Deze informatie is afkomstig van de geest der Waarheid. En dient daarom als volledig juist ervaren te worden, het is een belofte dat de juiste uitvoering bewaarheid zal worden.

Deze viering is een heilige en zegenbrengende handeling. U moet het vaak doen. Daarvoor zijn in het bijzonder de vooravonden van uw hoge feesten of de dagen van de feesten zelf geschikt. Ook op andere dagen, die voor u van betekenis zijn, moest u bijeenkomen voor zo’n viering. U kunt dit doen zonder vreemde hulp, in uw eigen familiekring. U hebt daarvoor geen zogenaamde ‘priester’ of andere geloofsdienaren nodig en ook geen kerken. Er is in iedere kring van gelovigen wel iemand te vinden, die in staat is de avondmaalsviering op waardige wijze te leiden.

Vanwege het belangrijke van deze zaak wil ik u het verloop van zulk een viering in het kort beschrijven.

  1. Als brood neemt u het best ongezuurd brood, in uw taal ‘matzen’ genoemd. Met rode wijn of ook witte wijn vult u een glazen of kristallen beker.
  2.  Beide plaatst u op een tafel, gedekt met een wit tafellaken. De beker met wijn dekt u af tot aan het gebruik, opdat de wijn door niets wordt verontreinigd.
  3.  Men kan het brood eveneens met een schoon doekje afdekken.
  4.  Bovendien kunt u naar het voorbeeld van de eerste christenen een eenvoudig kruis zonder Christuslichaam op de tafel zetten. Achter het kruis zeven kaarsen en wel zo, dat de middelste kaars dicht achter het kruis komt te staan.
  5. Als u op het vastgestelde uur bijeen bent, begint u met een voor dit feest passend lied. Daarop spreekt hij die de viering leidt, een gebed uit met zijn eigen woorden en leest dan de een of andere psalm, die voor dit ogenblik past. Ook kan hij uit verschillende andere psalmen die verzen kiezen, die hij geschikt vindt. Daarop volgt een toepasselijke lezing uit de Heilige Schrift. Als een van de aanwezigen zich in staat voelt een korte toespraak te houden, dan zou dit zeer waardevol zijn.
  6. Daarop blijven de deelnemers enige minuten in stille concentratie zitten. Zij overdenken hun zonden en fouten en vragen met oprecht berouw God om vergiffenis.
  7.  Dan bidt de leider van de bijeenkomst of allen tezamen de psalm : `Uit de diepte roep ik tot u’ (Psalm 130).
  8.  Na het beëindigen van deze boetepsalm treedt de leider voor de tafel en bidt met zelf gekozen woorden, dat God brood en wijn wil zegenen, opdat het nuttigen daarvan aan alle deelnemers heil moge brengen. Daarop breekt hij voor ieder van de aanwezigen een stuk van het brood af en reikt dit over met de woorden : `Neem en eet ! Dit is het symbool van het lichaam van Christus onze Verlosser, die tot onze redding aan het kruis is gestorven.’ Dat spreekt hij slechts eenmaal langzaam uit, terwijl hij het brood ronddeelt, dat de deelnemers in de hand nemen en meteen opeten. Als laatste neemt de uitdeler zelf een stuk en eet het ook op.
  9. Op dezelfde wijze reikt hij in aansluiting daaraan de beker rond met de woorden : ‘Drinkt allen hieruit! Dit is het symbool van het bloed van onze Heer Jezus Christus, dat eens heeft gevloeid tot vergeving van onze zonden.’ Als laatste drinkt hij zelf uit de beker. Daarna spreekt hij een dankgebed uit. Een lied sluit de viering.
  10. Is er een volle-trance-medium aanwezig, dan zal de daardóór sprekende geest de leiding van de viering op zich nemen en het nodige doen.
  11. Het is volstrekt niet verboden om, in aansluiting aan het avondmaal een aardse viering met een maaltijd aan te richten en in een echt vrolijke stemming bijeen te blijven. Want u behoort vrolijke mensen te zijn en de innerlijke vreugde ook uiterlijk te tonen. U moet niet alleen de geestelijke gaven van God maar ook de aardse met dank aan God in vreugde en blijmoedigheid genieten zonder daarbij de, grenzen van het geoorloofde te overschrijden.

Wat u vooraf moet weten en toetsen alvorens deel te nemen aan deze viering

Het paschamaal van de Israelieten aan de vooravond van de uittocht uit Egypte was het symbool voor het feit, dat zij in gemeenschap wilden blijven met God, die zich door Mozes als hun redder had geopenbaard. Zij wilden in de toekomst aan zijn bevelen gehoorzamen.

Het paschamaal van de Israelieten was dus het symbool van hun redding door God uit de knechtschap in Egypte onder de leiding van Mozes als de gezant van God. Christus was de door Mozes voorafgegane en aangekondigde grote afgezant van God, die de mensheid uit de slavernij van satan, de farao van de hel, moest voeren. Aan de vooravond van de dag, waarop Hij de bevrijding van de mensheid door zijn sterven en zijn overwinning op de hel moest verwerkelijken, vierde hij met zijn getrouwen hetzelfde maal, dat eens Mozes op de avond voor de bevrijding van het Israelitische volk had gevierd. Deze maaltijd had een tweevoudige betekenis: zijn afscheid door de lichamelijke dood – en zijn blijvend verenigd zijn met hen in de geest.

Als symbolische tekens koos Hij brood en wijn. Hij nam een snede brood, brak die in stukken en reikte ze aan zijn discipelen ter nuttiging met de woorden: ‘Neem en eet, dat is het zinnebeeld van mijn lichaam, dat voor u aan de dood wordt gegeven. Doet dit tot aandenken aan Mij !’ – Zoals Hij toen de snede brood in stukken brak, werd de dag daarop zijn aardse lichaam in de dood gebroken en van het leven gescheiden. Evenzo nam hij de kelk met wijn, liet een ieder daaruit drinken, terwijl Hij sprak: `Deze drinkbeker is het zinnebeeld van het nieuwe verbond in mijn bloed, hetwelk voor u wordt vergoten. Zo vaak gij het drinkt, denk aan Mij!’ – Zoals de wijn bij het drinken uit de beker vloeide, zo vloeide op Christus’ sterfdag het bloed uit zijn lichaam. Maar in hoofdzaak was dit maal het symbool van de geestelijke gemeenschap, die Christus ondanks zijn aardse scheiding, met zijn getrouwen wilde handhaven. Zoals het onder de discipelen verdeelde brood voordien slechts een enkele snede brood was en de verschillende slokken wijn daarvoor in de kelk een eenheid vormden, zo moesten de discipelen zowel met Christus als met elkaar in de geest en in liefde een zijn. Voor deze eenheid heeft Christus zo innig en aangrijpend op deze avond geleden. Zij moesten de liefde tot hun meester in hun harten bewaren en daardoor met Hem in een geestelijk lichaam verbonden blijven: Christus is het hoofd en zij zijn de ledematen. Daaraan moesten de discipelen van nu af aan denken, zo vaak als zij bijeen kwamen om tot aandenken aan Hem het maal te herhalen, dat hij als afscheidsmaal met hen had gevierd. Zij moesten niet vergeten, dat het een maal van liefde was, dat hun Heer en meester op de avond vóór zijn scheiden van de aarde met hen had gedeeld en dat alleen hij aan deze herhaalde maaltijd mocht deelnemen, die door de band van liefde met God en de mensen was verbonden. Wie deze liefde niet in het hart draagt, kan het herdenkingsmaal der liefde niet ontvangen.

Wie daarbij haat, vijandschap, wrok; nijd en dergelijke zonden tegen de naastenliefde in zijn innerlijk koestert, maakt zich schuldig aan de grootste huichelarij. Het is de zwaarste belediging van Hem, die deze maaltijd ter nagedachtenis aan de liefde heeft aangericht. Daarom moet een ieder, die dit maal van liefde wil ontvangen, van te voren in zichzelf nagaan of hij de liefde tot God en de naasten bezit, omdat anders het maal een bespotting van Christus is.

Dit is de ware betekenis van het avondmaal van Christus en de herhaling daarvan als een aandenken aan Hem.

De apostel Johannes, die bij het avondmaal aan de zijde van zijn meester neerlag en als eerste een bete van dat gezegende brood ontving, zegt in zijn evangelie helemaal niets over het overreiken van het brood en wijn door Christus. Hij vertelt, dat Jezus de voeten van de discipelen waste. Hij vertelt van het verraad van Judas. En dan zou hij over dit meest onbegrijpelijke en geweldigste gebeuren in het leven van Jezus hebben gezwegen? De apostelen vermelden in hun brieven niets over het avondmaal. De Handelingen delen alleen mee, dat de eerste christenen vasthielden aan de leer van de apostelen, aan de gemeenschap, aan het breken van het brood en aan het gebed. Zij braken het brood als symbool van Christus’ dood en de liefde, die zij in de gemeenschap met elkaar en met Christus betrachtten. Het was brood, dat zij braken en aten, maar bij het nuttigen daarvan waren zij met hun gedachten en gebeden bij Hem, die hun had beloofd: ‘Waar ook maar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden.’ Het nuttigen van het brood en de wijn was voor hen een heilig symbool van hun geestelijke vereniging met hun Verlosser.

De apostel Paulus, die een groot aantal brieven aan de gemeenten heeft geschreven, is de enige, die in zijn eerste brief aan de Korinthiërs het avondmaal vermeldt. Doch ook hij zou daarover niets hebben gezegd, als hij niet door de uiterlijke omstandigheden daartoe gedwongen was geweest. Men had hem namelijk verteld, dat het er in de Korinthische gemeente bij de avondmaalviering zeer onbehoorlijk toeging. De eerste christenen maakten de avondmaalsviering tot een volledige maaltijd, zoals dat ook het geval bij het avondmaal van Christus in Jeruzalem was geweest. Want voordat Christus brood en wijn te zijner gedachtenis aan zeven discipelen ronddeelde, had Hij met hen het paaslam met al wat daarbij behoorde gegeten en wijn gedronken. Op diezelfde manier aten nu ook de eerste christenen bij hun avondmaalvieringen eerst vleesspijzen met de meest verschillende bijgerechten. Ook zij dronken wijn daarbij ; en eerst aan het slot van deze maaltijd braken zij brood en dronken uit een gemeenschappelijke kelk wijn ter herinnering aan Christus.

Ook deze christenen waren maar zwakke mensen met dezelfde fouten als u. Dat werd helaas bewezen bij de avondmaalviering in Korinthie. Zij werd in particuliere huizen gehouden. Nu was de eigenaar van het huis, waar de viering plaatsvond, niet in staat alle deelnemers de gehele maaltijd aan te bieden. Want de eerste christenen waren meestal arme mensen. Daarom moest ieder zijn eigen eten en wijn voor de gewone maaltijd, die aan de avondmaalviering voorafging, meebrengen. Het kwam voor, dat de armen slechts een karig maaltje bij zieh hadden of in het geheel niet aten, maar alleen aan het slot aan de eigenlijke avondmaalviering deelnamen. Daarbij moesten zij vaak toezien, hoe de beter gesitueerden hun rijkelijk maal verorberden en daarbij wijn dronken en soms daarbij de grenzen van het geoorloofde overschreden en zich bedronken. Zulke toestanden konden natuurlijk niet worden geduld; niet alleen niet omdat de daarbij zittende armen er aanstoot aan namen, maar vóór alles, omdat deze met de geest van de avondmaalsviering onverenigbaar waren.

Toen Paulus vernam, dat dergelijke dingen in de gemeente te Korinthe voorvielen, greep hij in en maakte de Korinthiërs scherpe verwijten. Daarbij moest hij dus noodgedwongen ook over de eigenlijke betekenis van het avondmaal spreken. Allereerst berispte hij hen over de gebeurtenissen bij de avondmaalsviering. ‘Zoals ge nu samenkomt kan er geen sprake zijn van de maaltijd des Heren. Want ieder nuttigt bij het eten zijn eigen maaltijd, met het gevolg dat sommigen honger lijden en anderen dronken zijn. Gij hebt toch huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij de gemeente Gods en wilt gij hen die niets hebben beschaamd maken? Wat moet ik hierop zeggen? Kan ik u prijzen? Op dit punt zeker niet’ (1 Kor. I 1: 20-22). En dan wijst hij hen op de betekenis van het avondmaal. Hij behoefde hen daaromtrent niet veel duidelijk te maken, want hij had hen daarover reeds eerder mondeling onderwezen. Hij haalt de woorden aan, die Christus heeft gesproken bij het eerste avondmaal, en vat hun betekenis in de volgende woorden samen: ‘Zo vaak gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, tot Hij komt.’ – Het avondmaal is dus een eten van het brood en een drinken van de wijn als symbool van de dood van Christus, die uit liefde voor de gevallen geesten zijn leven gaf.

Wie daarom bij een viering ter nagedachtenis aan Christus de symbolen van lichaam en bloed van de Verlosser op zo’n onwaardige wijze behandelt, als menige christen in Korinthie deed, die zondigt niet alleen tegenover deze symbolen, maar tegenover Christus zelf. Want wie een feest ter ere van een heerser te schande maakt, onteert de heerser zelf en wordt wegens majesteitsschennis bestraft. `Wie dus op een onwaardige wijze het brood eet en de kelk des Heren drinkt, die bezondigt zich aan het lichaam en bloed des Heren.’

Daarom moet niemand brood en wijn als zinnebeeld van het leven en van het bloed van Christus nuttigen, die niet vooraf bij zichzelf heeft vastgesteld, of zijn gezindheid overeenstemt met die van de Verlosser. ‘Een ieder beproeve dus zichzelf en ete dan pas van het brood en drinke uit de beker; want wie eet en drinkt, die haalt zichzelf door zijn eten en drinken een goddelijk oordeel op de hals, als hij het lichaam van de Heer niet behoorlijk eert.’

Wie brood en wijn als symbool van de .grootste en heiligste liefdesdaad van de schepping onverschillig en als iets gewoons behandelt, deze in dronkenschap en onder andere ergernis wekkende omstandigheden nuttigt, die moet door God worden gestraft. Want jullie mensen laat het je niet eens welgevallen, dat iemand een aandenken, dat je hem hebt gegeven, op onterende wijze behandelt. Tot deze onterende behandeling van de symbolen van de dood en de liefde van Christus behoort vóór alles ook de onwaardige innerlijke gesteldheid van de deelnemers aan het avondmaal. Waar een herdenkingsmaal van de liefde wordt gevierd, mag niet het tegendeel van liefde in de harten van de aanwezigen leven. Met vechtlust, vijandschap, bitterheid en dergelijke zonden tegen de naastenliefde in het hart kan men het maal van de liefde niet nuttigen. Ook hierin hadden de Korinthiërs sterk gefaald. Want Paulus noemt als eerste reden, waardoor de avondmaalviering hun geen zegen brengt, maar slechts geestelijk nadeel, het feit dat Scheuringen en onenigheden bij hen aan de orde van de dag waren, en zij dus tegen de naastenliefde handelden.

Waar de avondmaalviering uiterlijk en innerlijk op zo’n onwaardige wijze werd gehouden, als in de gemeente van Korinthie, hoef je je er niet over te verwonderen, dat de deelnemers naar de woorden van de apostel ‘zwak en ziek waren’ en dat bij velen van hen reeds het ergste, namelijk de geestelijke slaap van onverschilligheid jegens God, was ingetreden.

Zoals je ziet, zei Paulus niet, dat brood en wijn iets anders konden zijn dan symbolen van het lichaam en het bloed van Christus. Als het brood geen brood meer was geweest, zoals u leert, maar Christus zelf, dan zou Paulus dit zeer duidelijk hebben gezegd. Welke woorden zou deze vurige christen-discipel wel tegen de Korinthiërs hebben gebruikt, als het brood van het avondmaal Christus zelf was!

Lees meer hierover in het boek ‘Omgang met Gods Geestenwereld’.