Johannes Greber werd in 1876 in Wenigerath, Bernkastel geboren. Hij studeerde theologie in Trier en werd in het jaar 1900 tot priester gewijd. Korte tijd daarna werd hij in een gemeente in de Hunsrück ingezet. In die streek waren de mensen bijzonder arm. Er woonden uitsluitend kleine boeren. Vanwege de onvruchtbare grond in die streek brachten de oogsten heel weinig op. En juist in deze gemeente leden de mensen massaal aan tuberculose, terwijl er nagenoeg geen verpleging voor hen was. De dichtstbijzijnde arts woonde maar liefst 40 kilometer verderop.

Pastoor Greber zag het harde leven van deze mensen en was met medelijden bewogen. Het duurde dan ook niet lang voordat hij een ‘zelfhulpsysteem’ in het leven riep. In overleg met de leiding van ziekenhuizen in de dichtstbijzijnde steden kregen jonge meisjes uit het dorp een versnelde opleiding tot ziekenverzorgster. Nadat zij hun opleiding afgesloten hadden, konden zij in de gemeente worden ingezet om de zieken de nodige verzorging te geven.

Johannes Greber bezocht regelmatig de zieken in zijn parochie. Dankzij zijn kennis op het gebied van natuurgeneeskunde kon hij de genezing van de zieken met behulp van geneeskrachtige kruiden ondersteunen. Maar zonder dat hij zich daarvan aanvankelijk bewust was, gebeurde er nog iets. Hij had namelijk de gewoonte de zieken tijdens zijn bezoek te begroeten met een handdruk, terwijl hij zijn andere hand op het voorhoofd van de zieke legde, om vast te stellen of hij of zij koorts had. Steeds bad hij in stilte om genezing. Tot zijn verwondering merkte hij dat hij de zieken in een betere toestand verliet dan waarin hij hen bij binnenkomst had aangetroffen. Dag en nacht was hij bereid zijn hulp te bieden en nooit was hem iets teveel. Als geestelijke voelde hij zich er sterk toe geroepen de mensen in hun ziekte bij te staan en hen moed in te spreken. Binnen enkele jaren was de tuberculose uit zijn parochie verdwenen.

Het is duidelijk dat Johannes Greber over een sterke geneeskracht beschikte, die hem vanuit de geestelijke wereld gegeven was. Hij was voor de mensen in zijn omgeving de ‘grote helper’ geworden. In allerlei situaties deed men een beroep op hem. Steeds weer was hij in staat om goede oplossingen voor de problemen aan te dragen. Zelfs wanneer het vee van de boeren ziek geworden was, riep men de pastoor en bleek hij in staat ook de dieren te helpen.

 

In 1914 luidden de klokken voor de mobilisatie. Natuurlijk maakte hij zich ernstig zorgen over wat komen ging. Op datzelfde moment kreeg hij een visioen: als in een film zag hij duizenden half verhongerde kinderen. Een vinger wees op die vele kinderen en een stem sprak tot hem: “Dat is jouw werk.” Pas een paar jaar daarna werd het hem duidelijk wat dit visioen hem wilde zeggen. Een grote hongersnood kwam over Duitsland en al spoedig zag hij de ondervoede kinderen in werkelijkheid voor zich. Van dag tot dag werd de nood hoger en hij probeerde te helpen waar hij kon. Op een gegeven moment besloot hij de hongerende kinderen naar Nederland te sturen om te herstellen. Daar was immers geen hongersnood.

Hij ging naar de bisschop van zijn kerk en vertelde hem over zijn plan, maar die achtte het onuitvoerbaar. De pastoor gaf niet op en legde zijn bedoelingen voor aan de autoriteiten in de dichtstbijzijnde stad, helaas weer zonder resultaat. Zelfs de staat wilde zijn plannen niet steunen. Men vond het een utopie.

Hierna ging hij naar Nederland om de zaak met de zielenherders van verschillende kerken – onder hen was ook een rabbijn – te bespreken. Toen het die rabbijn duidelijk werd dat Greber alle kinderen wilde helpen, ongeacht de religie waartoe zij behoorden, stemde hij er direct mee in. Hij beloofde dat hij 25 kinderen zou opnemen en hen in zijn gemeente zou onderbrengen.

Met deze toezegging ging Greber terug naar de eerste twee, een katholieke en een protestantse pastor, die in eerste instantie niet mee wilden werken. Toen de katholieke priester hoorde dat de rabbijn 25 kinderen wilde opnemen, beloofde hij meteen dat hij er 50 zou onderbrengen. Met deze tweede belofte ging hij naar de protestantse pastor, die hem nu ook de toezegging deed 50 kinderen op te nemen. Zo was er een begin gemaakt met het plan dat Johannes Greber met de Duitse kinderen had.

Blij en voldaan keerde Greber naar huis terug en zocht 125 van de meest zwakke en ondervoede kinderen uit om ze naar Nederland te brengen. Op diverse stations wachtten de priesters, dominees en rabbijnen met de gevonden pleegouders om de kinderen af te halen.

Meteen bij de eerste aankomst in Nederland merkte Greber al dat er nog veel meer gezinnen zich bereid hadden verklaard om kinderen op te vangen. En zo ging dit nog lange tijd door, totdat hij na ongeveer twee jaar meer dan 14700 halfverhongerde kinderen naar Nederland had verhuisd. Vaak gaf hij daarbij zijn laatste geld uit om er kaartjes voor de kinderen voor te kunnen kopen.

Na het einde van de oorlog in 1918 was hij nog steeds bezig om zijn medemensen te helpen. Al voor de oorlog had hij een stichting in het leven geroepen, van waaruit hij zich onvermoeibaar voor de armen inzette.

In de nazomer van 1923 kwam een man naar het bureau van de stichting die hem voor een besloten gebedsdienst uitnodigde. Tijdens die gebedsdienst werd een medium door de geestelijke wereld gebruikt, die de aanwezigen onderricht gaf over de bijbel en over de grote levensvragen. Hoewel hij eerst aarzelde, liet hij zich toch overhalen en ging er heen met als doel het als bedrog te ontmaskeren. Die ontmoeting was bepalend voor het leven van Johannes Greber. Hij ontving het ene na het andere bewijs dat hier inderdaad een engel sprak die door Christus op zijn weg was gebracht. De geest toonde aan dat het huidige christendom op talloze plaatsen door toedoen van de mensen vervormd was.

Op grond van deze openbaringen maakte Greber zich los van zijn kerk en wijdde zich geheel aan de hulpstichting. Vier jaar daarna emigreerde hij naar de Verenigde Staten van Amerika, waar hij meerdere gebedsgroepen stichtte en nog vele bewijzen voor de juistheid van zijn eerder verkregen informatie uit de geestelijke wereld ontving. Jarenlang organiseerde hij geneesdiensten in New York, evenals in zijn huis in Teaneck.

Ondertussen schreef hij het boek ‘Omgang met Gods geestenwereld’(*), waarin hij vele van de mededelingen, die hij uit de geestenwereld had ontvangen, heeft opgenomen. Later vertaalde hij het Nieuwe Testament vanuit de oudste Griekse manuscripten, die bij wijze van uitzondering door musea aan hem werden uitgeleend. Alle onduidelijke passages werden hem door de geestelijke boodschappers van God verhelderd, zodat hij deze kon verbeteren. Tijdens dat ontzettend belangrijke werk, waarvan de verantwoordelijkheid op zijn schouders rustte, bad hij onophoudelijk tot God om inzicht. Deels kreeg hij de antwoorden in grote oplichtende letters en woorden die voor zijn ogen voorbij trokken. Andere keren kreeg hij zijn antwoorden tijdens perioden van gebed. Zijn vrouw, die een medium van de geestenwereld van God was, werd ook vaak gebruikt om hem de verbeteringen mee te delen.

Johannes Greber vond het noodzakelijk dat de bijbel in een voor de huidige tijd begrijpelijke taal geschreven moest zijn en niet in een taal van de oudheid, die door velen niet begrepen kon worden. Hij zag het als een zonde tegen de waarheid om de wereld van vandaag op te zadelen met een bijbel die honderden jaren geleden vertaald is. Dit zou de mensen alleen maar misleiden en uiteindelijk afstoten.

Op 31 mei 1944, een half uur na een van zijn langste preken in New York, werd hij totaal onverwacht van deze aarde weggeroepen. Zijn missie op deze wereld was om de dwalende mensheid de weg naar de waarheid te tonen en hen zo dichter naar God te brengen.

(*) In Nederland uitgegeven door Mirananda, Den Haag.