik niet terug !’ –
Blumhardt regelde het nu zo, dat een vriendin bij Gottliebin zou slapen om haar gedachten van dergelijke dingen af te leiden. Maar ook zij hoorde ’s nachts het lawaai. Beiden zagen een licht opvlammen. Zij gingen de lichtschijn na en vonden onder een plank een roetachtig blad papier. Wat er op was geschreven was onleesbaar. Daarnaast lagen drie kroondaalders(geldstukken) en verschillende papieren, eveneens met roet bedekt.
Van dat ogenblik af was het rustig in het huis. Blumhardt dacht reeds, dat de spookgeschiedenis daarmee ten einde was.

Maar na veertien dagen begon het lawaai opnieuw en het nam van dag tot dag toe. De arts, dr. Späth, aan wie Gottliebin alles toevertrouwde, bleef met enige personen twee nachten in de kamer. Wat hij daar beleefde, overtrof al zijn verwachtingen. Het opzien, dat deze zaak baarde, verbreidde zich in steeds wijdere kring en trok vele nieuwsgierigen van nabij en veraf, zoals steeds, wanneer het erom gaat, juist op dit gebied iets opzienbarends te beleven.
Toen besloot Blumhardt aan het schandaal een einde te maken en daarvoor doortastende maatregelen te nemen. Met zes van de ernstigste en betrouwbaarste mannen uit zijn gemeente wilde hij de gebeurtenissen onderzoeken. Samen met hen ging hij op een avond naar het huis. Hijzelf bleef in de slaapkamer om Gottliebin gade te slaan. De anderen verdeelden zich twee aan twee in en om het huis. Op deze avond werden nu deze zeven mannen er getuigen van, dat binnen drie uren vijf en twintig slagen op een bepaalde plaats in de slaapkamer elkaar volgden, die zo geweldig waren, dat een lege stoel omhoogsprong, de ramen rinkelden en het pleisterwerk van de zoldering naar beneden viel. De bewoners van het gehele dorp vernamen deze ontzettende slagen ook, die buiten leken op het schieten met nieuwjaar.
Toen Gottliebin, die de vrouw met het kind in de armen weer zag, aan Blumhardt vroeg, of ze hem de naam zou noemen, wees hij dit met nadruk af.
De volgende dag werd Blumhardt meegedeeld, dat Gottliebin in diepe onmacht lag en de dood nabij was. Hij eilde erheen en vond haar geheel verstard op bed liggen, de huid van haar hoofd en armen gloeiend en sidderend en verder alsof zij op het punt stond om te stikken. De kamer was vol mensen en een arts uit een naburige plaats, die juist in het dorp was, trachtte haar weer bij te brengen, maar liep hoofdschuddend en radeloos weg. Na een half uur ontwaakte zij en Blumhardt vernam van haar, dat zij weer de gestalte van de vrouw met het dode kind had gezien, maar daarna onmiddellijk bewusteloos was neergevallen.
Nu nam hij het meisje uit het huis weg en liet haar inwonen bij een vertrouwde familie. Daar mocht niemand, zelfs haar broers en zusters niet, haar bezoeken.
Blumhardt beschrijft zijn innerlijke gevoelens met de volgende woorden : ‘lk had een bijzondere afschuw voor somnambulistische verschijnselen, die zo vaak ergerlijk opzien baren en tot dusver zo weinig goeds hebben teweeg gebracht. En daar zich hier in elk geval een geheimzinnig en gevaarlijk terrein opende, kon ik niet nalaten, in mijn eenzame gebeden de zaak aan God voor te leggen, Hem biddend, mij en de anderen te behoeden voor al de dwaasheden en dwalingen, waarin men verwikkeld kon raken. Diepbezorgd waren wij erover, dat de duivel nog zo veel macht had, dat hij de mensen tot dusver nog onbekende satanische netten kon spannen. Ons diepe medelijden betrof niet alleen het arme meisje van wie wij de ellende vóór ons zagen, maar wij hadden deernis en zuchtten voor God om de millioenen, die van God zijn afgeweken en in de geheime netten van tovenarij worden verstrikt. Wij hebben gebeden, dat God toch tenminste in dit geval, ons de overwinning wilde bezorgen en wij Satan zouden overmeesteren.
Maar ook in de andere woning, waarin Gottliebin zich nu bevond, begon de zaak opnieuw. Zodra men iets van het lawaai en geklop vernam, viel zij direct in heftige stuipen. Deze werden steeds heviger en langduriger.
Op een dag, toen de krampen zó hevig werden, dat het bed uiteenviel, zei de aanwezige arts, dr. Späth, met tranen in de ogen : ‘Men zou denken, dat er in het geheel geen zielsverzorger in deze plaats is, dat men de zieke zo maar laat liggen. Wat wij hier zien is niet natuurlijk.’
Blumhardt nam deze woorden ter harte en bezocht Gottliebin vaker. Toen hij eens met dr. Späth samen, bij haar was, trilde. haar gehele lichaam, iedere spier aan haar hoofd en armen bewoog zich koortsachtig, ofschoon zij verder star en stijf neerlag. Daarbij kwam er telkens schuim uit haar mond. Zo lag zij daar steeds verscheidene uren. De dokter, die nog nooit zoiets had beleefd, scheen radeloos te zijn. Opeens ontwaakte zij, kon zich oprichten, water drinken, en kon men nauwelijks geloven, dat dit dezelfde persoon was.
Dag aan dag werd het Blumhardt duidelijker, dat hier demonen in het spel waren. Als bij een innerlijke ingeving trad hij op een dag tijdens een dergelijke aanval op de zieke toe, vouwde haar stijf tezamen gekrampte handen met geweld tot een gebed, riep haar in haar bewusteloze toestand luid haar naam in het oor en zei : ‘Vouw je handen tezamen en bid: Heer Jezus, help mij! Wij hebben lang genoeg gezien, wat de duivel doet; nu willen wij ook zien, wat Jezus vermag.’ Na enkele ogenblikken werd zij wakker, sprak biddend dezelfde woorden na en alle krampen hielden op tot grote verbazing van de aanwezigen.
Dit was voor Blumhardt, zoals hij zelf bekent, het keerpunt in zijn leven. Daarop had de zieke gedurende verscheidene uren rust. Toen herhaalden zich de krampen in nog veel heviger mate. Weer liet Blumhardt haar het gebed uitspreken : Heer Jezus, help mij ! En weer hielden de krampen onmiddellijk op.
Later, toen Blumhardt haar weer bezocht, deden zich nieuwe Symptomen bij haar voor. De zieke keerde zich woedend tot hem, trachtte hem te slaan, echter zonder hem te raken. Tenslotte sloeg zij met haar handen op het bed, waarbij het scheen, alsof een geestelijke macht door de vingertoppen heen wegvloeide. Zo ging het nog een tijd voort, toen trad de rust in.
Maar ook deze was slechts van korte duur. Al spoedig hoorde men weer een kloppen om haar heen, alsof dit met vingers werd gedaan, en toen kreeg zij plotseling een slag op de borst en viel zij achterover. Ook zag zij de vrouwelijke gedaante weer, die zij in de vorige woning had gezien. Deze keer noemde Gottliebin de dominee de naam van de gedaante. Het was een enkele jaren geleden gestorven weduwe, die Blumhardt zich nog van zijn bezoeken als zielsverzorger goed herinnerde. Tijdens haar leven was zij zeer gedrukt, zocht vrede, maar vond deze niet.
Toen bad Blumhardt hardop en noemde de naam van Jezus. Direct begon Gottliebin met haar ogen te rollen, trok de handen uiteen en hoorde men een stem, die kennelijk van een vreemde was, niet door de klank, maar door de uitdrukking en de houding bij het gesprokene. Zij riep: `Die naam kan ik niet aanhoren.’ Alle aanwezigen huiverden. Blumhardt schrijft : Ik had nog nooit iest dergelijks gehoord en wendde mij in stilte tot God, dat Hij wijsheid en voorzichtigheid zou schenken. Tenslotte vroeg ik : Heb je geen rust in het graf? Zij antwoordde : `Neen.’ – `Waarom niet?’ Antwoord : ‘Dit is het loon voor mijn daden. Ik heb twee kinderen vermoord en in de akker begraven.’ – ‘Weet je dan nu geen weg meer om hulp te krijgen? Kun je niet bidden?’ – Antwoord: ‘Bidden kan ik niet.’ – `Ken je Jezus, die de zonden vergeeft?’ Antwoord: – `Die naam kan ik niet verdragen.’ – Ben je alleen?’ Antwoord: – ‘Neen.’ – `Wie is dan bij je?’ De stem antwoordde aarzelend, dan vlug uitbarstend: `De allerergste.’ – De spreekster beschuldigde dan zichzelf van tovenarij, waardoor zij aan de duivel was gebonden. Reeds zevenmaal was zij uit Gottliebin gegaan, maar nu ging zij er niet meer uit. Ik vroeg haar, of ik voor haar moest bidden, wat zij pas na enige aarzeling toestond. Ik gaf haar te verstaan, dat zij niet in het lichaam van Gottliebin mocht blijven. Zij scheen eerst weemoedig te smeken, dan weer koppig te worden. Ik beval haar echter, uit te treden, waarop Gottliebin met de handen hard op het bed sloeg. Toen was zij plotseling bevrijd.
Enige dagen later herhaalde zich de bezetenheid. Spoedig leek het, alsof met tussenpozen, honderden demonen uit haar stroomden, waarbij het gezicht van de patiente elke keer veranderde en een nieuwe dreigende houding tegen Blumhardt aannam. Ook kregen de mannen, die Blumhardt steeds meebracht menige stoot en vuistslagen, zonder dat zij zagen, wie hun die toediende. Blumhardt zelf durfden de demonen, zoals zij zeiden, niets te doen. Gottliebin rukte zich de haren uit, sloeg zich op de borst, wierp haar hoofd tegen de muur en trachtte op allerlei manieren zichzelf te bezeren. Het leek, alsof deze tonelen steeds verschrikkelijker werden en alsof Blumhardt’s invloed de zaak slechts verergerde. ‘Wat ik’ – zegt hij – ‘toen in geest en gemoed heb uitgestaan, laat zich niet in woorden beschrijven.’
‘Mijn verlangen om een eind aan de zaak te maken werd steeds groter. Ofschoon ik iedere keer tevreden kon heengaan, omdat ik voelde, dat de demonische macht zich moest voegen naar mijn wil, en omdat de patiente elke keer volkomen normaal was, scheen toch de donkere macht zich steeds weer te versterken en mij tenslotte in een groot doolhof te willen verstrikken, om zo mij en mijn ambtelijke werkzaamheden te gronde te richten. Al mijn vrienden rieden mij aan, ermee op te houden. Maar dan dacht ik met ontzetting aan wat er met de patiente zou geheuren, als ik mijn handen van haar terugtrok, en hoe ik door iedereen als verantwoordelijk zou worden beschouwd, als er iets ergs zou geheuren. Ik had het gevoel verstrikt te zijn in een net waaruit ik mij niet zonder gevaar voor mijzelf en anderen kon losmaken door eenvoudig de strijd op te geven. Bovendien schaamde ik mij tegenover mijzelf en mijn Heiland, tot Wie ik zoveel bad, en Wie ik zoveel toevertrouwde, en Die mij zoveel bewijzen van Zijn hulp gaf, – ik beken het openlijk – om aan de duivel toe te geven. Wie is de Heer? moest ik mijzelf vaak afvragen. En in vertrouwen op Hem, die de Heer is, klonk het steeds weer in mij: Voorwaarts! het moet tot een goed einde leiden, al moeten we ook door de diepste diepten heengaan, tenzij het niet waar is, dat Jezus de kop van de slang heeft vertrapt.’
De symptomen, waarbij het leek of demonen uittraden, namen toe. Tegelijkertijd traden echter andere afschuwelijke verschijnselen op die zelfs lichamelijk voelbaar werden. Zo voelde Gottliebin op een nacht, terwijl zij sliep, dat een brandende hand haar bij de keel greep, en daarop aanstonds grote brandwonden achterliet. Toen haar tante, die in dezelfde kamer sliep, het licht aanstak, waren reeds dikke brandblaren rondom haar hele hals ontstaan. De dokter, die de volgende morgen kwam, was stom verbaasd over dit voorval. Ook kreeg zij overdag en ’s nachts stoten in haar zij en op haar hoofd, of pakte iets haar beet aan haar voeten, zodat zij plotseling op straat of op de trap, of waar het ook was neerviel, waardoor zij builen of andere letsels opliep.
Op 25 juni 1842, toen Blümhardt naar een kinderfeest moest, vernam hij bij zijn thuiskomst, dat Gottliebin nagenoeg waanzinnig was geworden. Hij ging naar haar toe en het scheen spoedig weer beter met haar te gaan. In de namiddag echter namen de gebeurtenissen een buitengewone keer. De zieke werd zó aangegrepen, dat zij als dood neerlag; opnieuw leek het of demonen uit haar traden, maar nu op een wijze, die het tot nu toe beleefde ver achter zich liet, en bij Blumhardt de indruk wekte van een overwinning van ongekende grootte. Gedurende vele weken gebeurde er ook niets meer en Gottliebin kon gaan, waarheen zij wilde.
Op zekere dag kwam de zieke bleek en ontsteld bij hem met een klacht, die zij tot nu toe uit schuchterheid voor hem had verzwegen. Zij vertelde hem van een lijden, dat haar iedere woensdag en vrijdag overviel en dat met zulke pijnlijke en sterke bloedingen gepaard ging, dat, als deze plaag niet ophield, dit tot haar dood moest leiden. Haar beschrijvingen over andere met dit lijden in verband staande belevenissen kunnen hier niet worden medegedeeld en waren van dien aard, dat Blumhardt daarin de afschuwelijkste fantasieen van het volksbijgeloof verwezenlijkt moest zien. `Eerst’ – schrijft Blumhardt – ‘had ik behoorlijk wat tijd nodig, om na te denken en tot de treurige overtuiging te komen, dat de duisternis zó veel macht over de mensen heeft verkregen. Mijn volgende gedachte was : `Nu is het afgelopen, nu is het tovenarij en hekserij geworden, en wat wil je hiertegen uitrichten?’ Als ik echter het jammerende meisje aanzag, dan huiverde ik voor de mogelijkheid van het bestaan van die duisternis en over mijn onmacht te helpen. Het kwam in mij op, dat er mensen zijn, aan wie men geheime kunsten tot afweer van allerlei demonische euveldaden toeschreef, en geheimzinnige middelen, waaraan hoog- en laaggeplaatsten onvoorwaardelijk geloven. Moest ik soms dergelijke middelen toepassen? Dat zou betekenen, zoals ik allang voor mijzelf had uitgemaakt, de duivel met de duivel verdrijven.’
‘Zou een gelovig gebed ook niet iets tegen de bovenbeschreven satansmacht, waaruit die ook moge bestaan, kunnen uitrichten? Wat moeten wij, arme mensjes doen, als we hier geen directe hulp van boven kunnen afsmeken?
`Als er zoiets bestaat als tovenarij en hekserij, is het dan niet zondig om deze onbelemmerd vrij spel te laten, als zich een gelegenheid voordoet om ze in ernst te bestrijden?’
Blumhardt riep daarom tot de zieke: ‘Wij zullen bidden. Komt wat ervan komt, maar proberen zullen wij het. Wij verspelen in ieder geval niets met het gebed. En op verhoring van gebed wijst ons de Schrift op bijna iedere bladzijde; de Heer zal doen, wat hij belooft!’
Blumhardt bezocht de zieke de volgende dag. Het werd voor hem en voor hen, die bij hem waren, een onvergetelijke dag. Na vele maanden van droogte brak die avond voor de eerste maal een onweer los. Gottliebin was door een ware aanval van woede overvallen en wilde zich van het leven beroven. Zij raasde door de beide kamers en riep wild om een mes. Toen liep zij naar de zolder, sprong op het raamkozijn en stond al buiten in de vrije lucht, zich nog slechts met één hand naar binnen vasthoudend, toen de eerste bliksemstraal van het naderende onweer haar oog trok, haar deed opschrikken en wakker maakte. Zij kwam tot bezinning en riep : `Om God’s wil, dat wil ik niet.’ Dit heldere ogenblik verdween echter weer en in de terugkerende toestand van waanzin greep zij een touw en bond dit handig om de balken met een lus, die zich gemakkelijk liet dichttrekken. Reeds had zij haar hoofd er bijna geheel ingestoken, toen een tweede bliksemstraal door het raam haar oog trof, die haar als zoeven weer tot bezinning bracht. De volgende morgen brak zij in tranen uit, toen zij de strop aan de balk zag hangen, die zij in normale toestand niet zo kundig had kunnen aanbrengen.
Dezelfde dag, ’s avonds om acht uur, werd Blumhardt geroepen en vond hij haar badend in bloed. Met stilzwijgen zullen wij voorbijgaan aan haar verdere verschrikkelijke kwellingen. Blumhardt begon met ernstig te bidden, nadat hij zonder veel resultaat enige troostwoorden had gesproken; intussen rolde buiten de donder. Dit werkte na een kwartier zo afdoend, dat zij weer geheel normaal was. Spoedig kwam zij geheel tot zichzelf en Blumhardt verliet de kamer voor enige ogenblikken, opdat zij zich kon verkleden.
Onverwachts kreeg de zieke een nieuwe aanval, gelijkende op voorafgaande, als demonische invloeden haar overvielen. Toen brak plotseling de gehele toorn en het misnoegen van de demonen los en werden er een groot aantal uitingen van de volgende soort gehoord, meest met een huilende en klagende stem : `Nu is alles verspeeld, nu is alles verraden, jij verdrijft ons helemaal; de hele bond gaat uit elkaar; alles is uit, alles komt in verwarring; jij bent de schuld daarvan met je eeuwige bidden; je verdrijft ons toch nog. Wee, wee, alles is verspeeld; wij zijn 1067 in getal en daarvan zijn er ook velen, die nog leven, maar die moeten worden gewaarschuwd; o wee hun, wee, zij zijn verloren, God afgezworen, eeuwig verloren.’ Het gebrul van de demonen, de bliksemflitsen, de rollende donderslagen, het kletteren van de stortregens, de ernst van de aanwezigen, mijn gebeden, waarop de demonen op de hierboven beschreven wijze te keer gingen – dit alles bood een schouwspel, dat iemand zich nauwelijks als iets werkelijks kon voorstellen.
Al hield ook deze plaag geheel op, spoedig traden telkens weer andere verschijnselen van demonische aard op. Toch was er een verschil bij de zich thans openbarende demonen. Sommigen waren uitdagend, vol haat tegen Blumhardt en spraken vaak woorden uit, die waard waren geweest om opgeschreven te worden. Zij huiverden voor de hel, die zij voelden naderen, en zeiden onder anderen: `Jij bent onze ergste vijand; wij zijn echter ook jouw vijanden; mochten wij maar doen zoals wij wilden ! O, als er toch maar geen God in de hemel was!’ Daarnaast schreven zij toch alle schuld van hun verderf aan zich zelf toe. Afschrikwekkend was het gedrag van een demon, die vroeger in het huis van Gottliebin door haar was gezien en die nu bekende een meinedige te zijn. Hij vertrok zijn gezicht, stak drie vingers stijf in de hoogte, zakte plotseling knielend neer en steunde. Zulke tonelen, waarbij Blumhardt gaarne meer toeschouwers had gehad, kwamen veel voor. De meeste demonen, die zich van augustus 1842 tot februari 1843 en later openbaarden, behoorden tot hen, die vurig verlangden om bevrijd te worden uit de banden van de satan. Er werden daarbij ook de meest verschillende talen gesproken, maar de meeste waren geen Europese talen. Zonderling en soms komisch waren in enkele gevallen de pogingen van die demonen, om Duits te spreken, vooral wanneer zij begrippen waarvan zij de Duitse uitdrukking niet kenden, trachtten te omschrijven. Daar tussen door hoorde men woorden, die Blumhardt aan geen van de genoemde soorten van demonen kon toeschrijven, want zij klonken als kwamen zij uit een hogere regio. Het waren onderrichtende woorden, die naar God verwezen, die gedeeltelijk voor de aanwezigen golden, gedeeltelijk tot de demonen zelf waren gericht om ze op hun vijandige handelingen tegenover God opmerkzaam te maken.
Lange tijd wist Blumhardt niet, hoe hij zich tegenover de verschillende soorten van geesten moest gedragen, en vooral tegenover de geesten, wier lijden groot was en die hem om hulp smeekten. ‘Het duurde heel lang, voordat ik naar hun praten luisterde,’ zegt Blumhardt `en ik kwam vaak in grote verlegenheid, als ik de smartelijke uitdrukking op hun gezicht, de smekend omhooggeheven handen en de hevige tranenstroom uit hun ogen zag komen, en daarbij hun woorden van vertwijfeling en angst en het smeken hoorde, die een steen hadden moeten vermurwen. Hoe zeer ik mij er ook tegen verzette, op een of andere manier erop in te gaan om hen te verlossen, omdat ik vreesde voor de integriteit van mijn protestante geloof, kon ik tenslotte toch niet nalaten een proef te nemen, vooral omdat deze demonen noch door dreigingen, noch door aanmaningen tot wijken waren te brengen. De eerste demon, bij wie ik het waagde, was de vrouw, waardoor de gehele zaak aan het rollen was gebracht. Zij vertoonde zich weer door Gottliebin en riep dapper en beslist, dat zij aan de Heiland wilde toebehoren en niet aan de duivel. Daarna vertelde zij, hoe er door de tot nu toe gevoerde strijd veel in de geestenwereld was veranderd. Het was echter mijn geluk geweest, dat ik het alleen bij God’s woord en het gebed had gelaten. Had ik tot geheime middelen mijn toevlucht genomen, zoals dit vaak bij mensen de gewoonte is, en waarop de demonen het ook bij mij hadden aangelegd, dan was ik verloren geweest. Dat zeide zij, veelbetekenend de vinger opheffend, en zij besloot met de woorden : ‘Dat was een ontzettende strijd, die je hebt ondernomen.’ Daarna smeekte zij met nadruk of ik voor haar wilde bidden, opdat zij geheel uit de macht van de duivel zou worden bevrijd.
Van dag tot dag zag Blumhardt meer in, dat de mededelingen van de lijdende, maar goedgezinde geesten onder een goddelijke leiding stonden. A lles verliep daarbij zonder enige onrust. T och schijnt de werkelijke samenhang, waarmee alles zich afspeelde voor hem verborgen te zijn gebleven.
Een ander zeer interessant geval uit Blumhardt’s gedenkschrift moet hier nog worden vermeld. Een van de geesten bad dat hem een verblijf in de kerk zou worden toegestaan. Blumhardt gaf hem ten antwoord: `Je ziet, dat het de Heer is, die je de weg wijst, en dat het dus niet van mij afhangt. Ga daarheen, waar de Heer je zendt.’ Toen vervolgde de geest: ‘Zou ik niet in uw huis mogen gaan?’ Deze vraag verraste Blumhardt, en aan zijn vrouw en kinderen denkend, was hij niet geneigd, het verzoek in te willigen. Maar hij bezon zich en zei : `Nu dan, als je niemand lastig valt en Jezus het toestaat, kan het geschieden.’ Toen kwam er een stem uit de mond van de zieke, die riep: `Niet onder uw dak! God is een rechter van de weduwen en wezen!’ De geest begon te wenen en bad, tenminste in Blumhardt’s tuin te mogen gaan, wat hem nu door de goddelijke controle scheen te worden toegestaan. Het leek, alsof door deze geest tijdens zijn leven als mens weduwen en wezen hun onderdak waren kwijtgeraakt.
De belevenissen, die Blumhardt in zijn gedenkschrift verder mededeelde, zijn in zijn levensbeschrijving door Zündel opzettelijk weggelaten. Zündel’s motivering is, dat hij meent, dat buitenstaanders daardoor de indruk konden krijgen, dat de afgrijselijke en smartelijke kunstgrepen van de machten van de duisternis, die daar aan de dag traden en waarvan Blumhardt getuige was, de grote goddelijke hulp schijnen te overtreffen en te kleineren. Het zou echter zeker beter zijn geweest, als Zündel alles had meegedeeld, want de waarheid behoeft nooit het daglicht te schuwen.
Bij dat wat Zündel niet vermeldde, gaat het om de macht van de boze geesten, om een stoffelijke substantie in een geestelijke substantie te veranderen, ze in deze toestand naar een andere plaats, bijv., in een menselijk lichaam te brengen, en ze daar weer tot een vaste substantie te verdichten. De wetten van zulk een ‘dematerialisering’ en ‘materialisering’ zijn bij de od-leer in dit boek uitvoerig besproken. Blumhardt betitelt deze gebeurtenissen met de populaire uitdrukking ‘tovenarij’.
‘Toen tenslotte aan deze verschijnselen geen einde dreigde te komen, verzamelde ik al mijn innerlijke kracht tot een gebed en smeekte God, daar Hij de kracht is die alles uit niets heeft geschapen, dat Hij nu deze voorwerpen tot niets zou terugbrengen, opdat de kunst van de duivel te niet zou worden gedaan. Op deze wijze duurde mijn strijd verscheidene dagen en de Heer, die beloofd had: `Alles wat gij in Mijn naam zult vragen, dat wil ik u geven,’ heeft woord gehouden. Het gelukte.
Maar weer, nu alles voorbij leek, keerden nog eenmaal ontzettende ziekteverschijnselen bij Gottliebin terug, die klaarblijkelijk de bedoeling hadden haar te doden. Toen zij zich eens op een zeer ernstige manier had verwond, werden de wonden op een wonderbaarlijke manier geheeld. Maar plotseling braken zij weer open, en een vriendin kwam hevig ontsteld bij Blumhardt met de mededeling, dat ieder ogenblik de dood kon intreden. `Toen viel ik’ – vertelt Blumhardt- `in mijn kamer op de knieën en sprak koene woorden. Ditmaal wilde ik, zo sterk was ik geworden, de duivel niet de eer gunnen dat ik er zelf heenging, maar ik liet door de vriendin zeggen : ‘Gottliebin moet opstaan en naar mij toekomen. Als zij gelooft kan zij het.’ Het duurde niet lang of zij kwam de trap op. Hoe het mij daarbij te moede was, kan niemand begrijpen.
Het einde van de geschiedenis vertelt Blumhardt in de volgende woorden : ‘Het scheen, dat alles, wat tot hiertoe was gebeurd, zich nog eenmaal in zijn geheel zou herhalen. Het hachelijkste was, dat in deze dagen de duistere inwerkingen zich ook uitbreidden tot de halfblinde broer en een andere zuster Katharina, zodat ik met drie tegelijk deze vertwijfelde strijd moest doormaken, waarbij duidelijk de innerlijke samenhang tussen deze drie te herkennen was. Het verloop van elk in het bijzonder kan ik niet meer precies vertellen. Er gebeurde zoveel, dat ik het niet meer kon onthouden. Maar het waren dagen, zoals ik nooit meer hoop te beleven, want het was zover gekomen, dat ik om zo te zeggen alles moest wagen en op het spel zetten. Het was een kwestie van : “Overwinnen of sterven.” Maar in dezelfde mate waarin mijn inspanning toenam, groeide ook het gevoel door God te worden beschermd. De broer was het snelst weer bevrijd en wel zodanig, dat hij zelfs daadwerkelijk behulpzaam kon zijn bij wat er zou volgen. De hoofdzaak betrof ditmaal echter niet Gottliebin, die in dit laatste bedrijf na voorafgegane strijd ook geheel bevrijd scheen te zijn – maar haar zuster Katharina, die vroeger niet het minste van die aard had ondervonden, maar nu zo razend werd, dat zij slechts met moeite kon worden bedwongen. Zij dreigde, mij in duizend stukken te scheuren, en ik kon het er niet op wagen dicht bij haar te komen. Zij probeerde telkens om met eigen hand, zoals zij zelf zei, zich het lichaam open te rijten en loerde listig rond, als wilde zij hen, die haar vasthielden iets vreselijks aandoen. Daarbij ratelde en gilde zij zo ontzettend, dat het scheen of duizenden lastertongen zich in haar hadden verenigd. Het meest opvallende was, dat zij geheel bij bewustzijn bleef, waardoor men met haar kon praten, en zij ook op ernstige vermaningen antwoordde, dat zij niet anders kon spreken en handelen. Men moest haar maar goed vasthouden, opdat zij niets verkeerds zou doen ! Naderhand herinnerde zij zich nog alles, zelfs de afschuwelijkste pogingen tot moord, en dit maakte haar zo neerslachtig, dat ik vele dagen nodig had om door steeds en ernstig bidden die herinneringen langzamerhand uit haar te doen verdwijnen. Evenwel openbaarde zich toch nog zeer beslist een demon door haar, die zich ditmaal niet voor de geest van een gestorven mens, maar voor een voorname engel van Satan uitgaf als het opperhoofd van alle tovenarij. Hij beweerde, dat, als hij werd gedwongen in de afgrond af te dalen, aan de tovenarij de doodsteek zou worden toegebracht, waaraan deze langzamerhand zou doodbloeden. Plotseling tegen twaalf uur ’s nachts, uitte het meisje meer dan eens, wel een kwartier lang een kreet van vertwijfeling met zulk een schokkende kracht, alsof het huis zou instorten. lets huiveringwekkenders kan men zich niet indenken. Intussen was het onvermijdelijk, dat vele bewoners van het plaatsje niet zonder ontzetting van de strijd op de hoogte kwamen. Daarbij begon Katharina zo heftig te beven, dat het leek, alsof al haar ledematen uit elkaar werden gescheurd. Tussen uitingen van angst en vertwijfeling hoorde men in de demonische stem een reusachtig verzet, God uitdagend een teken te geven, opdat hij niet gewoon als andere zondaren, zijn taak zou hoeven neer te leggen, maar in zekere zin onder eerbetoon ter helle moest varen. Zo’n afschuwelijk mengsel van boosheid, vertwijfeling, verzet en hoogmoed zal wel nooit ergens zijn aanschouwd. Eindelijk kwam het meest aangrijpende ogenblik, dat niemand die geen oog- of oorgetuige was, zich kan voorstellen. Om twee uur ’s morgens brulde de zogenaamde satansengel, waarbij het meisje haar hoofd en bovenlichaam over de leuning van de stoel achterover boog met een stem, waartoe men een menselijke keel nauwelijks in Staat zou achten, deze woorden : ‘Jezus, is overwinnaar ! – Jezus is overwinnaar !’ Woorden, die zo ver als zij konden worden gehoord ook werden begrepen en op vele personen een onuitwisbare indruk maakten. Nu scheen de macht en de kracht van de demon ieder ogenblik meer te worden gebroken. Hij werd steeds stiller en rustiger, kon zich steeds minder bewegen en verdween tenslotte geheel onmerkbaar, zoals het levenslicht van een stervende uitdooft, doch eerst tegen acht uur ’s morgens.’
Daarmee was de tweejarige strijd ten einde.

Wat Blumhardt had beleefd, waren de openbaringen van de boze en lage geestenwereld door menselijke media. Op zichzelf was het niets nieuws; alleen voor hem was het nieuw. Had hij zich niet bemoeid met deze media, die in de macht van het boze waren geraakt, dan zou het met hen zijn gegaan, zoals het dagelijks met zovelen gaat, die men in volledige onkunde van wat er gebeurt aan zichzelf overlaat. Zij waren òf in een krankzinnigengesticht beland, òf hadden door zelfmoord een einde aan hun leven gemaakt. De bewoners van de krankzinnigengestichten zijn grotendeels slachtoffers van de lage geestenwereld en dezelfde lugubere machten zijn vaak ook werkzaam bij zelfmoordenaars.
Gottliebin Dittus was een volle-trance-medium. Op welke wijze zij zich daartoe had ontwikkeld, kan niet worden opgemaakt uit de geschriften van Blumhardt. Het is waarschijnlijk dat zij samen met haar broers en zusters aan de zogenaamde ‘tafeldans’ heeft gedaan en dat haar aangeboren mediumschap zich langs’deze weg steeds sterker ontwikkelde.
De bewusteloosheid trad dan bij haar in, als haar eigen geest door de vreemde geest uit haar werd verdrongen en deze laatste geest bezit van haar had genomen. Bij het uittreden van haar eigen geest viel zij als dood neer en werd zij door de geest van een demon, die in haar lichaam was getreden, weer opgericht, waarna deze zijn mededelingen deed.
De krachtige klopgeluiden werden voortgebracht door het od, dat Gottliebin door haar sterke mediumschap aan de geestenwereld afgaf en waarmee deze de dreunende slagen veroorzaakte, die de waarnemers zo onverklaarbaar voorkwamen. De slagen werden des te luider, naarmate de odkracht groter werd, die zich in het medium ophoopte. De odkracht van het medium werd versterkt door de hoeveelheden od, die de aanwezige mensen uitstraalden. Aangezien ook Blumhardt, zonder het te weten, over belangrijke mediamieke krachten beschikte, waren de openbaringen van de geestenwereld door het medium in zijn tegenwoordigheid krachtiger dan bij zijn afwezigheid. Ook de materialisaties en lichtverschijnselen werden door de demonen met behulp van het mediamieke od van Gottliebin tot stand gebracht.
Haar zuster Katharina was geen volle-trance-medium, maar kwam slechts in halve trance, met als gevolg dat haar geest niet geheel uit het lichaam werd verdrongen, maar zij alles hoorde, wat de vreemde geest door haar sprak. Daardoor kon zij zich naderhand al het gebeurde herinneren, al was zij niet in staat, de openbaringen zelf te verhinderen, doordat zij zich geheel in de macht van de vreemde geest bevond.
Blumhardt leerde langzamerhand de verschillende soorten geesten te onderscheiden. Vóór alles werd hij overtuigd van het belangrijke feit, dat bij de verschijning van de hogere geesten en van de hevig lijdende geesten, die echter van goede wil zijn, een goddelijke controle heerst, zodat alles ordelijk verloopt. Deze controle beslist, welke geesten worden toegelaten. Daarom gehoorzaamden deze door de hogere controle toegelaten lijdende geesten Blumhardt niet, toen hij hen in het begin zonder hulp weer wilde wegzenden. Zij waren toch op hoger bevel in het medium getreden, om door Blumhardt onderricht en op God gewezen te worden. Zij hadden daardoor recht op dit onderricht en het was Blumhardt’s plicht, hun verzoek in te willigen. Helaas heeft Blumhardt dit eerst veel later ingezien.
Het leerrijke van deze gebeurtenissen was voor Blumhardt het onloochenbare feit, dat er een verkeer met de geestenwereld bestaat. De gebeur- tenissen, die zich voor zijn ogen afspeelden, waren geen zinsbedrog en kunnen door niemand naar het rijk der fabelen worden verwezen. Want zij speelden zich geheel openlijk af en een groot aantal oog- en oorgetuigen konden ze bevestigen.
De werkelijkheid van deze gebeurtenissen was dan ook de reden, waarom de kerkelijke overheid aan Blumhardt verzocht een rapport over het voorgevallene bij haar in te dienen.
Blumhardt zag slechts de onloochenbare feiten vóór zich en leerde eerst langzamerhand enige samenhang op dit gebied te onderkennen. De eeuwige wetten, waarnaar de verbinding met de geestenwereld plaats vindt, schijnen hem tot zijn dood onbekend te zijn gebleven. Daardoor heeft hij ook niet de weg ontdekt waarlangs zowel het Israelitische volk als de eerste christenen verbinding met de goede geestenwereld verkregen. Het spreken van de boze en hevig lijdende geesten door menselijke media heeft hij op schokkende wijze ervaren, maar de wonderbare openbaringen van de hoge geesten God’s door sprekende media bleven hem ontzegd. Ook dat had zijn diepere reden, want alle gebeuren heeft zijn tijd. Zeer zeker waren de omstandigheden in de tijd, waarin Blumhardt leefde, niet geschikt voor dergelijke opzettelijk veroorzaakte verbindingen met de goede geestenwereld. Blumhardt zou zeker door de stellingname van zijn kerk ten opzichte van zulke dingen zijn werkzaamheden en zijn ambt in gevaar hebben gebracht. Hij moest reeds genoeg vijandelijkheden van zijn kerkelijke overheid ondergaan, toen later de invloed van de goede geesten zich bij hem en zijn gemeenteleden deed gevoelen, waarover ik dadelijk nog zal spreken. Meer te doen op dit gebied, zoals het houden van goede spiritualistische bijeenkomsten, zou zonder twijfel het scherpste optreden van de protestante kerkleiders tegen Blumhardt hebben veroorzaakt. Ook God’s geestenwereld past haar arbeid aan de tijdsomstandigheden aan.
Had Blumhardt de uitstorting van de geesten der duisternis over de mensheid aan enige schrikbarende voorbeelden gezien en persoonlijk ervaren, hij zou echter ook op een nog wonderbaarlijker wijze de uitstorting van de geesten God’s op hem en zijn gemeente beleven. Dit herinnert aan de uitstorting van de goddelijke geesten in de eerste christelijke tijden.
Het eerste geschenk, dat Blumhardt van ‘boven’ ontving voor zijn gehele gemeente en omgeving voor zijn trouw doorstane strijd tegen de boze machten, waren de geesten van boete en gezindheids-verandering. Een voor een kwamen zij allen en bekenden door een onweerstaanbare innerlijke macht gedreven, de zonden van hun leven. Blumhardt werd innerlijk door een geest van God ingegeven, aan wie hij de vergeving van de zonden moest verkondigen. Het was dus niet een gewoon biechten en vergiffenis schenken, zoals dat in de katholieke kerk de gewoonte is, maar een reiniging van zonden tengevolge van een openbaring van een geest God’s. Daarom was Blumhardt’s zinspreuk vanaf dat ogenblik `Laat ons bidden en hopen op een nieuwe uitstorting van de heilige geesten.’
Ook kwam de geest der genezing over Blumhardt. Door zijn handoplegging, zijn gebed, zijn nabijheid werden de zwaarste ziekten genezen. Daarbij bleek, dat de meeste chronische ziekten het werk van boze geestenmachten zijn, zoals ook de bijbel ons leert. Weken deze machten van de zieken, dan trad ook de genezing onmiddellijk in. Het wonderbare van dit gebeuren kan men in het boek van Zündel lezen.
Ik eindig deze beschrijving van de uitwerking van de boze en goede geestenwereld in het leven van Blumhardt met zijn eigen woorden in een van zijn brieven:
`Als iemand soms zou willen onderzoeken, of alles, wat de Heer bij mij doet, persoonlijk is of zich laat nabootsen, dan moet ik bekennen, dat tengevolge van mijn strijd ik inderdaad iets persoonlijks heb ontvangen, dat maar niet iedereen zo plotseling ook kan bezitten. Intussen is het mijn overtuiging, dat wat ik verworven heb meer algemeen moet worden en dat men in het algemeen om de complete vernieuwing van de oorspronkelijke krachten in hun gehele omvang mag bidden.
In mijn geval is voor dit ogenblik slechts het bewijs geleverd, dat men daarom mag vragen. Maar voordat de hemel zich als het ware opent, krijgt men geen antwoord en het is een vergissing te denken, dat als men maar weer zou geloven, men direct weer alles ontvangt, zoals in de apostolische tijd. Neen, de krachten zijn inderdaad ingetrokken en kunnen slechts langzaam weer worden verkregen. Het ongeloof en de afvalligheid van het christendom van meer dan duizend jaren, had een ongenade van de Heer ten gevolge, alsook het heersen van de satanische krachten. Daarom kunnen wij ook niet zo zonder meer opnieuw beginnen, trachten wij het, dan stoten wij op grote hindernissen. U ziet daaruit, hoe ik van de Irvingianers verschil, die, de tegenwoordige toestand van de christelijke wereld over het hoofd ziende, verwachten dat alles hun weer teruggegeven zal worden. Het eerste wat nodig is, is een nieuwe bekering van het christendom, echter van een veel volkomener aard dan wat we op kleine schaal zien. Opdat dit zal gebeuren, moeten wij ernstiger vechten, bijbelser preken en dringender bidden. Als een geest van berouw op grote schaal wordt uitgestort, zoals ik dit in het klein in mijn gemeente heb ondervonden, waarna zich dan onmiddellijk de eerste sporen van geestelijke gaven openbaren, dan volgt het een op het ander, tot inderdaad een apostolische tijd zal wederkeren, waarnaast dan werkelijk de eigenlijke anti-christ zal opstaan!’
Deze uiteenzettingen van Blumhardt zijn enigszins onduidelijk en slechts ten dele waar. De waarheid is aldus : Iedere mens, christen of niet- christen, kan in gemeenschap komen met de goede geestenwereld, als hij dat in ernst wil en deze zoekt op de wijze als in dit boek is beschreven. Wat ieder van het goede geestenverkeer ontvangt is een les betreffende de weg, die tot God leidt. Het is de prediking van de waarheid, die hem deelachtig wordt. Of dan nog verdere krachten van God’s geesten bij hem in werking treden hangt bij een ieder daarvan af, of hij zijn leven naar de hem medegedeelde waarheid inricht en in hoeverre hij dit doet. Wie de prediking van de waarheid van de geestenwereld slechts aanhoort zonder zich daarnaar te richten, die ontvangt geen verdere geschenken van ‘boven’. Hij verliest veeleer ook nog de verbinding met de goede geesten, die hem tevoren ten deel was gevallen, doordat geen goede geesten zich meer openbaren. Wie echter de waarheid in zich opneemt en zijn best doet om zijn innerlijk daarnaar öm te vormen, die zal ook de kracht van de geesten bespeuren, die wij bij de eerste christenen vinden en wel zó, als overeenkomt met zijn levenstaak. Want ook bij de eerste christenen bezat niet iedereen dezelfde gaven. Ook waren de afzonderlijke gaven niet alleen bestemd voor hem, die deze bezat om ze alleen ten eigen bate aan te wenden, maar hij moest hiermee het algemeen welzijn dienen. Op dit feit wijst ook de apostel Paulus steeds met nadruk. Ook thans wordt aan de kleinste gemeente van godgelovige en godzoekende mensen door God’s geesten hetzelfde geschonken, wat de eerste christenen ontvingen. Vooropgesteld wordt echter, dat men met alle kracht naar het goede streeft en de invloed van het boze van zich afweert. Of de kring die dit doet, groot of klein is, zal nimmer voor het werk van de geestenwereld van God van enige betekenis zijn.
Een overeenkomstig beeld van het werk van de boze en de goede geestenwereld, zoals wij dat bij de protestante dominee Blumhardt zagen, vinden wij bij de katholieke pastoor Vianey van Ars.
Johannes Baptista Maria Vianey leefde van 1786-18401. (1. Joseph Viany: Leben und wirken des hl. Johannes Baptista Vianey, Pfarrers vor Ars. 1930. Verlag: Gebrüder Steffen, Limburg a.d. Lahn.) Zijn leven valt dus voor een groot deel samen met dat van dominee Blumhardt. In dezelfde tijd, dat Blumhardt in de Duitse parochie Möttlingen zijn zegenrijke arbeid verrichtte, leefde en werkte Vianey in de kleine gemeente Ars in Frankrijk. Wegens zijn geringe begaafdheid kon Vianey slechts onder grote inspanning zijn priesterwijding verkrijgen.
Reeds als kind wijdde hij zich dagelijks in innerlijke concentratie aan het gebed. Deze innerlijke concentratie beoefende hij, evenals Blumhardt, gedurende zijn gehele leven. Dit bracht bij hem de mediamieke gaven tot ontplooiing, die de voorwaarden zijn voor de werkingen, die door de geestenwereld worden uitgeoefend. Ditzelfde geldt voor Blumhardt.
Terwijl Blumhardt voor het eerst de demonische openbaringen in zijn gemeente door het medium Gottliebin Dittus meemaakte en eerst naderhand de invloed zowel van de goede alsook van de boze geestenwereld aan zijn eigen persoon beleefde, was de pastoor van Ars zelf de persoon, door wie de geesten zich openbaarden. Bij andere personen uit zijn omgeving of een parochie werd deze invloed niet opgemerkt.
Overigens zijn de gebeurtenissen bij beiden dezelfde. Blumhardt en Vianey beleefden de werkzaamheid van de demonen op dezelfde wijze, ook die van de goede geesten. Beiden ontvingen een geest, die een zeer grote geneeskracht had. Beiden hadden de gave van het helderzien in verleden, heden en toekomst. Beiden konden de innerlijke toestand van een mens helderziend waarnemen. Over de parochie van de beide verzorgers werd op wonderbare wijze de geest van de bekering uitgestort, welke zich langzamerhand ook in de brede kring van verafgelegen districten uitstrekte. Naar beiden trokken vele duizenden door een met zonden beladen leven gekwelde mensen om hun afdwalingen te bekennen en de verzekering van God’s vergiffenis te ontvangen. Beiden wisten door een innerlijke inspiratie, aan wie zij de belofte tot vergeving konden geven. De overeenstemming in al deze dingen strekt zich bij deze beide mannen uit tot in de kleinste bijzonderheden, zodat men daarin het werk van een goddelijke wet kan herkennen. Ook de demonische openbaringen verliepen bij beiden volgens dezelfde geestelijke wetten.
Doch laten wij nu de feiten uit het leven van Vianey voor zichzelf laten spreken.
Laten we beginnen met de demonische aktiviteiten, die in Vianey plaats vonden. In zijn levensbeschrijving wordt het gedeelte, dat over de demonische invloeden handelt, met de volgende woorden ingeleid : `Doch allereerst moge een woord worden gezegd tot hen, die de aanvechting hebben in dit opzicht te twijfelen, of bij het lezen van de volgende bladzijden te glimlachen. Zij zullen niet de eersten zijn, die dat doen. Ja, zij willen zelfs niet eens in dit verband denken of uitspreken, wat niet reeds vóór hen in de tijd, dat Vianey leefde, door de wereld is gedacht of gezegd en wat toen niet met nog grotere nadruk dan door de wereldse mensen door de geestelijkheid werd gezegd. Nauwelijks had namelijk het gerucht zich verspreid, dat de pastoor van Ars door de duivel werd bezocht, of een luid gelach werd aangeheven in al de omliggende pastorieën. Terstond zetten de “goede” medebroeders aan de pastoor van Ars uiteen, dat hij een grote dromer was, die een ziek brein bezat; dat verder de hel, waaruit zijn demonen kwamen, heel eenvoudig de vleespan was, waarin hij zijn aardappels liet beschimmelen. “Mijn beste pastoor” – zeiden zij tot hem – “leef toch zoals ieder ander; voedt u beter, dan wordt uw hoofd weer gezond en u zult zien, hoe de duivelen verdwijnen.”
Vianey leefde namelijk zeer eenvoudig en bijna alleen van aardappelen, die hij op de eerste dag van de week voor de gehele week kookte en dan koud at, en die dus niet zelden aan het einde van de week beschimmeld waren.
Verre van zulk een zwakke geest te hebben, die aan zulke hersenschimmen ten offer valt, zoals zijn ambtsgenoten veronderstelden, was pastoor Vianey van nature zo weinig lichtgelovig, dat hij eerst niet wilde aannemen, dat het duivelen waren, die hem kwelden. Eerst nadat hij tevergeefs naar een verklaring voor de zeldzame geluiden had gezocht, die hem gedurende de nacht stoorden, begreep hij hun herkomst en aard.
`Eens op een dag hoorde hij heftig tegen zijn huisdeur kloppen. Hij opende het raam en vroeg : “Wie is daar?” maar hij kreeg geen antwoord en toen het geluid zich aan zijn trapdeur herhaalde, stelde hij dezelfde vraag. Weer kwam er geen antwoord. Daar hem vroeger prachtige gewaden voor zijn kerk waren geschonken, die hij in de pastorie bewaarde, dacht hij dat dieven hadden getracht bij hem in te breken. Hij vond het nodig, voorzorgsmaatregelen te nemen. Daarom vroeg hij aan enige moedige mannen de wacht te houden. Zij kwamen dan ook gedurende verscheidene nachten en hoorden hetzelfde lawaai. Toch konden zij niets ontdekken. Men waakte in de klokkentoren, eveneens zonder enig succes. Men hoorde heftige stoten zonder iets te zien. De wachten waren zeer verschrikt. Zelfs de pastoor werd erg bang. Op een winternacht, toen hij weer harde slagen tegen de deur had gehoord, sprong hij haastig uit bed, ging naar de binnenplaats, omdat hij overtuigd was, dat als het om zo iets ging, de boosdoeners hun spoor in de versgevallen sneeuw zouden hebben achtergelaten en dat men ze zo eindelijk zou kunnen pakken. Maar hij zag niemand, hoorde niets meer en vond ook geen voetsporen in de sneeuw. Toen twijfelde hij er niet meer aan, dat de satan hem wilde vervolgen.’
‘Vanaf de dag, dat hij overtuigd was, dat de nachtelijke rustverstoorders demonen waren, voelde hij zich veel minder angstig.’
‘Intussen scheen het hoofddoel van de demonen er zonder twijfel op gericht te zijn om zijn pastorale werk minder vruchtbaar te maken door zijn oververmoeide lichaam nog van de nodige nachtrust te beroven. Alles scheen er bij deze plagerijen duidelijk op gericht, hem het slapen geheel onmogelijk te maken. Meestal vernam V ianey één van die eentonige geluiden, die, zoals men weet, meer dan al het andere slapeloosheid veroorzaken. Nu eens was het een geruis, alsof een balk werd doorgezaagd of doorgeboord, dan weer scheen het, alsof men er een rij spijkers in sloeg. Het leek ook wel eens alsof een regiment soldaten zijn deur voorbijtrok; alsof een kudde schapen boven zijn hoofd trappelde; alsof een paard over zijn vloertegels galoppeerde; alsof iemand op zijn tafel trommelde; alsof men in zijn nabijheid ijzeren hoepels om een vat timmerde; alsof alle wagens van Lyon over zijn deel rolden ; alsof deelnemers aan een lawaaierige bijeenkomst in een vreemde taal op zijn binnenplaats aan het converseren waren. Deze laatste kwelling duurde vele nachten achtereen. Een andere keer hoorde hij zijn deur openen en zich op barse wijze bij zijn familienaam aanspreken. Dan weer moest hij een stroom van spottende grofheden verdragen, waaronder het meest de uitroep “aardappelvreter” voorkwam. Voorts werden zijn meubels heen en weer bewogen. Er werd met zo’n kracht aan zijn gordijnen getrokken, dat hij zich erover verwonderde ze de volgende morgen nog heel te vinden’ (blz. 66- 70).
Groot waren ook de innerlijke aanvechtingen, die hij van de zijde van de bozen te dulden had en waarmee zij hem tot vertwijfeling trachtten te brengen.
Bij Blumhardt troffen wij dezelfde verschijnselen aan. Helaas zijn de in zijn rapport beschreven demonische invloeden voorzover zij hem persoonlijk aangingen, met opzet in zijn levensbeschrijving weggelaten, zoals ik reeds eerder heb vermeld.
Zowel bij Blumhardt als bij Vianey was het enige doel van die demonische intriges, het werk van deze mannen om de mensen tot God terug te voeren, geheel te vernietigen of in ieder geval te beperken. Daarom trachtten zij Blumhardt op het hem onbekende terrein van het demonische door Gottliebin Dittus te verstrikken en hem toen hun dit niet gelukte, later door uiterlijke en innerlijke beproevingen te verwarren en moedeloos te maken. Bij Vianey hadden zij het allereerst gemunt op het inboezemen van moedeloosheid en vertwijfeling en ze gebruikten daartoe als werktuigen de katholieke geestelijken uit de omtrek, die een zodanige veldtocht van de gemeenste laster en verdachtmaking tegen de arme pastoor van Ars voerden en tien jaren lang volhielden, dat ieder ander aan zo’n strijd zou zijn bezweken. Toen dit doel niet werd bereikt probeerden de demonen het met een verzwakking van zijn gezondheid door hem van zijn slaap te beroven. Deze poging gaven zij zijn gehele leven niet op. Eerst in zijn laatste levensjaren schijnt hij ’s nachts niet meer lastig gevallen te zijn.
Nog meer overeenkomst, dan op het punt van de demonische belevenissen van de beide mannen, was er ten opzichte van wat hun ten deel viel aan goddelijke hulp door de goede geesten. In dit opzicht waren hun ondervindingen geheel dezelfde.
Beiden ontvingen de verheven gaven van God eerst, nadat zij hun zwaarste beproevingen in de strijd tegen de boze machten en hun menselijke werktuigen hadden doorstaan. Deze strijd heeft iedereen te doorstaan, die als werktuig van God tot heil van zijn medemensen wil werken en de voor dit doel nodige krachten van God wil verkrijgen. Ook Christus moest deze strijd doorstaan. Ook Zijn werk onder de mensen met de bewijzen van de goddelijke kracht, die in Hem werkzaam was, begon pas, nadat Hij veertig dagen en veertig nachten het demonische en zijn ontzettende werkingen zelf had ervaren en daar tegenover standvastig was gebleven. En waarlijk de knecht is niet hoger dan de Meester.
De bekeringen ten gevolge van de uitstorting van een geest van boetedoening als innerlijke omkeer hadden in de parochie van Blumhardt hetzelfde verloop als in die van Vianey. En vanuit beide pastorieën verbreidden zij zich langzamerhand op gelijke wijze tot in de meest verwijderde streken. De eerste inwerking van de geesten van boete op de harten van de mensen veroorzaakt een innerlijk schrikken over de zonden en misdaden van het voorbijgegane leven en de daardoor ontstane afdwaling van God. Dit innerlijke schrikken over zichzelf van de mens, die door een geest van boete is aangeraakt, is zo groot, dat hij geen rust meer vindt, totdat hij zijn innerlijk heeft uitgestort aan een godsgetrouw mens en diens oordeel heeft gehoord. Een onzichtbare kracht drijft hem onweerstaanbaar voort tot hij de nabijheid van God in zijn hart voelt en de daarin begrepen zekerheid heeft, dat zijn zonden zijn vergeven. Zo’n geluksgevoel stroomt dan in zijn hart, dat er geen menselijke woorden bestaan, om dit gevoel te beschrijven. Men moet in de levensbeschrijvingen van deze beide mannen nalezen, wat de bekeerden innerlijk hebben beleefd.
De geest van hen, die zijn hulp niet nodig hadden, herkende Vianey op het eerste gezicht. Hij vroeg hen vriendelijk, zijn tijd niet in beslag te nemen, en tot velen zei hij : ‘Gaat u rustig naar huis, u hebt mij niet nodig.’
De zieken geestelijk te genezen, die dit zelf niet konden volbrengen, was het hoofddoel van de pastoor van Ars. De genezing van de lichamen was in zijn ogen meer een bijzaak.
Aan velen gaf Vianey inlichtingen over het lot van hun afgestorvenen, zodra dit voor hun eigen zieleheil nuttig bleek te zijn. Maar ook zag hij als helderziende in de toekomst. Men kan zeggen, dat, waar tijdens zijn leven over niets zoveel werd gesproken als over zijn strijd met de boze geesten, na zijn dood iedereen over zijn voorspellingen begon te praten. Deze betroffen bijna altijd het heil van de enkeling en niet het uiterlijk welzijn. Menig bekeerde voorspelde hij zijn nabijzijnde dood. In andere gevallen gaf hij het bericht over de naderende dood aan bloedverwanten van de persoon, opdat deze zich hierop konden voorbereiden.
Ook zag hij in de geest op ver verwijderde plaatsen gebeurtenissen aangaande personen, met wie hij juist in gesprek was. Toen hij op een dag een man tussen de op hem wachtende menigte zag, zei hij tot hem: ‘Keert u vlug naar Lyon terug; uw huis staat in brand!’ En zo was het ook. Op een andere keer zond Vianey een boerenvrouw, die juist haar zonden had beleden, zo spoedig mogelijk naar huis terug, omdat een slang haar huis was binnengekropen. De vrouw haastte zich naar haar huis terug, doorzocht het in alle hoeken, maar vond niets. Eindelijk kwam zij op de gedachte om ook haar strozak uit te schudden, die zij om te luchten in de zon had gelegd. Zij zag er toen een slang uitkruipen. Tegen een jong meisje, dat hij in de kerk zag staan, zei hij, dadelijk naar huis te gaan, omdat zij daar dringend werd verwacht. Toen zij thuiskwam vond zij haar zuster, die altijd volkomen gezond was geweest, dood neerliggen. Eens kwam een vrouw, die van een ‘tovenaar’ een fles met een zogenaamd wondermiddel had gekregen, naar Ars om te biechten. Toen Vianey haar biecht had aangehoord, merkte hij op : `U vertelt mij echter niets van de fles, die u in het kreupelhout buiten Ars verstopt hebt.’
Nog vaker zag hij de innerlijke gedachten en gevoelens van anderen. Deze gave kwam regelmatig naar voren, als het ging om bijzonder moeilijke bekeringen. Bijna dagelijks gebeurde het, dat hij zijn biechtstoel verliet en juist hen, die de meeste haast hadden of het ongelukkigst waren, tot zich wenkte, opdat zij het eerst aan de beurt kwamen.
Er kwamen er ook om zijn gave op de proef te stellen, doch diep beschaamd gingen zij dan heen. Iemand bekende hem eens denkbeeldige zonden. Vianey hoorde hem rustig aan en zei toen: `U hebt inderdaad een zware schuld op u geladen; maar het kwaad, dat u in werkelijkheid hebt gedaan, bestaat niet uit die zonden, die u mij zo juist hebt verteld, maar in de volgende zonden.’-en toen noemde Vianey tot grote ontsteltenis van de bedrieger al zijn schanddaden uit het verleden.
Vianey genas, gaf raad, troostte en bekeerde van uit de verte hen, die niet persoonlijk bij hem konden komen, en hem daarom bemiddelaars of ook brieven zonden.
Al de tot nu toe vermelde persoonlijke kenmerken in het raam van de door Vianey werkende geestelijke krachten vinden wij van dezelfde aard en in dezelfde omvang, en men kan zeggen, tot in de kleinste bijzonderheden, bij Blumhardt. En het is moeilijk vast te stellen, bij wie van de twee het aantal duizenden, die tot hen stroomden en die de wonderbare invloeden van die krachten aan zichzelf ondervonden, groter was.
Ook deed zich bij beiden voor, wat men een ‘wonderbare broodvermenigvuldiging’ zou kunnen noemen. Het gebeurde wel dat door de grote toeloop van vreemdelingen, die door zijn gemeenteleden gastvrij opgenomen en geherbergd werden, er een tekort aan voedsel ontstond. Maar een speciale zegen regelde de spijzigingen. Een familie, die niet genoeg had om veertien personen te voeden, kon met dezelfde spijzen 42 personen te eten geven en er bleef zelfs nog voedsel over. Van Vianey wordt een nog merkwaardiger wonder verteld, waarvan de gehele parochie getuige was. Hij had een tehuis voor arme kinderen. Op een dag was al het voedsel op ; op de zolder lagen nog slechts een paar handen vol graan. Reeds had hij met een bezwaard hart besloten om de kinderen weg te zenden; hij bad echter nog eenmaal tot God om hulp. Toen hij daarna op de zolder kwam, was deze hoog met koren gevuld. De hele gemeente ging naar de zolder om het koren te zien. Deze gebeurtenis baarde in de gehele streek groot opzien. Ook de bisschop kwam later en men liet hem zien hoe hoog de zolder was bijgevuld.
Als wij nu deze beide mannen als werktuigen van God naast elkaar plaatsen, moet ons daarbij iets zeer belangrijks opvallen. Wij hebben hier twee mannen, wier kerkelijke geloofsbelijdenis aanmerkelijk verschilt. Aan de ene kant staat een katholieke pastoor als aanhanger van heiligen- en reliquienverering, die de genezingen van zieken aan de heilige Philomena toekende, een man die de mis opdraagt en de biecht als noodzakelijk sacrament van de zondenvergeving beschouwt, die aan de tegenwoordigheid van Christus in het altaars-sacrament gelooft, en aan alle andere leerstellingen van zijn kerk vasthoudt, – en aan de andere kant de protestante predikant Blumhardt als lijnrechte tegenstander van de geloofsbelijdenis van Vianey. Hij verwerpt met grote beslistheid heiligenen reliquienverering, mis en altaars-sacrament, katholieke biecht en katholieke zondenvergeving, pausdom en alles, wat daarmee samenhangt, als niet door God gewenst, doch ontstaan uit menselijke dwalingen. En toch zijn beiden in de hand van God gelijkwaardige werktuigen voor de bevrijding van de mensheid van zonde en satan en om haar terug te leiden tot het vaderhuis van God. Beiden ontvangen de hoogste gaven, die Christus aan zijn gelovigen heeft toegezegd, ondanks het verschil in leerstellingen van hun kerkelijke geloofsbelijdenis.
Op een punt stemmen beide overeen : in het diepe godsgeloof en in het daarin verankerde onwankelbare godsvertrouwen, alsook in de grote liefde tot God en de mensen. Voor God is dus de overige kerkelijke geloofsbelijdenis van een mens van geen betekenis. Hij beschouwt dit slechts als een uiterlijk kleed, dat men de mensen heeft omgehangen, dat evenwel de geestelijke persoonlijkheid niet beïnvloedt, als in hen het godsgeloof en de liefde tot God werkzaam zijn. Hij laat de mensen dit kleed behouden, dat uit het lapwerk van menselijke dwalingen aaneengenaaid is, zolang het de taak, door Hem aan de mensen opgelegd, niet hindert.
Als men nu de vraag wil stellen, waarom de goede geestenwereld die mannen niet heeft ingelicht over de dwalingen in hun godsdienstige beschouwingen, en hun de waarheid niet heeft gebracht, dan is het antwoord daarop niet moeilijk.
Ten eerste was zulk een voorlichting niet noodzakelijk, omdat de kerkelijke dwalingen het werk, waartoe beiden door God waren bestemd, niet in de weg stonden. Zij moesten de mensen in hun naaste en verdere omgeving tot zelfinkeer en tot terugkeer tot God bewegen. De katholieke, noch de protestante geloofsbelijdenis stond dit in de weg.
Vóór alles echter kon door de geestenwereld dáárom geen opheldering over religieuze dwalingen worden gegeven, omdat die zowel aan Blumhardt als aan Vianey de vervulling van hun taak onmogelijk zou hebben gemaakt. Dan had de protestante predikant Blumhardt tengevolge van nieuwe waarheids erkenningen ook zijn leerstellingen moeten veranderen. Daarmee zou hij zich buiten de protestante kerk hebben geplaatst en zowel zijn ambt als zijn arbeidsveld hebben verloren.
Dit geldt in nog hogere mate voor de katholieke pastoor Vianey. Was zijn geloofsinstelling ook maar op een enkel punt van die van zijn kerk afgeweken, dan zou hij binnen heel korte tijd voor altijd zijn ontslagen.
Onder katholieken kon alleen hij aan de taak van de redding van zielen arbeiden, die het gewaad van de katholieke geloofsbekentenis draagt, evenals Blumhardt alleen als vertegenwoordiger van het protestante geloof op succes kon rekenen onder zijn geloofsgenoten.
Bovendien werd het werk van beiden toch al sterk door hun ambtsbroeders aangevallen, hoewel ze hun kerk allebei trouw waren gebleven. Hoeveel heviger zouden zij zijn aangevallen, als zij op één of ander punt van de leer van hun kerk waren afgeweken?
Vooral bij Vianey kenden de aanvallen van zijn ambtsbroeders geen grenzen. Zoals reeds eerder verhaald, werd hij tien jaar lang mateloos door hen vervolgd, bevit, gesmaad, verdacht gemaakt, belasterd en zelfs met het uiterste geweld bedreigd. Toen de katholieke geestelijkheid uit zijn nabije en verder afgelegen omgeving zag, dat hun parochianen eveneens naar Vianey gingen en meer om zijn oordeel gaven dan om dat van hun eigen geestelijken, kwamen de opwellingen van nijd en jalousie. Zij noemden hem de onwetende priester, die slechts met moeite een beetje latijn had geleerd, en bijna uit het priesterseminarium was weggezonden. Vooral de geestdrift, waarmee de mensen over de pastoor van Ars spraken, deed de haat van de andere geestelijken toenemen. Men belasterde hem op de schandelijkste manier. De geestelijken verboden hun parochianen, paar Ars ter biecht te gaan, en dreigden hen, als zij toch gingen, met uitsluiting van de sacramenten en van de vrijspreking van zonden, zelfs in het stervensuur. Zondag op zondag schimpten zij vanaf de kansel op de pastoor van Ars. Vianey zei later eens: ‘Men sprak op de kansel niet over het evangelie, maar in plaats daarvan preekte men tegen de arme pastoor van Ars.’ Terwijl de één over zijn onwetendheid spotte, maakten de anderen zijn levenswandel verdacht. Anonieme brieven waarin men hem in de walgelijkste termen de grootste gemeenheden verweet werden in een groot aantal bij hem bezorgd. Ook trachtte de geestelijkheid, het volk tegen hem op te hitsen. Als hij ’s morgens zijn huisdeur opende, vond hij daarop papieren geplakt, waarop men hem aanklaagde, de nacht met de meest onzedelijke uitspattingen te hebben doorge-bracht.
Hier, evenals bij Blumhardt, herhaalde zich, wat de joodse geestelijk heid tegenover Christus had gedaan. ‘Wat moeten wij doen? Ziet, het gehele volk loopt hem na, deze wijndrinker en gezel van zondaren en siechte vrouwen.’ Het gezegde over de `geestelijke nijd’ en de waarheid, dat ‘een geestelijke voor zijn medegeestelijken een duivel is’, werd ook bij deze beide geestelijken bevestigd.

Hoewel de aanvallen van de ambtsbroeders op Blumhardt niet die mate van gemeenheid bereikten als bij Vianey, toch had ook hij heel veel leed en vervolging van hen te verduren.
Ontbrandde er tegen deze beide mannen ondanks hun trouwe geloof aan de leer van hun kerk reeds zulk een strijd op leven en dood, wat zou er niet zijn gebeurd, als men hen had kunnen betichten van een afwijken van de kerkelijke leer!
God en Zijn geestenwereld hielden bij de keuze en de voorbereiding van hun werktuigen ook rekening met de tijdsomstandigheden en de religieuze atmosfeer, die in de kringen heerst, waarin zij moeten werken. Alle menselijke opvattingen en dwalingen laat God’s geestenwereld onberoerd, zolang zij niet een ernstige hindernis vormen voor het bereiken van het gestelde doel. Van de onjuiste geloofsopvattingen van Vianey werd er door de zich openbarende goede geesten niet een uit de weg geruirnd, omdat zij de taak, die hij te vervullen had, niet in de weg stonden. Alleen toen hij in zijn onjuiste beoordeling van de lichamelijke boetedoeningen, die hij beschouwde als bijzonder welgevallig aan God zijn lichaam met zulke tuchtigingen wilde kwellen, greep de geestenwereld in met een terechtwijzing. Zij moest dat nu doen, omdat een verzwakking van zijn lichaamskracht ook geringere prestaties in zijn werkzaamheden tot noodzakelijk gevolg zou hebben gehad. Door een gebiedende stem, die hij helderhorend vernam, werd hij aan zijn ware taak herinnerd. Vianey zelf zegt daarover: `Ik weet niet, of het werkelijk een stem was, die ik hoorde, of dat ik het gedroomd heb; maar hoe dan ook, ik werd er wakker van. Deze stem zei mij, dat het God meer welgevallig was, de ziel van een enkele zondaar te redden, dan alle mogelijke offers te brengen. In die tijd had ik mij namelijk boetedoeningen voor mijn eigen heil opgelegd.’
Vianey, de katholieke pastoor van Ars, werd door zijn kerk heilig verklaard. Als mensen een mens inderdaad heilig kunnen verklaren, dan verdient de protestante predikant Blumhardt dat ook. Want hij stond in zijn gezindheid, zijn werk en zijn verbazingwekkende gaven van `boven’ niet achter bij zijn katholieke ambtsgenoot Vianey.
Het levensbeeld van deze beide mannen bewijst, dat de goede en de boze geestelijke krachten tegenwoordig nog op dezelfde wijze bij de mensen werkzaam zijn als in alle vroegere tijden, en dat zij zich volgens dezelfde wetten voltrekken.