Loslaten, vergeven en vergeven worden. Hoe vergeeft God u? Hoe vergeeft u anderen? Wanneer bent u vergeven?

De waarheid is deze: Wie oprecht berouw heeft over zijn zonden en zich tot God wendt, die wordt door God vergeven, onverschillig of een priester hem vergiffenis schonk of niet. En wie geen oprecht berouw heeft ontvangt geen vergeving van God, al zouden de priesters hem ook nog zo vaak absolutie verlenen.

De juiste lezing is dus: ‘Wanneer gij anderen hun zonden vergeeft, dan worden zij u zelf vergeven. Als gij ze hen laat behouden (of ze niet vergeeft), dan zult gij ze zelf behouden (of niet vergeven worden).’ In deze bewoordingen verkondigt Christus dezelfde leer, die het gebed van het ‘Onze Vader’ bevat : `Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven,’ en die Hij in directe aansluiting aan het Onze Vader in deze woorden heeft uitgesproken : ‘Want als gij de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven ; maar als gij de mensen niet vergeeft, dan zal uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven’ (Matth. 6:14/15).
`Niemand kan zonden vergeven dan God alleen.’ Met deze uitspraak hadden de schriftgeleerden tegenover Christus gelijk. Geen mens en geen priester kan vrijspraak verlenen. Ook Christus kon het niet. Wel kan God aan een mens als zijn werktuig in een bepaald geval de opdracht geven aan een zondaar mede te delen, dat God hem zijn zonden heeft vergeven. Zulk een opdracht gaf God aan de profeet Nathan. Hij zond hem naar David om hem mede te delen, dat Hij hem de zonde van echtbreuk en moord had vergeven. Op dezelfde wijze had Christus in de speciale gevallen, waarin hij aan zondaren de vergeving van hun zonden meedeelde, een bijzondere opdracht van God ontvangen. Hij schonk de vergeving van zonden niet uit zichzelf en volgens eigen oordeel. Hij schonk die alleen aan hen, die God door zijn geestenboden als waardig voor vergeving had aangewezen. Dit bevestigt Christus, als Hij met nadruk tegen zijn tegenstanders zegt, dat de Vader Hem de opdracht daartoe had verleend; niet een opdracht voor alle gevallen naar goeddunken van Christus, maar voor elk geval op zichzelf.

Daarom werd vroeger ook nooit van de christenen een belijden van zonden aan een priester verlangd. De mensen uit de eerste christentijd werden aangemaand om volgens de leer van Christus ‘aan elkaar’ hun zonden te bekennen, namelijk de zonden, die zij tegenover elk hadden begaan. Zij moesten het onrecht, dat zij hun medemens hadden aangedaan aan deze bekennen en daardoor de verzoening tot stand brengen. Dit is immers ook de enige en snelste weg naar de verzoening. Als iemand je heeft beledigd en hij komt naar je toe en bekent zijn ongelijk, dan rijk je hem gaarne de hand tot vergiffenis. Daartoe roept Christus toch ook op met de woorden ‘Wanneer ge uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen; en kom dan terug om uw gave aan te bieden’ (Matth. 5:23-24).

In je vroegere religie spelen ook de zogenaamde uiterlijke `boetedoeningen’ geen geringe rol. Zij schrijft onthouding van zekere spijzen op bepaalde dagen voor, stelt vastendagen in, beschouwt lichamelijke kastijdingen als een hogere graad van volmaaktheid, beveelt bedevaarten aan en eist van haar priesters en ordebroeders het ongehuwd blijven als een hogere trap van volmaaktheid. Al deze dingen hebben met het ware boetebesef en een innerlijke volmaaktheid niets te maken. Christus heeft nooit vrijwillig gevast of zich gekastijd.

Toen hij in de woestijn vastte was dat noodzaak, waaraan hij zich niet kon onttrekken; want in de woestijn was niets eetbaars. Daarom zult u in de leer van Christus of in de brieven van de apostelen geen woord vinden, waarmee de mensen tot onthouding van spijzen of tot lichamelijke kastijdingen worden opgeroepen. Integendeel dergelijke dingen worden als waardeloos aangeduid. Zo zegt Paulus aan de Korinthiers: ‘Voedsel brengt ons niet dichter tot God’ (1 Korinthe 8:8). En aan de Kolossenzen schrijft hij: `Indien gij met Christus van de geestenmachten der wereld zijt bevrijd, waarom laat gij u, alsof ge nog met de wereld leefde, instellingen opleggen, zoals: Vat dit niet aan, eet dat niet, roer dit niet aan: Dit alles is er toch, om door het gebruik vernietigd te worden.’ Zulke instellingen zijn volgens Paulus’ geboden en leringen van de mensen, die weliswaar de roep hebben van bijzondere wijsheid ten gevolge van een eigengemaakte vroomheid, uiterlijke nederigheid en kastijding van het lichaam, doch geen werkelijke waarde hebben en slechts tot volle bevrediging van het vlees dienen’ (Kolossenzen 2:20-23).

Alle aan de mensen opgelegde riten in de christelijke godsdiensten stammen niet van Christus af, maar, zoals Paulus aan Timotheus schrijft: `… sommigen zullen afvallen van het geloof, omdat zij gehoor geven aan dwaalgeesten en demonische leringen, verleid door huichelachtige leugensprekers, wier geweten met een brandijzer is toegeschroeid. Deze lieden verwerpen het huwelijk en het gebruik van bepaalde spijzen, ofschoon God ze heeft geschapen om met dankzegging te worden gebruikt door de gelovigen die de waarheid erkend hebben. Want al wat God geschapen heeft is goed, en niets is verwerpelijk dat in dank wordt aanvaard : het wordt geheiligd door het woord van God en het gebed’ (1 Tim. 4:1-5).